Kamperveen

 Zeer strenge winter 1844-1845.

 

 

 

Begin Dec.1844 begon een briesende Russische beer stevig uit het oosten te blazen en verjoeg een snerpende oostenwind alle Oceanische warmte. Barre en boze kou overspoelde ook Campervenne. Onafgebroken tot midden Januari vroor het vrijwel zeer streng. Zes weken lang was het bitter en bitter koud. Alle open water was bedekt met een dikke laag ijs. De IJssel en zelfs de Zuiderzee kruiden dicht. Krakend en knerpend sputterden de tegen elkaar schuivende schotsen in het begin nog wel tegen, maar de klauwen van de ijzige beer legde hen spoedig het zwijgen op. Het was niet alleen de kou die de bewoners binnen hield maar ook de nodige hoeveelheid sneeuw maakte de verlamming van het normale leven compleet. Even was er een kleine adem pauze vergezeld van enige dooi, maar sneeuw en ijs waren bij lange na nog niet gesmolten of de winter sloeg in alle hevigheid weer toe. De scheepvaart stremde langdurig wat de nodige problemen veroorzaakte in de aanvoer van de dagelijkse benodigdheden. Vervoer van brandstof moest over land gebeuren en om te blijven eten was men voor een groot gedeelte op zich zelf aangewezen. Voor Campervenne niet direct alarmerend omdat men toch al gewend was een hamstervoorraad aan te leggen in de winter in verband met het onderlopen van de polder. Maar op den duur slinkte toch ook deze voorraad. Onderling begon men voorzichtig met het drijven van ruilhandeltjes. Bewoners die bepaalde producten wat royaler in de schuur hadden liggen wisselden deze met elkaar uit. Vloeibaar ijs, oftewel water, baarde op sommige plaatsen nog de meeste zorgen. Daar konden mens noch dier geen dag buiten. Waterputten, die zich vrijwel altijd buiten bevonden, moesten dik worden ingepakt en afgedekt met stro. Sommige waren voorzien van een pomp die al bij een licht vorstje vast vroor en zodoende dienst weigerde, andere hadden een put met een draairol met zwengel waarover een touw met daaraan een aker (emmer) en de simpelste hadden een hijsemmer aan een koord. Maar op den duur bevroor ook het water in de niet al te diepe putten. Men nam dan de bijl ter hand en sloeg dagelijks een gat dwars door de drie voets dikke ijslaag van b.v. een kolk. Men had geluk als er naast de woning een kolk lag, Anders moest men met juk en twee emmers het water over een grote afstand gaan halen. Een karwei om warm bij te blijven. Omdat ook de kou niet altijd buiten de deur kon worden gehouden werd de voorraad water naast het houtvuur geplaatst. Alle werkzaamheden waren er op gericht om te overleven. Maar niet iedere polderbewoner haalde de lente. Veel oude mensen kwamen om, bevangen door de kou. Ook het begraven was niet eenvoudig.

 

Maar gelukkig was het niet zo erg als de verhalen die men wel eens hoorde over heel vroeger.

 

Weet je nog wel van toen....en ..toen ..., dat waren nog eens ouderwetse winters. Dat men bijna of geheel bevroor. Dan moest het schamele meubilair wat er was opgestookt worden om nog enige warmte te verkrijgen, dat het bedstro vol zat met eiskristallen,  dat kerels niet durfden te plassen omdat het water bevroor voordat het het lichaam verliet en als een boog bleef staan, dat er in het voorjaar mensen rondliepen zonder oorlellen omdat deze waren afgevroren, dat ook het dakstro werd gebruikt om een enkel beest in leven te houden, omdat er nog enig vocht in zat nadat het werd gedrenkt als er tenminste nog water was, enz. enz.

 

 

Op 4 maart is het de koudste dag tot dan van deze lange winter.  Zo’n 18 graden onder nul. Omdat scheepvaart nog steeds onmogelijk was vervoerde men vele vrachten over het ijs. Over de  IJssel en de Zuiderzee werden vele transporten geregeld en vrijwel alle kustplaatsen waren bereikbaar. Op 12 maart sloeg de winter in alle hevigheid toe. Nachtelijke temperaturen van 15 tot 20 gr. vorst waren geen zeldzaamheid. En hierna viel er weer een enorm pak sneeuw gevolgd door een blitse sneeuwstorm. Deze driftsneeuw wierp enorme duinen op. Lage huisjes en  bedrijfjes die op kritische plaatsen waren gelegen verdwenen vrijwel geheel onder de sneeuwmassa. Campervenne dat ontelbare malen onderwater had gestaan was nu vrijwel geheel onder de sneeuw verdwenen. Hoewel de zon reeds hoog aan de hemel stond was ze nog niet instaat het getij te keren. Maar het waren wel de laatste krachtigste stuiptrekkingen van deze winter. Op 20 maart, bijna lente, is men nog met een slede met daarop 6 personen, getrokken door een paard, van Urk gekomen en weer vertrokken. 

 

24 maart heeft Campervenne  het Paasfeest gevierd op het ijs. De temperaturen waren dragelijk.Op diverse kolken en plassen heeft men de sneeuw enigszins geruimd en werden met rietschermen provisorische tenten geplaatst en daarin hielden de toegestroomde bewoners uit de buurtschappen gezamenlijk de traditioneel in ere te houden Paasgebruiken. Daar werden vele noten gekraakt en de inhoud sfeervol verorberd. Folkloristisch werd er menig eitje gekookt in een pot hangend boven een openvuur dat zomaar op het ijs werd aangelegd. Het aangelegde vuur was niet in staat de ijsvloer te smelten hoewel er wel een kuiltje met water ontstond. Daarna volgde de beroemde eiertikwedstrijd. Met veel branie en plezier daagde men elkaar uit wiens kippen het sterkste ei legden Om vervolgens diegene met het sterkste ei tot winnaar uitte roepen. Sinds mensen heugenis was zoiets nooit eerder voorgekomen. Toen de winnaar bekend was blies de winter de aftocht en brak de lente door.....