Kamperveen

 Gevolgen voor Kamperveen.

 

 

In de nacht van 4 op 5 februari stapte Gerrit van Keulen onrustig door zijn  herberg: “de Koelucht” aan De Zande. De laatste stamgasten waren al vroeg vertrokken. En overnachtingen van vrachtrijders met paard en wagen waren niet op komen dagen. Het stormde nu al een dag en het water klotste tegen de dijk en het einde leek nog niet in  zicht. Zijn vrouw en kinderen waren al lang naar bed. Bange gevoelens speelden door zijn hoofd. Onrustig beende hij door de herberg en gluurde van tijd tot tijd door de ramen naar de diepe duisternis van de nacht. “Als dit maar zonder ongelukken afloopt”.  zo vroeg hij zich af. De storm zwiepte door de kale bomen en huilde als een groep uitgehongerde wolven. De klok wees bijna twee uur in de nacht. Naar bed gaan? Daar piekerde hij niet over. Eerst het haardvuur nog maar eens opstoken, dan bleef het tenminste behaaglijk warm. Tijdens het halen van wat brandhout stond hij plotseling stil. Hoorde hij het goed? Riep daar iemand? Hij liep naar het raam en legde zijn oor tegen het glas en luisterde met ingehouden adem. “Verbeelding? ..Natuurlijk!”, Niets verdachts. Ach, natuurlijk was het de stem van de storm, zo praatte hij zich zelf voor. Maar zijn bange vermoedens lieten hem toch niet helemaal los. Hij zette de buitendeur op een kier met de klomp er tussen en luisterde: Wat....!? Ja hoor...!!, hij had het toch goed gehoord. Hulp geroep. Angstige noodkreten van menselijke stemmen die om hulp riepen. Duidelijk ving hij de signalen op. Hij waarschuwde zijn huisgenoten en trok zijn dikke duffel aan en ging naar zijn buurman Jan Jacobs v.d.Wolde. Nadat deze de deur had geopend vertelde hij zijn verhaal. Inmiddels was daar ook Gijsbert Gerrits Hup bijgekomen. Op voorstel van Gerrits besloot het drietal een poging te wagen om een reddingsactie te ondernemen. Maar hoe en welk risico namen zij zelf? Het waren alle drie hoofden van grote gezinnen. Vast beraden wilden ze het toch proberen. Maar hoe? Jan Jacobs vertelde dat de Zalker schouw in de buurt lag. Een gammele en van ouderdom broos geworden schietschouw. Men besloot uiteindelijk met dit vaartuigje toch maar aan de operatie te beginnen. Een hachelijke onderneming, dat wel. Even later was de zware strijd tegen de woeste golven en de striemende slagregens  begonnen.....

 

Reint van Houten, een boer aan de Zwartendijk bij Kampen, zei tegen zijn vrouw: “Ik ga het bed even uit om eens wat poolshoogte nemen want er staat een stevige “Noordwester”. “Ach, doe niet zo paniekerig”, was haar antwoord, het is nog maar half zes en straks vat je nog kou ook. Blijf toch nog eventjes lekker warm onder de dekens. Nee, nee, Ik ga toch even kijken of er ook seinlichten aan de zeedijk ontstoken zijn. Hij trok zijn kleren aan en kroop  de bedstee uit, pakte een lucifer, ontstak zijn stormluchter en wandelde door de stal richting achterdeur. ‘Sjonge, jonge, het waait toch wel hard’, zei hij tegen zichzelf. Hij lichte de klink van de achterdeur en wilde deze openen maar de wind was zo sterk dat hij zijn schouder er tegenaan moest zetten om hem zover te openen dat hij er door kon. Het koste hem moeite om op de plek te komen vanwaar hij de seinpalen aan de kust van de Zuiderzee kon zien. Dacht ik het niet!, die is al ontstoken. Maar goed dat ik even ben gaan kijken. Hij liep weer naar de bedstede en zei tegen zijn vrouw: “Kom er maar uit want het water komt al over de dijk”. Zij zag in de schemering van het spaarzame licht dat zijn gezicht een waarschuwende blik uitstraalde. Zonder tegenspraak kleedde zij zich en ging naar het haardvuur, want het was behoorlijk koud. Reint ging weer naar de stal om enkele maatregelingen te treffen. Het overtollige hooi wat lager op de deel lag dan de koestal, prikte hij met een hooivork op de Hilde. Daarna ging hij naar de goot om te zien of er al warme koffie was. Eerst nadat ze beiden het bakje half leeg hadden gedronken gingen de eerste woorden over tafel. De wind zit in de verkeerde hoek en zo te horen neemt de kracht nog toe. Zwijgend stond hij op en ging naar buiten. Het hooi uit de berg woei hem om de oren. In èèn oogopslag zag hij dat alle drie seinlampen branden en hij hoorde ook het water klotsen onder aan de terp van zijn boerderij. Eenmaal weer binnen vertelde hij zijn vrouw de situatie. Deze stond met gespreide benen en de handen in de zij. Zorg jij voor de koeien dan breng ik eten en de waardevolle dingen naar de zolder; zei ze. Bij de aangebroken schemering gaf het wat meer duidelijkheid aan de ontstane situatie. Water, als maar snel wassend water wat er te zien was. Als dat zo door gaat houden we de voeten niet droog. Maar de storm veranderde in een orkaan en het water begon de boerderij vrij snel binnen te dringen. De koeien werden los gemaakt en de deur werd geopend zodat ze hopelijk zichzelf nog konden redden. De toestand verergerde snel. Van Houten en zijn vrouw gingen naar de zolder om te proberen zichzelf in veiligheid te stellen. Maar omstreeks 11.00 uur in de morgen, tijdens een zware bui, vergezeld van hevige rukwinden overspoelden enorme golven de woning en deze stortte volledig in elkaar. Klauterend over de wrakstukken bereikte Reint de hooimijt. Zijn vrouw raakte te water maar klampte zich vast aan een drijvend bed en wist zich daarboven op te werken. Inmiddels was ook de hooimijt gaan drijven en samen dreven ze voort, gejaagd door de wind. Er volgde een zinvol... en zinloos gesprek. Maar geleidelijk dreven ze door de stroming ieder hun eigen weg. Woordelijk waren ze al voor elkaar onbereikbaar. Met al hun inspanning konde ze ieder nog èèn hand missen en.......zwaaiden elkaar een behouden vaart toe....... Daarna was hun afstand zo groot dat ze elkaar alleen nog zagen als ze tegelijk op een golftop dreven. Tenslotte was de afstand zo groot dat ze elkaar uit het oog verloren.*

 

Na de storm werd het lichaam van zijn verdronken vrouw gevonden bij “Buckhorst”onder Zalk. Hij zelf dreef gedurende enkele uren op de mijt. Maar deze begon doordrenkt te geraken en zonk steeds dieper. De mijt dreef tegen een rij knotwilgen en instinctief besloot hij daar in te klimmen. Een van deze  knotten stak nog voor een groot deel boven water.Tussen de takken zakte zijn lichaam goed vast en zo bleef hij gevrijwaard voor wegspoelen. Maar de hoop op overleven had hij allang opgegeven De dood had hij in de binnenzak en om daarvan gered te worden dat beschouwde hij als nihil. Toch probeerde hij met inspanning van zijn laatste krachten zo hard mogelijk te schreeuwen en om hulp te roepen. Maar helaas zonder succes. Door de kou bevangen zwijmelde hij van tijd tot tijd even weg. Dan volgde er weer een noodkreet. Maar steeds zwakker......

 

Het steeds zwakker wordende hulp geroep kwam vanuit de richting van de boerenhoeve van Jan Zonnenberg. Van Keulen met zijn helpers probeerden koers te zetten in deze richting. Maar door de wind en woeste golven werden ze alsmaar terug geslagen. Soms dreigde het vaartuigje te pletter te slaan op bomen en andere obstakels. Dikwijls speelde de gedachte door hun hoofd om de ongelijke strijd te staken. Maar na een twee uur durend gevecht tegen een geweldige overmacht, en de striemende kou, kwamen ze drijfnat in de buurt van de woning. Plotseling ontdekten ze in de knot van een wilgenboom een silhouet van iets wat op een menselijk wezen leek. Men probeerde met alle middelen om er bij te komen. De eerste poging mislukte omdat een onverwachte windvlaag hen in een nabije boom deed belanden. Het scheelde niet veel of ze waren van redders drenkeling geworden. Een hernieuwde poging laagde en hun bange vermoedens werden bewaarheid. Maar het kon natuurlijk ook een aangespoeld lichaam zijn. Met een laatste inspanning van hun nog resterende krachten werd de man in de boot getrokken. De totaal verkleumde man bleek evenwel nog enige levenstekens te bevatten. De terugvaart verliep redelijk vlot omdat men voor de storm ging. De drenkeling werd aan land gebracht, van droge kleren voorzien en zo dicht mogelijk bij de warme kachel geplaatst. Totaal ontredderd en door de kou bevangen merkte hij in eerste instantie geheel niet dat zijn been verbrande omdat deze te dicht bij het vuur werd gehouden. Behoorlijk verbrand, maar toch enigszins weer bijgekomen bleek het Reint van Houten te zijn. Naderhand bleek het 16 uren later te zijn voordat hij gered zou worden.

 

.

 

De drie redders dronken allen een sterke kop koffie in de herberg. Rondom het extra opgestookte haardvuur keken “zes ogen” naar het vlammenspel. De trek in de schoorsteen was ongekend. Het vuur, de aartsvijand van het water, stond aan de zijde van de moedige redders. Het was alsof de vurige tongen met de redders de situatie doorspraken. Zwijgzaam tuurden ze lang en heel diep in de gloed, alsof er een boodschap voor hen in stond te lezen. Nadat ze weer enigszins op verhaal waren gekomen besloten zij een volgende reddingspoging te ondernemen. Tijdens de vorige actie hadden zij in het povere licht van de nacht een noodvlag uit zien hangen op de boerderij van Gerrit Flip Ruitenberg. Ook had een van hen hulp geroep gehoord. Onder aanvoering van de waard stapten ze opnieuw in de schouw. De storm was over haar hoogtepunt en de wind een weinig gedraaid. Onder wat gunstiger omstandigheden bereikten ze spoedig de hoeve. Het bleek dat deze vrijwel geheel uit elkaar was geslagen. Alles wat niet was ingestort stond te wankelen. Ze durfden de schouw dan ook niet te verlaten, maar riepen of ze hulp konden bieden. Vanaf een wrak stukje zolder kwamen zeer angstige geluiden boven de nog altijd huilende orkaan. Al manoeuvrerende met de schuit kwamen ze langszij en de vijf slachtoffers werden onder moeilijke  en in erbarmelijke omstandigheden aan boord genomen. Maar acht personen in het gammele schuitje was te veel. Eigenlijk moesten er een paar achterblijven. Maar wie, o, ...wie? Die werden dan zeer zeker slachtoffers. Dan het vastberaden besluit van Gerrit, de initiatief nemer.” Allen of niemand”!!!.  Zwijgend  begon de boot aan de terugtocht met de geredden. Ondanks de overslaande golven vanwege de diepgang bereikte men toch omstreeks vijf uur in de morgen de dijk. Dankzij het constant hozen van enkele bemanningsleden met een emmer. Ook zij werden ondergebracht in de herberg. Een van de geredden van de Ruitenbergs vertelde toen dat het gezin van Jan Zonnenberg de noodvlag ook had gehesen en dat zij ook geschrei hadden gehoord. De waard, van Keulen, streek door zijn baard en dronk in stilte een hete kop koffie. Na enige tijd stond hij op en wandelde opnieuw richting “schouw”, stilzwijgend gevolgd door Jan Jacobs en Gijsberts Gerrits. Als een soort routine klus, deels bomende, deels roeiende, bereikten ze de  wrakstukken van wat eens de woning van Jan Zonnenberg moet zijn geweest. Te laat, stond er in hun ogen te lezen. Maar..... ergens op een stuk rieten dak ontdekten ze, dicht op elkaar, de bewoners. Op de harde roep van :”Hoe is het”, kreeg men snikkend enig geluid terug. Met gebruik van hun laatste reserves werd er weer vijf man aan boord gewerkt. Men koos de kortste weg naar de dijk, maar dat was niet de veiligste. Vlakbij de hooiberg van Jan Jacobs van der Wolde begon het schouwtje slagzij te maken. Een schipbreuk was  onafwendbaar. Met hun laatste energie duwden zij de boot tegen het hooi van de berg  van Van der Wolde. Daar bevonden zich, tot hun grote verbazing, ook de gezinsleden van Jan Jacobs. Met behulp van min of meer onvermoeide krachten lukte het hun allen veilig in de berg te krijgen. Nadat men op verhaal was gekomen vertrok men allen naar de herberg. Het resultaat was dat 11 personen van een gewisse dood konden worden gered.

 

 

Helaas moet hieraan toegevoegd worden dat herbergier v.Keulen naderhand ziekelijk werd en binnen een jaar overleed aan longontsteking.