Kamperveen

 

 Predikant en kerk onderhoud.

 

 

Anno 1609 brachten enkele hoogwaardigheidsbekleders, vertegenwoordigende de erfgenamen van Campervenne, een bezoek aan de predikanten woning aan de Hogenweg . Er waren bij hen klachten binnen gekomen van enkele huysluyden dat ze niet meer ten volle van de reformatorische diensten genieten konden gezien de droeve omstandigheden waarin deze verkeerde. Doordat de kerk aan de Leidijk door een storm zwaar beschadigd was en er geen diensten konden worden gehouden werd er gebruikt gemaakt van de onbewoonde pastorie. Predikant Grevenstein woonde namelijk in Campen. Na een oculaire ( In ogenschouw genomen) inspectie bleek  de omstandigheid waarin de woning verkeerde miserabel en een grondige opknapbeurt niet voor haar tijd. Besloten werd de woning bij openbare opslag aangepast te verbouwen. Maar daar blijf het voorlopig ook bij. Bij nader inzien bleek een nieuwe pastorie geen overbodige luxe. Maar dat koste een bom duiten en die zaten nog in de buidel van de huysluyden of waren die soms ook leeg? Want de omschakeling van rooms naar protestant verliep op Campervenne nog steeds niet rimpelloos. De plannen waren er wel, maar door onrust in de gemeente bleef alles maar voort sudderen.Dus gebeurde er weer niets.

 

Vervolgens kwam ook het voorstel naar voren als men toch een nieuwe pastorie zou bouwen dat men dan tevens naar een andere en veiliger plek moest omzien. De Hogeweg kreeg sterk de voorkeur. Men kon daar bouwen op des zelfden kerkenackers. De mogelijkheid tot het opwerpen van een behoorlijken hogen terp gaf de bewoners veel meer veiligheid bij stormvloeden.

 

In het jaar 1611 werd Henricus Holthenus benoemd tot predikant van Camperveen. Hij mocht in Campen blijven wonen omdat er geen bewoonbare pastorie was. Twee dagen per week moest hij zich laten zien in Campervenne. Zijn traktement bedroeg  het eerste jaar 350 en vervolgens 400 carolus guldens per jaar. Verder verkreeg hij de toezegging dat er in 1612 een nieuwe pastorie zou worden gebouwd en dat hij dan binnen de gemeente kon gaan wonen.

 

Dat men de kerckwech van den pastorie naar de kerk aan de Dompe zo zal laten maken dat men die bekwamelijk kan begaan en gebruiken.

 

De kosten van het examen van Henricus Holthenus kwamen verder voor rekening van de kerk en bedroegen 10 carolus guldens. Voor ontvangst en bevestigings plechtigheid werden er 8 kannen wijns gehaald bij Henrick Christophersz voor 8 carelsguldens.

 

In 1612 werd de pastorie aangepast gerepareerd. En ook de kerk kreeg een goede opknapbeurt.

 

 Men kwam ook nog te staan voor en onvoorziene post. Een arme drommel die al enige tijd rond de kerk had gezworven en verschillende kerkbezoekers om een stuksken kost had verzocht  was levenloos langs de Leykade gevonden. Deze moest begraven worden in een doodsvat. De kosten hiervan bedroegen wel even drie daalders. En toen bleef er zelfs nog zoveel over dat men een nieuwen kerkklok kon laten gieten.

 

Het randschrift luide:

 

 

“Campervenne.sois.myn. name.

 

Ghelut.sy.gode.bequame.

 

Den.levendigen.ropick.

 

De.doden.bescrey.ick.

 

Hagel ende donder werstae.ick.”

 

 

Er moest evenwel toch een nieuwe pastorie komen, men kon het niet verder meer voor zich uitschuiven.

 

In 1615 werd er een pastoriefonds gesticht. Van de 68 hoeven werden 3 goudguldens geëist en van de 8 katersteden( kleine boeren) 1,5 goudgulden.

 

 

Voor den predikant Johannes Schottelerius die aangenomen werd in 1615 tijdens een welkoms vergadering 4 kannen wijns 8 carelsguldens. Voor het vervoer van de predikant van Ens 12 carels guldens. Voor visch en broot 3 carels guldens.

 

In 1617 werd er voor de predikant een hooiberg gemaakt. Deze koste 25 goudguldens.

 

Ds. J. Schotlerus vertrekt naar Kampen. Hij stond bekend als arminiaans gezind.D.w.z. Remonstrants. Gesch.v.Kampen. blz.152

 

 

 

 

In 1623 verzoekt de predikant  Nathaniel Gisius om een bijdrage op zijn jaarlijkse vergoeding in verband met het geven van schoeldienstlessen aan de kinderen. Hij wil een korting op de landpacht van 50 carels guldens. Tot aan 1624.

 

 

Anno 1625 zijn de kerkmeesters met Coep de leyendeckker overeengekomen dat hij Coepe de Campervener kercke en ook de toren voor de tijd van zes jaren zal moeten onderhouden met afdekken. Het dicht houden van de daken en alle materiaal wat hij er voor nodig heeft inbegrepen. Daarvoor ontvangt hij jaarlijks 10 carolus guldens. Voor een periode van zes jaar. Het eerste jaar om achterstallig onderhoud te herstellen ontvangt hij 1 carolus gulden extra. Eventuele extra schade ontstaan door stormwinden  wordt er buiten gerekend.