Kamperveen

 

 

    Pastoor Wegiboldis.

 

 

Pastoor Wegiboldis Antoniuskus was nog erg jong toen hij tot priester werd gewijd en Campervenne kreeg toegewezen als zijn werkgebied. De tocht van Campen naar de Leidijk op het ‘Venne’ was voor hem een wereldreis met opstakels die hij zijn verdere leven nooit meer zou vergeten. Maar goed dat het midzomer en prachtig weer was, anders had hij voortijdig gekeerd.

 

Het groots ‘velddierenkoor’ van Campervenne’s gevleugelde vrienden begeleide hem op zijn voettocht. Vogels van allerlei pluimage zongen uit volle overtuiging de nieuwbakken pastor hun gewijde lofzangen toe. Hij luisterde vol overgave naar allerlei kwelende en fibrerende keel geluiden. ‘Toch heel wat anders dan het monotome Latijnse gezang achter in het stille klooster wat hij tijdens zijn opleiding van de monniken had geleerd’. Naar boven gezien was het één en al jubel voor hem. Maar te voet was het een zware strijd voor lichaam en geest. Een ware kruistocht. Via voetpaadjes, dammetjes, zandruggen, moerras en drassige landerijen koerste hij richting het kruis wat op de torenspits van het Romaanse kerkje stond. Hij was al enkele uren gaans onderweg voor hij het torentje aan de horizon in het vizier kreeg. ‘Dat wordt nog een heel geploeter voor ik daar ben’. Meerdere malen twijfelde hij of hij wel verder zou gaan. Hij voelde zich een ‘vreemdeling in dit nieuwe Jeruzalem’, ‘een dolende in de woestein der moerraszodden’, zoals een monnik hem dat eens tijdens zijn lering had verteld. Vanuit Campen had hij de opdracht: ‘ Ga ten voete in den Suydenlijcke windstreecke ende daer vindet gij eene toerenspitze sowaer daer staet uwe Wedeme’. Het jonge pastoortje volgde het aangewezen pad vol enthousiasme. De eerste baan als pastores van een zelfstandige parochie, dat was een geweldige uitdaging voor hem. Daar moest hij zich waar maken. Maar naarmate hij verder het ‘Venne” introk raakte de geboren stedeling steeds dieper in het geestelijke moerras verzonken. Toen hij in de late middag het kerkje uiteindelijk na veel omzwervingen bereikte stond daar tot zijn grote teleurstelling slechts één man die hem verwelkomde. Al pratende liepen ze samen naar de wedeme. Daar was ook de vrouw van de ontvanger en die had wat eten voor hem klaar gemaakt. Hoewel hij onderweg ook een keertje wat uit zijn knapzak had verorberd had hij toch wel trek. Tijdens het  eten werd hem duidelijk gemaakt wat hem te wachten stond, hoe hij het beste kon funktioneren en wat van hem verwacht werd. En als hij vragen had, kon hij altijd terecht bij enkele vooraanstaande parochianen die in de buurt woonden.

 

De inboedel met zijn persoonlijke bezittingen zouden zo spoedig mogelijk voor hem worden gehaald.

 

Daar stond hij dan: ‘Pastoor Wegiboldis’ temidden van enkele natuurlijke materialen in een soort dieren honk. Daar zag hij iets wat een open venster voorstelde. Een vierkant gat in de wand, wat afgesloten kon worden met een houten schot, vervolgens blikte hij naar boven; Daar ontdekte hij een enigszins afgeschermd gat in het strooiendak, wat zou dat te beteken hebben?, Waarom dat nou? Daar regende en waaide het toch door? Midden er onder stond een soort altaar, gebouwd van vuursteen klippen, Ha!...Ha! dat moet de vuurstede zijn. Hij glimlachte om zijn eigen ontdekking. En dat gat is dan natuurlijk de schoorsteen, daarbovenuit pluimden straks de wit-blauwe rookwolkjes ten hemel als hij zijn aangeschoten wildbraat sudderde. Maar waar moest hij nu slapen? Hij keek eens rondom zich en ontdekte een houten schot. Voorzichtig gluurde hij er omheen en zag een hoopje luchtig gestrooid stro. Zou dat.......Nou het is even wennen, maar hij was jong en soepel, dus..... En zo installeerde hij zijn eerste gedachten en visie van Campervenne in zijn geheugen onder zijn zwarte schedelcapje. Maar hij wist van aanpakken, hij was een doorzettertje, dat had hij van huis uit meegekregen.  Dat was nu zijn voordeel..........maar daar stond wel lijnrecht tegenover; ‘hij was ook bang, soms scheyterig bang’, maar dat liet hij nooit en te nimmer aan iemand blijken.

 

Na zijn inwerkperiode paste hij zich goed aan. De leefomstandigheden van het toenmalige Campervenne lagen hem wel. De uitdaging die hij had aangenomen in zijn nog prille leven verliep voortreffelijk. Hij werd een geliefd pastoor bij de ‘Venneluu’. Bij de ene buur kon hij wekelijks een gebakken deegbroodje halen en bij de andere een speklapje of ander stukje vlees met wat vet. Vrijdag ging hij even verderop een visje halen, wel moest hij die zelf bakken, maar dat was geen probleem. Hij had een goede stoofpot. Tijdens de biecht van zijn parochianen, wanneer er schoon schip gemaakt moest worden, werd hem ook nog wel eens een eetbaar precentje in de handen gedrukt. Hoog opgelopen misstappen gingen meestal gepaard met een royaal gebaar......van de zondaar. Al met al werd er goed voor hem gezorgd.

 

Die herfst maakte hij zijn eerste najaarsstormpje mee. De wind gierde door de bomen. Het zogenaamde schoorsteentje liet zoveel vlagen naar binnen dat ze bijna de schapenwollen deken van zijn slaapstede bliezen Hoewel een beetje bang sliep hij toch de slaap der gerusten. Toen hij de volgende ochtend wakker werd en in de schemering door het venster tuurde ontdekte hij water onder aan de zandheuvel waarop zijn wedeme stond. En toen hij goed om zich heen zag bleek heel Campervenne te zijn veranderd in een groot meer. Een panische angst maakte zich meester van hem. Zijn hele lichaam sidderde. Moederziel alleen op een eilandje midden in de Oceanus. Het was de zwaarste beproefing die hij ooit in zijn leven had meegemaakt. En toen hij later van zijn vertrouwelingen hoorde dat het niets geen bijzonders was en dat het ook wel eens voorkwam dat er enkele ellen water op de vloer van de wedeme stonden toen wilde hij wel zo zijn spulletjes bij elkaar rapen en vertrekken. Hij had nu al doodsangsten uitgestaan en hij was niet van plan om zichzelf op te offeren voor de goden der zee..... Maar onze lieve Heer was er toch ook nog en niet te vergeten de Heilige Maagd Maria. Die stond daar met haar trouwe en waakzame ogen in de hoek op een hoge kist. Die zou haar reddende hand toch wel uitstrekken als hij er om vroeg? Tijdens die gerust makende gedachte sloeg hij toch even een kruis, gevolgd door een ‘wees gegroetje.....’.

 

Maar het water bleef hem angst inboezemen. Zijn geloof wankelde; was Petri ook niet bijna door de golven opgeslokt?

 

Naast pastor was hij ook bewoner van Campervenne. En alle bewoners namen maatregelen tegen stormvloeden en overstromingen en waarom zou hij het dan niet doen? De komende tijd piekerde hij veel over een reddingsplan. Al sprak hij er met niemand over. Want zijn onderdanen behoefden niet te weten hoe bang hij zich voelde. Hij kon om een schuitje vragen of er zelf een in elkaar timmeren, want had hij niet dikwijls in zijn jonge jaren een ‘klompje met een zeiltje’ op het water laten drijven. Van een paar platte stukken hout en een paar nagels moest dat toch niet zo moeilijk zijn. Maar..... dan in zo’n rank bootje stappen en midden in de nacht zich prijs geven aan de woeste baren.........brrrr  dat plan verdween snel uit zijn brein. Toch moest hij er nog maar eens goed over nadenken.

 

Toen hij op een morgen terug wandelde van het kerkje naar zijn woonstede keek hij zo eens rond en bemerkte een zwarte raaf op de nok van het dak van zijn weme. Haar veren pak vergeleek hij met zijn eigen ambtsgewaad. Zou die ‘Kray-Kray’ soms de herder der vogels zijn? Haar verenpak had een diep zwarte en glanzende uitstraling. Overeenkomstig met zijn eigen pij. Toch kon hij zich deze vergelijking maar moeilijk voorstellen. Kraaien en hun voorbeeldige gedrag.....nou, nee, dat moet een vergissing zijn. Wel had het dier een formidabel overzicht over haar ‘parochi’. Hoog en droog keek zij tevreden om haar heen. Hoog-en-droog? Inderdaad die nok was hoog, en zo hoog dat het water daar wel nimmer zou komen, dus ook droog. Als ik daar vlak onder nou eens ergens een vluchtplekje maak........Eureka!!!!!, zo riep hij, knielde in het gras en sloeg een kruisje. Een rozenkrans gebedje voor zo’n ingeving is toch wel het minste wat hij aan te bieden had. Een toevallig passerende kay-böl  (kadewerker) vroeg zich af wat meneer de pastoor mankeerde dat hij zo maar midden op het kerkpad  zijn knieën boog en een rozenkransgebedje bad. Hij keek nog een paar maal opzij naar de geestelijke vervoering van de ontdekking en schudde onbegrijpelijk zijn hoofd.

 

In zijn wedeme gekomen was het eerste wat hij deed zijn hoofd oprichten. Hij klom via een laddertje op de zolder en bestudeerde de nok met de hanebalken. Op die Hanebalken, zo mijmerde hij, kon ie misschien wel een slaapplekje maken. Een paar plankjes er op, wat stro er over en met het laddertje er naar toegeklauwterd, het leek hem een veilige en toch simpele oplossing. Die nacht hield de schuilplek hem bezig, ja hij droomde er zelfs over. In de vroege morgen toen hij een beetje lag bij te soezelen dreef er een herrinnering uit zijn prille jeugd bij hem naar boven. Toen had hij een keer in een hangmat geslapen en dat had hij heerlijk gevonden. Schommelend in de ruimte aan een paar touwtjes, dat gaf een behaaglijk en rustgevend gevoel. Als hij zoiets nu ook eens in de nok van de wedeme maakte,........ die rust en kalmte zouden hem dan ook zeer zeker van pas....

 

De eerst volgende dagen rijpte het hangmat plan steeds verder af. En na en paar weken begon hij aan de realisatie. Hij had wat soepele lange leren veters opgescharreld en die vlocht hij in elkaar. Zo verkreeg hij vier lange leren riemen. Eén voor elk hoekpunt van de mat. Nu moest hij nog zien dat hij ergens een sterk kleed op de kop tikte. Maar als hij er naar vroeg, zou de wedervraag natuurlijk zijn: ‘Waar wil je het voor gebruiken?’ De herder van Campervenne kon zijn schaapjes toch niet zo maar wat op de mouw spelden. Hij, die iedere bewoner van het t’ Venne alles liet opbiechten, moest zelf toch het goede voorbeeld geven. Maar als hij zelf de waarheid ging ‘opbiechten’ zou hij worden beticht over zijn on-geloofwaardigheid. Hij, de vertegenwoordiger van “DE KERK van Rome” moest daar staan als de overbekende rots. Bij deze gedachte kreeg hij toch klamme handen. Maar het lukte hem om een kleed te vinden ‘ om bij wind voor het open venster te gebruiken.....’.

 

‘s Avonds laat werkte hij aan de vervaardiging van zijn hangmat. Dan kwam er vrijwel nooit iemand meer een bezoekje afleggen. Het was de veiligste tijd van de dag. Op iedere hoek van het kleed een stevige knoop. Daarachter een houten pen en daaromheen knoopte hij de leren riemen. In één avond had hij zijn ‘noodgeval’ klaar. De volgende avond klom hij de ladder op naar de zolder. Daarna trok hij de ladder naar boven en zette hem tegen de hanebalken. Hij knoopte de riemen stevig vast aan de houten schoorverbindingen en ziedaar een prachtig stukje huisvlijt. Hij zou er best deze nacht al in willen slapen. Maar na alle inspanning leek hem zijn eigen kooitje toch beter. Het was toch best een veilig gevoel dat hij ergens naar toe kon wanneer de nood aan de poort kwam knagen.

 

Het was op een middag in Januario dat hij de buurtschap inliep en bij boer Bleukersz naar binnen  ging om te zien of diens wijf wat broodspeize voor hem had. Nog maar nauwelijks op het erf hoorde hij haar vreselijk gillen. Het schelle gekrijs ging hem door merg en been. Hij treuzelde of hij verder zou gaan......Het leek wel of ze aan kant werd gemaakt. Maar de boer had hem al zien aankomen en liep hem tegemoet. ‘Kom er maar in want er wordt hier geen “varken” geslacht hoor’, zo verklaarde deze. Mijn wijf heeft een paar venijnige likdoorns aan haar voet. Eén midden onder de bal en de andere aan de grote teen. Die begonnen vanmiddag zo hevig te steken dat ze het uit gilde. Ze heeft er wat boter op gesmeerd en nu laat ze de geit de likdoorns schoon uit likken en dat doet eventjes verdraaid veel pijn maar als de geit is uitgelikt is de pijn vrijwel over. Het is een oud maar heel probaat middel, maar het duurt  eventjes. Want we krijgen waarschijnlijk storm, zo vervolgde de boer zijn verhaal, zware storm, omdat alle tekenen daarop wijzen. De lucht ziet er vervaarlijk boos uit en die stekende likdoorns wijzen sterk in de richting van een onheilstijding. Vroegtijdig maatregelen nemen is geen overbodige luxe. Ik zou, als ik u was, meneer de pastoor, ook maar uw nodige voorzorgen treffen......  Wegiboldis bloeddruk daalde, daalde net zo snel als de luchtdruk. Sprakeloos leunde hij met zijn arm tegen een linde. .

 

Ik zal u een paar extra broden in de knapzak doen, want het kan wel eens een tijdje duren voordat we elkaar weer ontmoeten, zo vervolgde hij zijn verhaal. ‘U mag hier ook wel een paar dagen blijven want u woont daar nogal eenzaam en alleen’. De trek in een paar lekkere koeken verdween gelijktijdig uit pastoors mond. Het aanhoren van zulk een waarschuwend woord kwam over als een dreigement, een verdovende lel als van een doornstok van de veldwachter zoals hij die als kwajongen ook wel eens had gehad. ‘ Nee, hoor, ik ga wel weer naar mijn weme, die is toch wel veilig, zou ik denken. Als het water te hoog komt verplaats ik mij wel naar de zolder’. Zo braniede hij om zijn angsten te overspoelen. Hij zag hem zelf al in gedachten in de hangmat zweven. Na gegroet te hebben stapte hij licht zwevend over de Leykae. Een sterke zijwind trok en duwde hem in een schuinliggende loophouding. Eenmaal  thuis begon hij zo zijn maatregelen te nemen. Want wat boer Bleukersz zei daar had hij respekt voor. Die kon je echt serieus nemen, die nam geen loopje met “meneer de pastoor” om die er eens lekker tussen te nemen. Alle water gevoelige spullen bracht hij naar de zolder. Verscheidene keren was hij het laddertje al op geweest. En nu nog mijn schapenwollen dekbed naar mijn hangmat en dan was alles geregeld. Hij liet zich zakken op het puntje van de vuurstoof om zijn rug te laten genieten van de stralende warmte. Hij hield zijdelings zijn steelpannetje met melk boven het gloeiende hout en keek met starende ogen naar de Heilige Maagd die daar rustig en bedaard in haar hoekje stond. ‘Wat zou zij van de situatie zeggen?, maar die vertrok geen spier’.  Zou het dan toch nog meevallen? Toen de avond overging in de nacht was de wind al aangewakkerd tot storm. Wegiboldis klapte het boek dicht waarin hij had zitten lezen, sloeg het onder de arm en kroop voorzichtig het laddertje op naar boven. De laatste regels van een  zojuist gelezen gedicht van een van zijn voorgangers bepaalde zijn gedachten;

 

 

Uit gedicht uit 1288.

 

 

“.......................................

 

Dat op de zestiende kalend

 

Van loumaent (7 dec.) God doe sende

 

Ene vloet, also groot

 

Daer vele volx in bleef. “Doot”.

 

 

Het flikkerende vlammetje van het olie-lampje vergezelde hem. Hij hing het even zo hoog mogelijk op zodat hij wat zicht had en trok toen de ladder naar boven. Deze plaatste hij zo tegen de nok zodat hij met één stap in de hangmat kon plaats nemen. Hoewel hij even twijfelde of hij zijn dagelijkse kleding zou aanhouden verruilde hij die toch voor het witte wollen nachtgewaad, dat was aanmerkelijk warmer.  Vervolgens ging hij treedje voor treedje hogerop, nam plaats op een hanebalk en liet zich sierlijk in de hangmat glijden. Nog wat kruipen en wringen met zijn soepele lichaam en vervolgens hing alles precies in evenwicht. Hij strekte zijn arm en doofde het vammetje van de snotneus. Hoewel de wind huilde en stevig aan het dak trok, schommelde de hangmat maar lichtjes. Als een kindje in een schommelstoel dommelde hij naar dromenland.

 

Ver na middernacht werd hij gewekt door de donder van een in de verte  naderend onweer. De wind bulderde en gierde als een alles verslindende woesteling en rukte en trok uit alle macht aan het dak van de wedeme. Zijn hangmat slingerde als een huppelpaard. Alle sporen van het dak kraakten en kreunden onder het natuurgeweld. Er werd van alle zijden aan  getrokken. Instictief werkte hij zich op zijn achterzijde. Zittend luisterde hij naar een mengelmoes van geluiden die op hem afkwamen. Hij probeerde ze te ontleden; hoorde hij niet het klotsen van het water tegen de wanden van zijn kotje, hoorde hij niet het gillende wijf van de buurman, of was het de maagd Maria..........of......Een enorme bliksemschicht haalde hem uit zijn mijmering, kortstondig gevolgd door een machtige klap en de echo van de rollende donder. Een brullende windvlaag rukte een gigantische gat in het dak juist boven zijn hoofd  zodat hij volledig bedolf onder een laag stroo en stof. Proestend, blazend en puffend, slaande met handen en voeten probeerde hij zich ervan te ontdoen. Een twede rukwind maakte een einde aan het korte bestaan van zijn hangmat. Een koord, verbonden aan de hanebalk begaf het en pastor Wegiboldis duikelde naar beneden en plofte op de zolder, maar ook deze was niet meer in staat hem te dragen. Hoewel hij vurig tegenstribbelde verdween hij even later tussen twee zolder liggers door en plonsde in het twee el hoog staande water op de vloer van de wedeme. Vechtend tegen de elementen probeerde hij zich overeind te werken. Wadend door het zilte water ging hij naar de hoek waar het beeld van de maagd moest staan. Maar helaas ook zij was een prooi van van het natuurgeweld en dobberde op de baren. En toch moet ik het hogerop zoeken, zo waren zijn gedachten. Naar de zolder, maar waar is het laddertje, och heden, op de zolder natuurlijk. Via het schot van zijn slaapstulpje, waar hij eerst opklom en vervolgens tegen een stijl, bereikte hij de zolder weer. Moe gestreden strekte hij zich een moment languit, bibberend van kou en angst liet hij even alles over zich heen gaan. Menig schietgebedje rammelde hij uit zijn mond. Toen brak langzaam de dageraad aan en de wind luwde af. Voorzichtig keek hij eens om zich heen. ‘Wat een ruïne, ‘al mijn spulletjes drijven op de kleine Sudersee’ in mijn pijnlijk gehavende wedeme’. Daar zat hij nu. Eerst maar eens zien of ik wat droogs kan vinden als dat er nog is tenminste. Hij werkte wat los stro opzij en enigzins verbaasd vond hij de mouw van de pij. Het monnikskleed werd opgediept om het vervolgens te ontdoen van alle stof en vuiligheid. Enigzins temide omzich heen kijkend verpopte hij zich in Adams kledij daarna wrong hij zich in de stoffige pij. Heerlijk, wat aangenaam warm. Nu voelde hij zich weer een beetje heer. Toch maar goed dat buurman hem gewaarschuwd had. De rust bracht ook een knagende maag aan het licht. Waar had hij de knapzak ook al weer neergelegd? Een hapje, daar had hij wel trek in. Na enig graaien vond hij ook wat brood en knabbelde als een muisje het gemalen graan naar binnen. Al kauwende overdacht hij: Zouden zijn voorgangers dat ook allemaal hebben meegemaakt? Zou het een beproeving zijn? Hoe dikwijls moet ik dit nu nog weer meemaken? Hoort dit eigenlijk wel bij het priesterschap?

 

Zijn roeping werd zwaar beproefd.

 

In de loop van de middag zakte het water en kwam de vloer van zijn wedeme weer droog te staan en toen liet hij zich al gauw naar beneden zakken. Om zijn zinnen bezig te houden begon hij al gauw met het puinruimen. En na enkele dagen was het grootste leed al weer geleden. Toen verschenen ook de eerste parochianen weer in het geschonden kerkje. Daar werden de gebeurtenissen van de stormvloed uitgewiseld. En daaruit bleek overduidelijk dat het bij het leven op Campervenne behoorde. Vele smeuïge verhalen uit het verleden werden vergeleken met de huidige. Toen en toen, weet je nog wel!........De belevenissen en beproevingen uit de vorige geslachten, die hun voorouders toen moesten doormaken, waren zoals gewoonlijk, vele en vele malen erger.