Kamperveen

 Pastoor of Dominee.

 

 

Voor de rooms-katholieken brak er na 1581 in deze contreien een kritieke periode aan. Er gold vanaf die datum immers een verbod tot publieke uitoefening van hun ( R.K) godsdienst. De nog resterende geestelijken, zoals Priesters of Pastores stonden vanaf die datum eigenlijk buitenspel. De gematigde buitengebieden, waaronder Campervenne, die zich vrijwel nooit in een voortrekkers rol begaven, waren plotsklaps herderloos en schapen zonder herder dolen doelloos rond en vielen maar al te vaak ten prooi van ‘havicken’. Evenwel kwamen de Staten van Overijssel nogal eens ter ore dat er ten plattelande geregeld illegale (roomsachtige) diensten werden gehouden en algehele controle daarop was moeilijk uitvoerbaar. Ze zagen dit als een groot probleem en weldra gaven ze toen een algemene verordening uit die specifiek gold voor de kleinere parochies in de buitengebieden. Deze  luidde: ‘Men diende te bevorderen dat slechts die kerckendienaars dienst te laten doen die den Christelijke gereformeerde religie waren toegedaan. Hermanus Vos werd in 1582 van hogerhand naar Campervenne gestuurd. Hij was de eerste protestantse predikant. Vele jaren had hij reeds studie gemaakt van de alsmaar verder oprukkende kwestie van de ‘reformatie’. Hij was een vooruitstrevend pastor die diepgaande studie maakte van de stellingen van Luther en Calvijn. Ook hij was uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat de gereformeerde verkondiging een onomkeerbaar proces zou gaan worden. Daarom had hij zich ter verdere lering laten omscholen door beroemde godsdienstkundigen en Bijbel kenners. Hij had al gauw de gave verworven om de Latijnse Bijbelteksten te vertalen in het ‘Campervenne,s spraakgebruik’. Ook in zijn prediking verklaarde hij aan de gelovigen op eenvoudige en begrijpelijke taal het evangelie der schriften. Dat verschafte hem veel aanzien en aanhang. Hij werd dan ook de ‘Biebleman’ van Campervenne genoemd. Van eind en ver kwam men naar het Godshuis om Hermanus Bijbelverklaringen te horen. Hij bracht de Bijbel onder de mensen. Geloofsvragen van gemeenteleden verklaarde hij aan de hand van Bijbelteksten in simpele bewoordingen. Velen gingen aan de hand hiervan de ogen open en waagden de stap naar de hervorming. Het Bijbel probleem was echter niet gering. Alles moest vanuit het Latijn vertaald worden in het Hollands en daarvoor waren maar weinig mensen te vinden. Ook het drukken stond nog op een bijzonder laag pitje. Terwijl velen de leeskunst niet machtig waren.

 

Een examen afgenomen door de reeds gevormde synode gaf Ds. Vos het recht om Christelijke religie te prediken. Intussen een fervente aanhanger van de stellingen van Luther en Calvijn legde hij een stevige basis van het protestantisme op Campervenne. Vijf jaar diende hij de gemeente en vertrok vervolgens naar Wilsum om daar de reformatie op te bouwen.

 

 

Tijdens en na de reformatie waren vele pastoors en priesters werkloos en om den brode  werden ze dan getransformeerd tot reformatorisch dominee. Maar daarvoor moesten ze wel een examen van bekwaamheid afleggen.

 

Daarnaast kende men ook zogenaamde ‘mispapen’, dat waren pastoors of priesters die na de reformatie maar moeilijk een keuze konden maken welke zijde zij moesten kiezen. Dat was ook niet altijd even gemakkelijk. Ze werden zomaar voor een voldongen feit geplaatst, zonder enige onderbouwing en uiteindelijk moesten ze hun standpunt helder en duidelijk bepalen. Velen pasten zich enigszins aan. Zo trachtte men het probleem het hoofd te kunnen bieden aan de nieuw ontstane situatie. Ze predikten de half roomse- half ge-reformeerde leer. Een soort overgang predikatie zou men het kunnen noemen. Zo probeerde men ook de bewoners van Campervenne geleidelijk te laten wennen aan de ommezwaai. Om wille van de brode namen vele een afwachtende houding aan. Maar daarvan was men lang niet altijd gediend. Door hun tweezijdige predikatie was hun verkondiging vlees noch vis.

 

Tegenover ‘mispapen’ van het platteland nam men een wat soepeler houding aan. Vanaf 1596 konden ze kiezen: of ze gingen over naar de Gereformeerde leer, of men diende zich als geestelijke terug te trekken. Wat zoveel betekende dat ze terugkeerden naar de burgerlijke staat. Dat was voor velen toch een te grote stap en een zeer moeilijke keuze. Hun werd van hogerhand verzocht om op ‘gepaste manier te trouwen en zich om te scholen tot gereformeerd voorganger’. Daarna werd dan een klein examen afgenomen. Toch wel een ingrijpende gebeurtenis. Vele Paapse geestelijken trouwden met hun huishoudelijke hulp maar de parochie van Campervenne was klein en het honorarium van een priester was van dien aard dat de luxe van een dienstmeid er niet afkon. En dat gold voor veel meer kleinere buitenparochie’s. Zo zag men vele geestelijken destijds de boer op scharrelen op zoek naar een trouwlustige dochter. De jeugdigen onder hen lukte dat wel aardig maar de wat stijvere en oudere, die de kunst van het veroveren verleerd waren, kregen niet zelden te maken met onoverkomelijke problemen. Wanneer ze destijds de gemeente in gingen voor pastoraal werk stond menig huwbare dochter achter een schutting te gluren of meneer pastoor ook het erf opkwam of dat hij zijn weg vervolgde. Ook de nog sporadisch in gebruik zijnde biechtstoel in de kerk trok veel vrouwelijk schoon waar meneer pastoor dan geconfronteerd werd met veelal verzonnen ontrouw aan de kerkelijke tucht en die moest worden weggepoetst.....

 

 Campervenne  kreeg ook te maken met een z.g.‘mispaap’. Andreas Caffenborch. De opvolger van Hermanus Vos, de eerste protestantse predikant.

 

Caffenborch kwam in 1595 naar Campervenne. Juist geslaagd voor zijn examen mocht deze vrijgezel naar Campervenne. Deze ‘pastores’ bleek, in de ogen van vele Campervenners een zogenaamde ‘mispaap’ te zijn. Hij koerste in zijn leer geleidelijk weer richting Rome....... Zijn vrolijke en positieve levenshouding lokte nogal wat Campervenner schonen onder zijn toehoorders. Maar vele dochters kregen van hun ouders een pittige reprimande wanneer ze naar hun voorganger lonkten.

 

Zijn preken werden  vergeleken met die van zijn voorganger, dominee Vos. Vooraanstaande kerkelijke ‘Veenluu” hadden moeite met zijn leer, maar Caffenborch had nu eenmaal niet die Bijbelkennis  als zijn voorganger. Er ontstond gemor onder het kerkvolk. Op veler verzoek  stelde het kerkbestuur de Provinciale Synode er van in kennis. Deze stelden een onderzoek in en kwamen tot de eensluidende conclusie. Andreas Caffenborch was een jonge pastoor die wel meeging met de reformatie maar er eigenlijk niet te veel moeite voor wilde doen. Hij speelde met de gedachte: ‘Een beetje bijscholing door een andere Calvinist en dan vervolgens verder gaan als dominee. ‘Op Campervenne, een simpel en nog steeds laag ontwikkeld gebied daar moet dat toch lukken’. Maar hij had de pech dat zijn voorganger, Ds. Vos, de bewoners al op een degelijk reformatie spoor had gezet. En zijn plannetje ging mooi niet door. De Synode stak er een stokje voor. Hij moest zich van reformatorische diensten onthouden. Om daar toch voor in aanmerking te komen diende hij zich te laten bijscholen en onderwijzen door bekwame, reeds geslaagde geëxamineerden. Hij beloofde dat hij zich aan zijn nieuwe roeping als predikant zou onderwerpen en de leer der reformatie aan te nemen. Na een jaar doet hij examen voor de Synode. Hij krijgt te horen: ‘dat hij onwaardig is bevonden om kerckendiensten te leiden’. Een bittere teleurstelling voor hem. Als zoethoudertje krijgt hij te verstaan dat hij wel geschikt geacht werd om schoolkinderen te onderrichten. En zo werd hij dan maar schoolmeester van Campervenne.

 

Maar niet alle bewoners van Campervenne waren het hiermee eens. Ook hier vertoonde zich tweespalt en er braken roerige tijden aan

 

 

Dat merkten vooral de kerkmeesters (kerkvoogden). Kerkmeesters werden benoemd door de inwoners van Campervenne Het waren vrijwel altijd hoog in aanzien zijnde personen of gegoede boeren die deze functie periodiek kregen.

 

Deze moesten hun verantwoording jaarlijks afleggen voor de te innen kerkelijke penningen. Maar omdat er grote verdeeldheid heerste onder de gelovigen hielden velen de duim op de knip, als er tenminste wat in zat. Wel kregen deze bestuurders allerlei beschuldigingen en kritische noten naar hun hoofd geslingerd. Enkele die het met de zienswijze van de ware verkondiging eens waren gaven met enige schroom een zuur verdiend geldstukje maar bij velen vingen zij bot. Niet zelden liep men met de inning drie jaar achter. Kerkmeester zijn was dan ook geen benijdenswaardige functie meer. Ze werden bij het passeren dikwijls met de nek aangekeken. Vele benoemden bedankten dan ook voor de eer.

 

Op 21 januarij moesten de kerkmeesters, Willem Wolters en Andriesz Egbertsz, rekenschap afleggen over de penningen voor kerk en pastorie. Ze hadden er kennelijk met de pet naar gegooid. De financiële baten en lasten over enkele jaren terug vertoonden een kas tekort van 104 carolus guldens.  Het kasboek was zoek geraakt en het overlegde vodje papier toonde slechts enkele inkomens en uitgaven.  De dijkgrave besloot na ruggespraak met zijn superieuren dat zij gezamenlijk het tekort uit eigen zak moesten bijpassen want het geld moes op tafel komen.

 

Maar het zat kerkelijk Campervenne niet mee. Men leefde in de 80jarige oorlog en dat eiste ook nogal wat offers omdat grote troepenmachten nogal een bivakkeerden in de polder.Uit een schrijven van de eerwaarde heer Hermanus Vos, de eerste protestantse predikant, bleek dat hij nog een fikse vordering had op Campervenne. Die penningen moesten op tafel komen.  En het duurde ongeveer tien jaar voor die was afgelost.

 

 

 De totaal uitgegeven penningen werden verdeeld over het aantal ‘morgens’ land en zo kwam men achteraf tot de lasten die de boeren moesten opbrengen.

 

Het gevolg was dat er tijdens de reformatie periode weinig of geen geld binnen kwam.

 

De meeste erfgenamen eisten een goed gereformeerde predikant

 

Op 1 novembris(november) 1602. besloten de erfgenamen van Campervenne dat  er voor de ingezeten een ‘goeden’ predikant zal worden gezocht.

 

In 1603 werd Henricus Grevenstein als predikant van Kamperveen benoemd. (Zie kaart.)

 

 

“Wij Rodolff van Twickeloe, indertijd scout over Campervenne en de erfgenamen van dat kerspel, doen per oorkonde u bekennen dat wij na voorgaand examen van de classis der stad Campen de eerzame en welgeleerde D. Henricus Grevenstein tot een wettelijk dienaar des Heiligen Evangelie op Campervenne verkozen en aangenomen hebben. Zoals na orde en oude gewoonte van ons kerspel land recht en gerechtelijk gebruikelijk is. Deze oorkonde heb ik als schout, als mede de erfgenamen van Campervenne, met mijn zegel bekrachtigd en met mijn hand ondertekend. 21 julij anno 1603”.

 

9 decembris anno 1603 is boven vermelde predikant voorgeschreven door de scouts Roeloff Lambertsz en Engbertz Claesz. Burgemeester van Campen, Reinier Gansneb genoemd Tengnagel en meester Willem Jacobsz ouderlingen en de beide kerkmeesters van Campervenne, onder toezicht van de predikanten van Campen, beëdigd. Onder voorwaarde dat hij aan Campervenne en Campervenne aan hem er drie jaar zal blijven wonen  en vast verbonden blijven.

 

Maar kerkmeester zijn van Campervenne bleef een onaantrekkelijk baantje. Met heel veel tegenzin namen ze hun benoeming aan. De te innen penningen van de huysluyden verliep nog lang niet met liefde gaven.

 

Vele jaren later, in 1642,  werd door de erfgenamen herkozen Claes Arentsz. Hij aanvaarde deze functie beslist alleen onder die voorwaarde dat het slechts voor 1 jaar was. Maar naar het verstrijken van dat jaar was niemand bereid zijn taak over te nemen. Het daarop volgende jaar evenmin. In 1647 was hij periodiek aftredend en hij stelde zich onder geen enkele voorwaarde weer beschikbaar. Maar er was geen opvolger te vinden. Hij ontstak in grote woede en smeet zijn buidel verzamelde penningen op tafel, draaide zich om en verdween richting zijn woonstee. Toen men van de consternatie bekomen was opende men de beurs en na controle bleek dat er enorme tekorten waren. De Pander (veelal ook klusjesman) werd er op afgestuurd. En enkele stonden later was hij weer present op de vergadering. Daar werd hem te verstaan gegeven dat wanneer hij de functie opnieuw weigerde dat hij de schulden uit eigen zak moest aanvullen. Eerst hield hij het been stijf en met een koppige gelaatsuitdrukking bleef hij bij zijn besluit. Slechts na dreigende taal en veel overredingskracht koos hij eieren voor zijn geld. Maar wel onder de voorwaarde dat de Pander hem vergezelde bij het innen. Ook toenmalig predikant Gisius beloofde hem dat hij op zijn hulp kon rekenen. Een erebaantje of toch…..

 

 

Uit bovenstaande aantekeningen blijkt duidelijk dat het Kerspel Campervenne in die tijd bijzonder weinig zelfstandigheid kende en geheel door Campen wordt bestuurd.