Kamperveen

Het optrekkingsrecht in de Wildernis.

 

 

 

De periode dat Campen in een wat meer geordende samenleving terecht kwam stond het gebied wat even ten Zuiden er van lag bekend als raadselachtig, bar woest en onherbergzaam. Voor bijgelovigen wat mysterieus. Het vrijwel onbegaanbare landschap werd door vrijwel geen enkeling met een bezoek vereerd. Niemand maakte er enige aanspraak op of deed haar rechten daarop gelden. Eigenlijk was het niemandsland wat tussen de Veluwse bargen en de Ysala lag. In die tijdsperiode  lag Kampen ook aan de Oostelijke zijde van deze rivier omdat een hoofdader zo ongeveer vanaf Sallick via de Coule luchte, langs de huidige Venedijk en tussen Swartendijk en Roscam (de Enck) doorliep richting Suydersee. Op alles wat tussen deze rivierarm en de Veluwe lag maakte vrijwel niemand enige aanspraak. Men zag het een beetje als een natuurlijke buffer tussen de graven van Gelre en de bisschoppen van Utrecht. Onbegeerlijk voor menselijke inmenging. Door natuurlijke invloeden hadden zich hier en daar zandduinen opgeworpen (z.g. bargen) met daartussen spaarzaam te vinden  plekjes waarop enige lage begroeiing groeide. Water, bomen, struweel en moeras vormde het decor. Maar denk niet aan een weide gebied zoals wij het thans kennen. Toen de eerste bewoners zich op enkele van deze bargen vestigden en vandaar uit begonnen te pionieren ontstonden er na jaren noeste arbeid “leefbare” samenlevingsvormen. Vooral op de Grote en Kleine Heuvels, in het binnenland, koloniseerden deze bewoners. Daar ontstonden in de loop der jaren vele kotjes (boerderijtjes) dicht opeen. De eerste buurtschappen. Naderhand toen de Leykade (Leidijk) werd aangelegd werden ook daar steeds meer huisjes gebouwd, voorzien van een stalletje. Want dier en mens leefden onder één dak. Het gevolg was dat na verloop van jaren de beschikbare natuurlijke hoogten vol werden gebouwd en er geen ruimte meer was voor verdere uitbreiding, tenzij men lagere gebieden als bouwstee verkoos. Maar men kende maar al te goed de grillige kuren der natuur en de gevolgen daarvan. Familiegroepen van de uiteraard grote gezinnen werden gedwongen elders een onderkomen te zoeken. Maar boven alles verkoos men toch een stekje zo dicht mogelijk in de eigen buurt. Hulp en bijstand waren in die eeuwen onontbeerlijk voor de toen gebruikelijke samenlevingsvormen.

 

Zoals hiervoor vermeld had niemand van de in de nabije omgeving wonende edelen enige belangstelling voor dit stukje oerbos. De bisschop en zijn onderleenheren hadden niet de minste interesse, evenals de Gelderse graven. De eerste pioniers hadden hun voorrechten verworven en ze hoefden niets en niemand wat te betalen. En zolang er niks te vingeren viel was er geen bemoeienis. Ook het bouwen van een optrekje was niet gebonden aan enige vergunning of commissionair toezicht. De Bisschop had toestemming verleend om het gebied ten Zuiden van Kampen te laten bewonen en deze pioniers hadden ook het optrekkingsrecht van hun onderkomens daarmee verworven. Maar tot hoever reikte hun gebied? Waren er wel grenzen? En zo ja waar lagen die? Afgepaalde percelen kende men evenmin. Ook was er niemand die er toezicht op hield. Wel hadden de Friese pioniers hun onbeschreven regels van de samenleving meegebracht en daar diende ieder zich aan te onthouden. De oudste stamhouders gaven deze door aan kinderen en kleinkinderen en hielden een oogje in het zeil op de naleving er van. Op ontgonnen landbouwgronden die door een gezin of familie beheerd en bewerkt werd kon men geen aanspraak maken. En al zat er nog zo’n mooie hoogte in van vaste ondergrond, daarop mocht niet gebouwd worden. Mits………..men een onderkomen in één nacht bouwde en dat er ‘s morgens voor de eerste zonnestralen op het bouwsel schenen er rook uit de schoorsteen (gat in dak) kwam……..Ja, dan………