Kamperveen

 

 Oorlog tussen de Geldersen en het Oversticht.

 

 

Anno 1510 en 1527.

 

 

In de periode van 1510  tot 1527 heersten er een oorlogszuchtig handelen tussen  De Geldersen en de Overijsselaren. Zulke lokale knokpartijen vonden hun oorsprong in het plunderen en roven van elkaars goederen. Deze strooptochten kwamen veelvuldig voor en het ging vrijwel altijd om het inpikken van alles wat maar enige waarde had. Vee was een geliefd product. Annexeren of bezetten van landerijen kwam minder vaak voor. Maar zoals zo vaak in de geschiedenis loopt zo’n akkevietje wel eens uit de hand en wordt dan gevolgd door een afrekening of het betaald zetten van het wanordelijke gedrag. Als  zoete wraak volgde niet zelden een grondige verwoesting van waardevolle strategische punten en het  gekift vrat verder als een etterende zweer in  een verwond lichaam.

 

Uitvalsplaatsen der Geldersen waren  in die dagen  Zutphen en Elburg.

 

Voor Campervenne, wat  zo ongeveer als springplank diende voor de  uitvalsbasis  Elburg,  verliep het niet zelden desastreus. De troepen vertrokken dan vanuit Elburg en Campervenne lag onbeschermd tegen de Gelderse grens en was dan als eerste aan de beurt. De voorheen gegraven Gelderse gracht gaf vanuit het Zuid-Westen een onneembare barricade. Zolang er op Campervenne iets van hun gading te vinden was bleven hun uitvallen tot hier beperkt. Maar rondom Campen lagen de stadsweiden en daar liep veel vee te grazen. Hun begerige ogen keken vaak niet zelden in die richting. Maar Campen paste goed op haar bezittingen en daar waren ze dan ook niet welkom. Er waren altijd wel stoere mannen die zo’n uitdaging niet konden weerstaan. De strategie was de verrassing. Veelal verliep hun route dan over Campervenne. De Enck was een natuurlijke barrière. Strategisch was het een kwetsbaar punt waar dikwijls een doortocht stagneerde. Toen  echter een Kae (kade)  werd aangelegd tussen de Roskam en de Zwartendijk veranderde de situatie drastisch. Dat gaf meer mogelijkheden.  Maar een stad als Campen liet niet maar zo met zich sollen. Oorlogje spelen met die steurenvangers  was bij lange na geen indianengevecht. Die stadsluden lieten zich niet zomaar voor joker zetten. Daar stuiten ze maar al te vaak op zeer onaangename tegenstand. Maar een enkele keer lukte het hen om op een listige manier grote kudden vee, welke vrijelijk rondom de stad weiden, weg te stropen en dan vertrokken ze met een vette buit. Maar werd het een mislukte kleun dan was Campervenne bij de terugtocht de sigaar.

 

 

Op 10 maart 1510 mobiliseerde de graaf van Gelre  200 landsknechten met als uitvalsbasis Elburg. Ruimschoots voorzien van  het benodigde oorlogstuig vertrokken ze rond middernacht richting de stad Campen. In hun kielzog een aantal lege voertuigen getrokken door paarden waarop de geroofde goederen mee afgevoerd  konden worden. Maar zelfs een geordende en getrainde groep veerovers  moest opgewarmd worden voor de aanval. Zodra ze de stad Elburg hadden verlaten kwamen de instructies en begonnen  de cavaleristen die de grootste mond hadden, met de ophitserij van hun onderdanen. Maar zodra de grens met het Oversticht werd bereikt, dat was dan Campervenne, dan werd alles hoorbaar stiller en speelde men het spel der verrassing. Deze keer echter was men in opperste stemming omdat men de in goeden staat verkerende Enckdijk vrij kon oversteken en voordat de stadsverdediging maatregelen kon treffen zouden zij allang weer op hun thuisbasis  terug zijn gekeerd. De vurigste strijdkreten en aanvalsleuzen schalden boven het hoefgetrappel uit over de weidse vlakten van het Venne.

 

Haenske de  Klepelaer, zo was zijn bijnaam, omdat hij koster van de parochie was, was door de pastoor uit zijn warme slaapsponde geroepen omdat een geit moeilijkheden had met lammeren. Een korte tijd later, het moet volgens Haenske na middernacht zijn, kuierde hij in het maanschijnsel richting de Wedeme (pastorie) om de pastoor de helpende hand te bieden. Omdat hij even tevoren nog vertoefde in de diepst denkbare slaapfase, duurde het even voordat zijn sloffende voeten buiten de deur verschenen. Slaapdronken  en sluimerend klonk het getrompetter der naderende troepen als van enkele wonderbare dromen in  zijn oren maar het geluid kwam niet verder dan zijn slakkenhuis in zijn gehoororgaan. Toen hij echter rondom de Wedeme liep, drong de werkelijkheid tot hem door en onderkende hij een gewaarwording. Hij opende de deur met een heftige ruk en schreeuwde  met een bulderende stem tegen meneer pastoor: ‘De veestropers zijn in aantocht, ‘vlu.....,v.l.u..u.u.chten! ’. Meneer pastoor, een door en doorgoede herder voor zijn schaapjes, stoof de geitenstalling uit, greep zijn witte pijgewaad en vluchtte, zwevend over de golvende mosgronden, het ruimtelijke van de polderlanden in. Hij bekommerde zich verder totaal niet om de hoede van zijn tweebenige vee.....als hij maar...... Schimachtig als ene spookverschijning doorkliefde hij het maanschijnsel om verder te versmelten met de nachtte. Achter een afgeknapte stomp van een vermolmde knotwilg zeeg hij ter aarde, was hij er op gaan zitten dan was hij de grootste kerkuil van Campervenne geweest.

 

Haenske, totaal in paniek, was zichzelf niet meer. Hij rende als een ‘haese’ (haas) richting Dompetoren en impulsief begon hij uit alle macht de clocke te luden. Instinctief deed hij dat in een ander ritme. In normale situaties node de galm de mensen uit ter kerke. Maar deze  moerasachtigeklank verspreide een dringende waarschuwing met ruimtelijk effect. Bij overstromingen en watervloeden seinde hij ook een boodschap maar dat was toch weer een ander melodietje. Zo goed en zo kwaad als het ging luidde hij  de melancholieke melodie:

 

‘Red oen lief-- as ut is ---oe liev’. 

 

Driy keer luden, driy telle wachten, also were driye kere......, effies rust en dan twey kere, trekken.        

 

Iedere bewoner van Campervenne  kende deze boodschap.

 

 

Zolang er conflicten en familie vetes bestaan tussen volksstammen bevonden zich onder hen ook klikspaanders.  Dat waren zij die voor een royale duit bereid waren geheime informatie aan de tegen partij door te spelen. Ook Campen had zo haar spionnen. Midden op Campervenne woonde Ieze de Konte. Zijn katerstede lag wat achteraf, enigszins afgelegen. Vanaf de Hogeweg een behoorlijk eind landinwaarts, ongeveer halfweg de Leikae, geheel omsloten door bebossing. Hij beleende deze thienden (huurde het) van een vooraanstaand Camper magistraat. Deze thienden behoefde hij niet te voldoen, maar daarvoor moest hij spionage werk verrichten voor de stad en bij naderend onraad moest er tijdig een waarschuwing richting Campen worden verstuurd. Overdag  waren er geheime seinen maar, s’nachts in het duister moest er wel eens worden geïmproviseerd en werd er uitermate voorzichtig te werk gegaan. Dit alles stond op een perkamenten rol beschreven. Verzegeld met een groot lakzegel en onvindbaar verstopt in zijn echtelijke sponde.

 

Die nacht zat Geute , Ieze zijn huiswijf, met één ruk op haar gat in de bedsponde. “Wat hoort mijn oor daar voor een eigenaardig geluid?”  “Is dat niet..........het...... beieren van onze Dompeklocke?”   En  klonken er ook geen angstkreten door in de dragende galmgolven? Eigenlijk was zij veel attenter dan haar aangestelde kerel. Voelde zij het niet dikwijls ver vooraf aan haar blaas als er onraad dreigde? Ze gaf Ieze met haar elleboog een por in zijn ribbenkast en vertelde wat zij gehoord had. De signalen waren duidelijk hoorbaar. De veestropers waren in aantocht. Daar was geen twijfel mogelijk. In een mum van tijd  gleed hij de bedstee uit, Geute hielp hem binnen de kortste tijd in zijn camouflage jas en duwde hem naar de stal  waar hun hit Kockie stond. Enkele momenten later galoppeerde hij richting ‘De  Roskam’. Na een kort stukje Hogeweg sloeg hij echter rechts af. Gezien de herrie die hij had gehoord was het aantal Geldersen niet gering. Hij moest dus zo snel mogelijk contact proberen te krijgen met de  stadswachter van de uitkijktoren ‘De Couborg’ aan de overzijde van de Enck . Die wachtpost van Campen, stond tussen het Wilgenwegje en de Veendijk. Op de grens van Campervenne. De ervaringen uit het verleden in aanmerking nemende  was het geen overbodige luxe om een duidelijke waarschuwing te laten horen. Hij moest proberen deze post zo kort mogelijk te benaderen. Maar hij diende terdege rekening te houden dat geen andere Campervenner hem opmerkte.  Want niemand wist en mocht weten dat hij spioneerde. Werd dat een publieksgeheim dan hoorde hij de Dompe klok nimmer meer luiden.

 

Via smalle kades, simpele dijkjes, over dammen en brugjes  rende zijn hit naar de plek die even Oostelijk van de Oenerbargen lag. Van daaruit zou hij seinen, want het uitzicht was daar goed. Maar in de buurt van het Hondegat had een boer een (slag)boom over zijn dam geplaatst. Zijn hit, die in galop naderde, schrok geweldig en nam een enorme luchtsprong. Ieze, die hierop niet verdacht was,  werd gelanceerd en zweefde als een prooiende nachtuil door het luchtruim. Met een gracieuze duik plonsde hij in een zijarm van de Enck. Toen hij zich beblubberd realiseerde wat er allemaal gebeurd was kwam zijn hoofd weer boven het kroos.  Zwaar bemodderd  kroop hij de wal op. “Wat ben ik aan het doen  en waar ben ik eigelijk?”  visioende en golfde het door zijn suffige brein. Langzaam ordende hij zijn gedachten. Ha, ha, daar stond zijn trouwe  Kockie op hem te wachten en nu was alles weer duidelijk. Samen liepen ze naar een Twijgensleet (afrastering). Daar klauterde hij op. Kreunend en met een van pijn verbeten gezicht werkte hij zich weer op de rug van ‘Kockie’. Drijfnat en stijf zat hij in het zadel. Gelukkig had hij zijn seinworst aan het paardetuigje bevestigd zodat die nog intact was. En nu snel naar de afgesproken plaats.

 

 

De dienstdoende wachter op de uitkijktoren van de Koeborg was het niet onopgemerkt gebleven dat het ginds in de verte geen vis was geweest die daar in het water spartelde. Hij spiede met valke-ogen de duisternis af van het Venne. “Als mijn ogen mij niet bedriegen zie ik daar een paarde schim in het spookachtige maanlicht van het Venne”.  Even later......”Met een beetje fantasie ontrafel ik het silhouet van een ruiter te paard”.  Hij wachtte en wachtte maar alles bleef rustig en bewegingloos. De maan zou hem wel weer een poets gebakken hebben.  Zijn aandacht verslapte en zijn gedachten begonnen aan een zwerftocht door de eenzame weiden van Campervenne. Feeërieke maanlandschappen konden betoverende indrukken op het netvlies achter laten.......

 

 

Ieze sprong van zijn paardje  en knoopte  de  kleine seinworst los. Dat was een vlasachtige ronde ring gedrenkt in pek. Och, lieve help mijn vuurstokken zijn helemaal nat geworden. Hoe moet dat nou? Hij pakte ze stuk voor stuk, maar waar moest ik ze aan afdrogen? Alles zijn kleren waren kleddernat.. Dan maar aan de hit, maar ook deze was zwaar bezweet van de snelle tocht en voelde overal klam aan. Wat nu?  Instinctief pakte hij een beetje speels zijn koperen tabaksdoos en nam een tabakspruimpje, want hij was door en door koud en bar rillerig. Hè, daar knapte hij  toch wel even van op, heerlijk zo’n pruimpje. Maar wacht eens, die tabak was kurkdroog. Als hij de vuurstokken daar eens goed mee droog wreef misschien lukte het dan toch nog. IJverig begon hij ze droog te wrijven, Nou nog eens  proberen, helaas het lukte hem weer niet en ook de daarop volgende weigerde dienst. Uiteindelijk had hij  er nog maar één en wat moest hij dan? Moedeloos begon hij tegen de hit, zijn Kockie, te babbelen. Weet jij misschien een oplossing? Deze schudde heftig zijn hoofd. “Dus ook niet”! Vervolgens wreef ze met de neuspunt haar schoft alsof ze daar jeuk had.  ‘Wacht  eens, onder het kleine zadeltje zat een geheim zakje, daarin zat een doosje met zwavelstokjes,  weliswaar hele kleintjes. Eigenlijk waren het alleen maar kopjes met een kort stukje hout, die dienden ter camouflage, want eronder zat een verborgen zakje voor het vervoeren van geheime documenten. Als die het nou eens deden. Ze waren echter nog nooit eerder gebruikt. Het was zijn laatste kans. En enkele momenten later....na een kort flitsend strijkje zag Ieze een piepklein vlammetje. Zijn beide handpalmen er hol omheen tegen een mogelijk zuchtje wind. Gauw de laatste zwavelstok er boven houden  en  spetterend en sissend begon deze te branden. Nu de worst ontsteken en ja hoor deze vatte ook vlam en brandde. Nu  warm laten worden zodat het teer begon te smelten en er druipende vlammetjes afvielen en dan seinen.

 

‘Eén rondje rechtsom en één linksom betekende gevaar’. ‘Drie rondjes rechts- en daarna drie rondjes linksom betekende troepen in aantocht’ fluisterde hij tot zichzelf. Ieze verzond zijn  geheime seintekens en wachtte. Maar hij zag geen antwoord.  Zou die kerel nu slapen, potjandorie? Nog maar eens geprobeerd, maar Ieze werd steeds kouder in zijn natte plunje en zijn lichaam verstijfde langzaam. Nog een laatste poging en dan.......

 

 

Maar de torenwachter telde: ‘Drie keer rechts en vervolgens....... één maal.......twee.......drie keer links’ Dat!, wat?, dat betekende een stormaanval. Zijn gezicht verbleekte als die der maan achter een sluierwolk. Ogenblikkelijk ontstak hij een sterke seinluchter en bevestigde die in een korf welke alleen aan de Camper kant open was. Daarna hees hij die zo hoog mogelijk in de mast. Campen was alert en sloeg groot alarm. Alle beschikbare manschappen werden in een mum van tijd gemobiliseerd en trokken ten strijde......Maar de wacht op de toren vergat in al zijn verwarring een retour seintje naar Ieze als teken dat hij het begrepen had.

 

 

Ieze kroop met zijn laatste restje krachten die nog tot zijn beschikking waren op zijn hit Kockie en mompelde: ‘Breng jij mij maar zo snel mogelijk naar huis, trouwe makker’ en klopte hem op de schoft. Kockie kende de natuur zoals elk huisdier en wandelde linea recta terug. Bijna hadden ze de Hogeweg bereikt toen Ieze, door de kou bevangen, een appelflauwte kreeg en het bewustzijn verloor.  Hij gleed langzaam van de rug van het paardje en kwakte op de grond. Kockie  draaide zich om en ging met gebogen hoofd boven zijn baas staan zoals een paard dat beaamde en wachtte.......en wachtte als en trouwe hond.

 

 

De commandeur van de Gelderse troepen hoorde de torenklok van de Dompetoren luiden.  ‘Verraad!’  brieste hij.  Zijn bloed raakte aan de kook en slierten speeksel versierden zijn snor en baardharen. Een alles verwoestende geest werd vaardig over hem. Een teken dat zij voortijdig waren opgemerkt door het luidruchtige kabaal van zijn troepen.. Die koster zouden ze wel even kielhalen en bovendien was de afstand tot Campen zo ver dat dat knullige belletje van de Dompe daar toch niet was te horen. Met bulderende stem gaf hij opdracht aan zijn manschappen om toren en kerk snel en totaal te verwoesten en de klok het zwijgen op te leggen. Binnen de kortste tijd stond  toren en kerk in lichterlaaie. De koster werd gegrepen en aan handen en voeten gekneveld. Een jong landssoldaatje drukte hem ook nog een prop in de mond. Vervolgens werd hij door enkele krijgers opgepakt en heen en weer geslingerd als zijn kerkklok. Van je ene, twe-e ,  hupsakeje. en met een enorme smak kwakte hij op de bodem van een volgwagen van de vijand. Kreunend van pijn bleef hij daar liggen. De manschappen gingen als woestelingen te keer. Zo’n klusje was een kolfje naar hun hand. Daar kwamen ze lekker van op temperatuur en in de juiste krijgstemming. Helaas werd het Godshuis van Campervenne totaal verwoest. De restanten waren een onherstelbare ruïne. De klok werd onder monotoon gebimbammer op de wagen naast de koster gezet en alvast als buit mee gevoerd. Achter een oude wilgestomp ergens midden in de polder keek de pastoor sidderend naar het treurige schouwspel..... De roepstem van zijn geliefde luidklok klonk als een bede en deed de geestelijke rillend denken aan het randschrift.

 

 

“Clocke.clancke.is myn.name.

 

Ghelut.sy.gode.bequame.

 

Den.levendigen.ropick.

 

De.doden.bescrey.ick.

 

Hagel ende donder wehrstae.ick.”

 

 

De eerste klap was een daalder waard, zo was dat en nu op naar de stadsweiden van Campen. Daar liep veel en vet vee. Die Campenaren met hun stedelijke status waren rijk genoeg en konden best een paar koetjes missen. Bij de Roskam aan gekomen moesten ze achter elkaar stuk voor stuk over het smalle dijkje die door het Enckwater was gelegd. Rustig en bijna geluidloos wilde men deze verbinding nemen. Maar helaas de tolbewaarder van De Roskam had de toegang afgesloten met een zware slagboom. Enkele mannen sprongen van hun paarden grepen enkele bijlen en hakten er lustig op los. Een goede spieroefening riep men elkaar toe.

 

 

Aan de  Zwartendijk zijde was de slagboom ook gesloten en even verder, verscholen achter bomen en struiken stond een tot de tanden bewapend Camper legertje.  Deze wachten rustig af. Toen ook de tweede slagboom was doorbroken lieten ze de ruiters en het voetvolk passeren. Echter toen de  buitwagens nog op de smalle dijk waren waarop ze niet konden keren, kwam het bevel tot de aanval. Zo kon immers niemand terug omdat de Nieuwendijk vol stond met hun eigen wagens. Er volgde een hevige veldslag. Er werd geschreeuwd en geslagen. Machtige knokpartijen volgden elkaar op en het werd een gevecht van man tegen man. “De boessen , de pulsrocken  en  de scoenen  werden hun van de liyve getrocken. Blauwe ribbecasten en bloederige koppen waren het gevolg”. Als kale en verstrooide kukens werden ze uit elkaar gedreven. Kreupel ende verminckt moesten vele van de twee honderd man zich overgeven. Zij die wisten te ontvluchten doolden als verdreven lammeren over s’heeren paden van het Campervenne richting Elburg.

 

Een reuzendoder der Campernaren ontdekte in een inbeslag genomen wagen de geknevelde koster gebonden aan handen en voeten. Hij trok de prop uit zijn mond en vroeg : ‘wie zijt Gij, manneke’?  ‘De koster van der parochie van Campervenne’. ‘En die bel daar, waar komt die vandaan’?  ‘Die is geroofd uit de Dompetoren’. Toen werd hij ontdaan van zijn knevel touwen en na zijn verhaal te hebben verteld werd hij terug gezonden naar zijn woninkje aan de Leykae.

 

 

Geute had diep in de nacht, voorzover als het mogelijk was de verrichtingen van de Geldersen gevolgd. Met schrik en bevende over al heur ledematen had ze  de verwoesting van de kerk gadegeslagen. Het was meer dan angstaanjagend geweest het vuur te zien gloeien rondom de torenspits en deze klaterend te zien instorten. Toen de rust terug keerde in de polder begon ze zich af te vragen hoe het met heur kerel zou wezen. Het werd nu zo langzamerhand tijd dat hij terug keerde, want hij moest echt niet gezien worden door de Graafgezinden. Enigszins onrustig keek zij richting het pad waarover hij vertrokken was. Maar niets wees er op dat hij naderde. Zij gebruikte haar beide handen als oorschelpen en luisterde heel scherp met haar vrouwelijk instinct. Het hoefgetrappel der paarden en het knerpen van de wagens van de stropers onderkende zij duidelijk. Die waren al op de Enckdijk. Haar boven natuurlijke gaven drongen er bij haar op aan om toch maar eens te gaan kijken waar Ieze bleef. Inmiddels had ze haar lange zwarte rock aangetrokken en haar lijf omgeslagen.Haar heksenmus en de valse gekromde zwarte  neus tot zich genomen. Vergezeld van een soort heksenbezem stapte ze richting de  Hogeweg, via voetpaden slingerde zij zich in de richting waarvan zij dacht dat Ieze zich ergens zou bevinden. Na lang zoeken tussen de verschillende riet en biezenvelden  hoorde ze het hinniken van Kockie. Niet lang daarna ontdekte ze hem en zag haar kerel onder de hit op de grond  liggen. Versteend als een Espelpaal stond zij op enige afstand te kijken. Haar ogen verstarden. “ Kockie, is hij dood?”  vroeg ze timide. Wie heeft hem neer gesabeld?. Kockie hinnikte met een gerust makend antwoord. Langzaam schuifelde ze voetje voor voetje nader en vroeg ze met bezorgde stem: “Ieze, ben je daar, wat is er gebeurd?” Maar ze kreeg geen antwoord, ook niet toen ze dat herhaalde. Ze knielde bij hem en ontdekte dat hij door en door nat was en totaal verkleumd. Die moet zo snel mogelijk naar huis, maar hoe. Zij kon hem onmogelijk dragen en op Kockie zijn zadel leggen daar achtte zij zichzelf ook niet toe instaat. “Hoe moeten we hier nou mee aan, Kockie”?  vroeg ze, alsof hun paardje haar advies kon geven. Maar het trouwe dier hinnikte weer, zijn meester moest toch gered worden. Het hinniken werd beantwoord door een roep van een ander paard even verderop.  Zou dat de redding kunnen zijn?  Maar .....waren dat geen Geldersen? Kordaat stapte Geute met vlotte pas richting  Hogeweg. Daar hoorde ze op korte afstand enkele wagens met manschappen aankomen. Ze zette haar heksen muts op haar kop en plaatste haar kromme neus voor haar gezicht. Wijdbeens ging ze midden op de Hogeweg staan met in haar rechterhand de staande bezem met de steel op de grond.

 

Terwijl ze met haar kontje heen en weer waaierde........ “Riep zij met een verdraaide stem, Stop!”, “ Ik ben de zwarteheks die jullie uit de Dompetoren van Campervenne verjaagd hebben. Gij lieden hebben die vannacht verwoest. En dat betekend heksen treiteren. Dat is voor mijn familie een hele kwetsende daad en dat wordt jullie zwaar aangerekend. Vertrek van hier zo snel mogelijk als je leven je lief is en laat ik jullie nimmer weer ontmoeten. Daar in het land ligt ook nog een schavuit, één van jullie kornuiten. Die nemen jullie ook mee terug. “Wat moeten wij commandeur”, vroeg de achterom kijkende voerman aan iemand die languit op de wagenbodem lag. “Ge-hoor-zamen”, klonk een benepen en piepend stemmetje. Ze keek twee ogenschijnlijk nog vrij ongeschonden strijders strak aan en zei vervolgens: “Wie van jullie is de commandeur”?  Eén lichte een momentje later zijn handje boven het wagenschot. Jullie tweeën gaan met paard en strijdwagen naar hem toe, de anderen kunnen doorrijden. Daar tussen het riet ligt hij. Bevend namen ze de teugels en stuurden de kar het land in totdat ze bij Ieze kwamen. Op korte afstand bleef de ‘heks’ staan. “Oppakken en inladen “ beval zij kort en krachtig. “ Maar dat is geen krijger van ons” zei één van hen. “ Op-pak-ken en  in-la-den”, herhaalde de pseudo heks. ‘En een beetje rap’!  Ze pakten Ieze op en legden hem in de wagen. Geute stak de heksenbezem tussen haar benen en maakte aanstalten om de lucht in te gaan. “ Zo, riep ze, en nu opgeflikkerd en maak dat je wegkomt en heel rap”, beet ze hen toe. Zo niet dan verander ik oeloe in twee roofviskes en laat ik jullie verdwijnen in de wateren van de Enck. Dan wordt je binnenkort door Camper steurenvissers gevangen en door de stadsjantjes gestoofd en door magistraten in de ridderzaal opgepeuzeld.” Als een vervagende schaduw verdwenen de twee krijgshelden uit haar gezicht. Ziezo zei Geute in haar zelf nu ga ik met Ieze naar huis en ga hem lekker opwarmen dan komt hij wel weer bij. Ze pakte de teugels en stapte op de bok van de wagen. Kockie stapte er kordaat achteraan. s’Avonds  zaten Ieze en zijn vrouw Geute gezellig in hun kamertje rondom het open vuur en nipten van een glaasje gebrand water. “Toch maar mooi een paard en wagen rijker”. zei Geute.

 

 

Verstrooid en uitgedund kwamen de restanten van de troepen terug op hun thuisbasis. Het was een bijeen geveegd reste van blauwkoppen en deerlijk verminkten, die zijgend de trotse Graaf de behaalde resultaten aanboden.

 

Het hoongelach der Campenaren maakte het beest in hem wakker. Hij werkte dag en nacht aan een wraak aktie.

 

 

Op 21 mei vertrok hij wederom met hele stoute plannen richting Campen. Hij had een strijdmacht verzameld van 600 man te paard, 900 voetknechten en 1100 boeren. 4 wagens met gereedschap en 100 wagens om deprooi op te laden. Ze maakten niet weer dezelfde fout als enkele maanden geleden maar vertrokken in alle stilte. Nu verliep de tocht  via de Venendijk. Om geen argwaan te wekken lieten ze alle Campervenner boeren met rust. Deze als de dood voor de sluwe vos lieten zich ook niet zien. In alle behoudenheid legerden ze zich rondom Keulenvoet. Ze zochten dekking tussen struiken en struwelen. Een kleine groep zonderde zich af en trok richting Zwartendijk. Hun strategie was om de Campenaren daar in een hinderlaag te lokken. Ze passeerden zo de wachttoren De Koeborg en de daar aanwezige wachters zouden de Campenaren wel waarschuwen. Deden ze het niet dan pikten ze het aan wezige vee uit de weiden en werd hun tocht goed betaald. Als de Camper krijgers de tegenaanval inzetten dan zouden de achtergebleven troepen Campen vanuit de richting Keulenvoet bestormen en de inwoners mores leren. Maar Campen had de  brug over de stadsgracht opgetrokken en het lukte het paardevolk niet de stad te bereiken. De Campenaren hadden meer dan genoeg van de valse streken der Geldersen. Er volgde in de weiden tussen de koeien een alles vernietigende veldslag. En het lukte de Campenaren de troepen te verslaan en de restanten te verjagen tot op Campervennes gronden. Zeven vrachtwagens vol doden en gewonden werden afgevoerd. Maar ook aan Camperzijde waren de verliezen niet gering. Campervenne ontsprong ditmaal de dans en de eerste jaren werden de Gelderse plunderingen op een heel laag pitje gezet.