Kamperveen

                                                                  

 

“K-A-M-P-E-R-V-E-E-N”

 

 

 

 

 

Vijftig

 

na

 

 

VEERTIG----VIJFENVEERTIG.

 

 

 
Inleiding.
               

        Dit boekwerkje geeft beknopte informatie over de bevrijding en de voorafgaande bezettingsjaren van Kamperveen. Het is geen volledige opsomming van alle gebeurtenissen, maar het verstrekt wel enig inzicht. Omdat het vijftig jaar geleden is dat Kamperveen van de bezetter bevrijd werd, zijn enkele herinneringen toch waardevol. Alle gebeurtenissen van de oorlogsjaren zijn moeilijk te achterhalen. De inhoud is dan ook noch volledig of authentiek. Het zijn allemaal verhalen uit geheugens van de toen maligne bewoners van Kamperveen die daarover zijn benaderd. Deze zijn inmiddels allen al op leeftijd. Herinneringen van vijftig jaar terug willen dan nog wel eens afvlakken. Maar in grote lijnen geeft het een redelijke indruk over het leven in de periode van
1940 tot en met 1945.

 

            ©       Kamperveen, mei 1995. J.Spronk.

 

 


No: 1.

De bevrijding van Kamperveen.

 

 

D

 

e bevrijding van Kamperveen vond plaats op 17 april 1945. Vrijwel zonder slag of stoot verschenen onze bevrijders. Hoewel dat zag er in eerste instantie niet naar uit. Ruim een week voor deze datum bemande de bezetter de gegraven stellingen aan de Kamperveense kant van de IJssel. De IJssellinie werd voor de tweede keer aan dezelfde zijde bewapend. (De eerste keer gebeurde dat in 1940.) Er werden militairen ingekwartierd bij diverse boerderijen die langs de IJssel stonden. Achter de dijk werden stellingen in gereedheid gebracht en bemand. Hoewel het Duitse leger reeds behoorlijk was aangeslagen zag men overal langs de kruin van de dijk, zo ongeveer om de honderd meter, een goed gecamoufleerde militair met een mitrailleur in de aanslag. Boven op de helm waren takjes, soms ook gras en onkruid bevestigd en de gezichten waren met grond en modder bijgesminckt. Ook werden er militaire poppen tussen hen in geplaatst. Daarmee wilden ze de vijand misleiden. Deze poppen waren gemaakt van houten platen in een vorm van een menselijk gezicht met een stukje schouder en prachtig als soldaat met helm opgeschilderd. Ze werden op een paal in de grond een stukje boven de kruin van de dijk geplaatst . Een truc waar geen Canadees is ingetrapt. Er viel dan ook geen schot. Maar naar later bleek maakten onze bevrijders ook geen aanstalten  om de rivier over te steken, maar trokken zij Noordwaarts om het Duitse leger af te snijden. Dit werd pas na de bevrijding onthuld. In één van de boerderijen aan De Zande waren bevoorrading troepen ingekwartierd. Oudere personen die niet meer deel namen aan de directe gevechten maar meer zorgden voor de bevoorrading. Wagens vol met allerhande benodigdheden voor de troepen. Frappant was dat ze ons heel duidelijk konden vertellen, wanneer er in de verte een schot viel, door welke partij dat gelost werd.
 “Das ist der Tommy”;  werd er dan gezegd. Ze waren  ook zeer goed getraind op het geronk van vliegtuig motoren. Bij elk verdacht geluid gingen ze direct naar binnen. Ze namen geen enkel risico. Ze bivakkeerden allen in de stal. Dit in tegenstelling bij de buren. Daar waren soldaten gelegerd van de “Herman Goering” troepen. Jonge fanatiekelingen met een zeer brutale en grote mond. Ze wilden beslist in het voorhuis bivakkeren en eten van de prachtigste (wand)borden. Onredelijke en zeer brutale figuren. Daar voelde men zich alles behalve prettig. Na enkele dagen waren plotsklaps alle Duitse soldaten verdwenen. Ze waren diep in de nacht vertrokken. Met achterlating van allerlei goederen.
 Spaarzame berichten bereikten ons dat de Canadezen al in het dorp IJsselmuiden waren.
In de buurt van het Zuideinde brachten de Duitse troepen toen zware kanonnen in stelling. Daarna begonnen ze granaten af te vuren richting bruggehoofd aan de kant van IJsselmuiden. Gierend vlogen ze over onze hoofden. Waarna ze insloegen in de buurt van de brug aan de overzijde van de rivier. De Spoorkade moest enkele voltreffers incasseren en daar veroorzaakten ze nogal wat schade. Dat was niet de leukste middag. Menigeen hield zich dan ook binnenshuis. Maar tegen de avond zwegen de houwitsers en ging men weer wat ruimer ademhalen. Toen volgden enkele dagen van serene rust.  Een enigszins nerveuze toestand in een soort niemandsland. Vooral de gezochte onderduikers durfden niet goed te voorschijn te komen. Ze wisten nog steeds niet waar ze aan toe waren. Komen de Duitsers terug of zijn het de bevrijders die we gaan zien?
17 april 1945 kwamen vanuit de richting Wezep enkele gepantserde carriérs aanrijden, kleine tanks met rupskettingen. Toen ze langs reden zagen wij geen hakenkruis, maar de Geallieerde ster. En soldaten met een baret of veel plattere helmen. Maar ingebouwde voorzichtigheid waarschuwde ons en zodoende werd er niet uitbundig gezwaaid noch gevlagd. Aan de z.g. “Tippe” hielden ze stil. Wij er toch maar naar toe. Het bleken de eerste Canadezen te zijn. Bijzonder hartelijk waren deze jongens. Ze begonnen daar een soldaten etentje en wij kregen een “echt” stukje chocola. In geen jaren meer geproefd. De koning te rijk renden we huiswaarts om het verhaal te vertellen. Daarna reden ze verder, richting Kampen.
 Enkele ander jongemannen waren op het land aan het z.g. “schouwe-maken”. Ze hoorden ook motor geluid, ze keken op en zagen enkele gepantserde voertuigen over de Hogeweg rijden, richting De  Roskam. Zogenaamde verkennings wagens. Ze zeiden tegen elkaar: “.....Daar zijn onze bevrijders”! Even werden ze nagekeken en vervolgens keken wij elkaar aan en stilzwijgend bogen wij onze ruggen en gold de slogan: “En de boer hij ploegde voort”. Nadat we naar huis waren gegaan, omdat de tijd van koeien melken was aangebroken, moesten deze eerst worden gemolken. Daarna trokken we wat nettere kleren aan, voor zover we die nog hadden, en gingen op schamele fietsen richting Kampen. In de buurt van houthandel Kramer keken we recht in de loop van een stengun. Een gedropt geallieerd wapen voor het ondergrondse verzet. Een soort militair hoofd keek net boven het IJsseldijkje uit en riep keihard: “Halt!”. Het waren verzet strijders, de z.g. N.B.S.ers.(Ned.  Binnenlandse Strijdkrachten) Even schrokken wij ons het apezuur. Na controle mochten we evenwel weer verder. 
In Kamperveen-Roskam en omgeving zijn de laatste dagen nog wel even erg spannend geweest. Het is een publiek geheim dat niet alle Nederlanders, Hollands gezind waren. Er waren er ook die een klein of groter “stempeltje” hadden van pro Duits. Toen de bevrijders Kampen naderden kwamen ook de binnenlandse strijdkrachten in actie. Die wisten natuurlijk heel goed wie en wat deze bewoners de afgelopen periode hadden gepresteerd en hoe hun kerfstok er uit zag. Om deze verzetstrijders uit handen te blijven namen ze overhaast de vlucht richting Oosterwolde. Ze moesten daarbij wel de Roskam passeren. Maar in Oosterwolde werden de eersten ook opgewacht door de ondergrondse en daar kwamen ook gevechten aan te pas. Daar is het toen nog wel even heel erg warm naar toe gegaan. Ze liepen daar in de val en vluchtten terug om via andere wegen te ontkomen. Maar vanuit Kampen kwamen ook de N.B.S ers hen na. Vele vluchtende gezinnen en personen raakten in paniek, achtervolgt door de ondergrondse van twee zijden.  Er waren ook gewapende Duitse soldaten bij en auto’s met munitie. Toen deze vluchtweg afgesloten bleek,  vluchten ze her en der, de Hogeweg en de Noorwendige dijk op. Bij huizen en boerderijen in schuren en bergen trachten ze zich te verschuilen. Onder hen waren er ook die gewapend waren. Daar is toen nog behoorlijk geschoten. Maar een geluk was dat de auto’s met munitie, die achter de schuren en struiken verstopt werden geen voltreffers kregen. Tijdens die schotenwisseling vluchtten velen van hen het weiland in. Onder struiken en knotwilgen, ja zelfs in sloten met het hoofd net boven water en weer gecamoufleerd met natuurproducten doorstonden zij deze crisis. Allen werden ze evenwel later opgepakt.  Gelukkig  is ook hier alles verlopen zonder slachtoffers.

 


Velen gingen daarna ‘s avond naar de stad Kampen om de bevrijding te vieren en Kampen begon steeds meer in jubel stemming te geraken.

 

 

Zo ongeveer zijn de gebeurtenissen tijdens de bevrijding van Kamperveen verlopen.

 

 

 

O

 

No: 2.

10 mei 1940

 

 

B

 

evrijding is ondenkbaar zonder bezetting. Het is u allen bekend dat 10 mei 1940 de Duitse troepen ons land binnen vielen. Na een vierdaagse strijd tegen een gigantisch groot en zeer goed getraind leger, volgde de capitulatie. In die vier dagen woedde er op een aantal plaatsen een verbeten strijd en de Nederlandse militairen boden  hevige tegenstand. Eén van de bekende gebieden is o.a. de Grebbeberg. Daar is onvoorstelbaar tegenstand geboden ten koste van vele Hollandse soldaten. Daar is ook gevochten door enkele Kamperveense jongens. Het verhaal en de gebeurtenissen van één van hen.

 

Hij was gelegen in het Betuwse plaatsje Ingen, in de buurt van Tiel. In Oktober 1939 was hij op gekomen in militaire dienst met een opleiding van vijf maand in het kamp Laren. In maart van 1940 werden er uit zijn compagnie diverse eenheden geplaatst in de omgeving van Ingen, een dorpje in de Betuwe en bij boerderijen ingekwartierd. Vier rekruten vanuit zijn Compagnie waren bij hem gelegerd waaronder nog een soldaat uit  Kamperveen. ‘s Avonds en ‘s nachts bivakkeerden en sliepen zij bij genoemde boerderijen op de zolder en overdag vertrokken zij naar de omgeving van Tiel om daar stellingen te maken waaronder loopgraven langs de Rijn. We lagen bij die boer op zolder te slapen. Een groot Betuuws bedrijf met een dwars gebouwd woongedeelte. Isolatie was toen nog onbekend. De temperatuur op zolder daalde in de winter daar tot -11o C., zodat de ijzel de dekens aan de bovenzijde afdekte.

 

En toen.........de kleine uurtjes van 10 mei. Men hoorde in de zeer vroege ochtend motor geronk van vliegtuigen. We maakten elkaar wakker en keken door de ramen naar buiten. Ja hoor!, allemaal vliegtuigen en nog eens vliegtuigen. De lucht was zowaar vol. We zeiden tegen elkaar; “Als die allemaal naar Engeland gaan dan is dat niet zo goed voor de Tommy’s”. En wat zou het anders kunnen betekenen? Ze vlogen in Westelijke richting en Engeland was in oorlog en Holland niet. Maar het duurde niet lang of aan alle onzekerheid kwam een eind. Er kwam bevel van de commandant dat wij ons moesten aankleden om op het appel te verschijnen in volledige oorlogsuitrusting. Zwijgend werd hieraan voldaan. De eerste tijd controleerden we de wegen in de omgeving. Maar erg lang duurde het niet of de eerste Duitse vliegtuigen schoten al eens een salvo op ons neer. Onze plaats was tegenover de Grebbeberg en het werd al snel duidelijk dat daar behoorlijk gevochten werd. Hevig kanongebulder drong tot ons door en ook zagen wij diverse Duitse vliegtuigen duikvluchten uitvoeren en zo nu en dan zagen we er ook een brandend neerstorten.
Er werd niet zoveel over gesproken maar het drong wel goed tot ons door dat daar “echt oorlog” was. De grootste angst was toch wel de rit naar het slagveld. Zeer beangstigend zelfs. Eenmaal op de plaats had men een overzicht en werd je goed bezig gehouden. Maar gelukkig voor ons waren we een reserve peloton.......          Al hadden wij geen gevechts ervaring toch drong het zo langzamerhand tot ons door dat de situatie daar kritiek begon te worden. Vrij spoedig kwam dan ook het bevel dat ons peloton ook zou worden ingezet op de Grebbeberg. Bij Ingen zouden we de Rijn oversteken. Dat gebeurde met de plaatselijke veerpont. Elke keer zo’n 50 a 75 manschappen. De achterblijvenden moesten zich schuilhouden onder de fruitbomen van de Boomgaarden. Nadat allen overgezet waren fietsten we onder de bomen, ongeveer langs Elst naar Rhenen naar de Veldweg. Inmiddels was het donker geworden en wij verzamelden ons in een woonhuis. We waren nog maar goed en wel binnen of de eerste Duitse sluipschutters begonnen al op ons te vuren. Dat waren enkele vooruit geschoven posten van de vijand. Daarna kwam het bevel dat we naar de loopgraven moesten langs de spoorlijn die dwars door de Grebbeberg liep. In het mitrailleursnest waar wij kwamen hadden al soldaten strijd geleverd. We vonden nl. restanten van oorlogsmateriaal en een achter gelaten doos sigaren. En om enigszins op verhaal te komen hebben we eerst maar eens een sigaar opgestoken. We lagen dus vrij hoog. Tegenover ons aan de andere zijde van de spoorlijn, die door een vallei op de Grebbeberg liep, lag de brandhaard. Maar het duurde niet lang of de kanonnen begonnen ook over onze hoofden heen te schieten. Dat begon ‘s morgens om vier uur en naarmate de dag vorderde begonnen de granaat inslagen steeds dichterbij te komen. Aan het geluid hoorde men of de granaat ver over of dichtbij zou inslaan. Bij een verdacht naderende toon doken we allemaal zo diep mogelijk in de loopgraaf. Er werd ook terug gevuurd maar de afstand was voor een “Hollandse Mitrailleur” even te groot om succes te hebben. Dat duurde zo tot ongeveer drie uur in de middag. Toen kwamen de Duitse “Stuka’s”, jachtbommenwerpers, achter elkaar in duikvlucht naar beneden. Eerst een salvo kogels en vervolgens lieten ze enkele bommen vallen. Daarna trokken ze weer op om opnieuw in de aanval te gaan. Vooral het jankende geluid was zeer schrik aanjagend. De balans was doden en gewonden. Toen het donker werd kregen wij het bevel dat we ons weer terug moesten trekken over de Rijn, weer naar Ingen. We hebben toen de gehele nacht gefietst over de Lekdijk naar Vianen. Dodelijk vermoeid kwamen wij daar aan. Twee nachten niet geslapen en de ontberende spanning van het gevecht. We werden daar een stal van een boerderij ingeloodst om te wachten op nieuwe instructies. In de stal aangekomen vielen we letterlijk om van slaap en oververmoeidheid. Maar na korte tijd kwam het bevel: “Gevechtstellingen betrekken bij de waterlinie”. Als opgewonden poppen fietsten wij er heen. Maar van de stellingen was vrijwel niets meer intact. Wel zagen we, hoe verder wij in Westelijke richting kwamen, hoe meer rook er een de hemel verscheen. Op het laatst was het zo erg dat de zon als het ware verduisterd werd. De Duitsers bombardeerden Rotterdam. Eén grote vuurzee en enorme rookwolken stegen torenhoog omhoog en verduisterden de hemel. Daarna volgde de capitulatie van Generaal winkelman.

 


En daarmee was de oorlog afgelopen, maar....................niet de bezetting!




No: 3.

10 mei, Kamperveen.

 

 

 

W

 

at betekende de Duitse inval voor Kamperveen?
‘s Morgens vrij vroeg kwam er bericht van de blokhoofden dat alle gezinnen die zich bevonden binnen de IJssellinie moesten vertrekken. Iedereen was daarvan voortijdig al op de hoogte gesteld. Dat betekende voor de bewoners van De Zande en omgeving: evacuatie. De adressen  waar iedereen naar toe moest waren bekend. De meeste bewoners gingen naar het Zuideinde. Ouderen, vrouwen en kinderen eerst. Het noodzakelijke werd ingepakt en opgeladen op wagens, karren, handkarren, fietsen, bakfietsen en wat dies meer zij. De één nam wat eenvoudige spulletjes mee en een ander zag je met de gehele inventaris, van stoelen tot complete bedden. Het was bijzonder mooi weer die morgen. Een ware uittocht op de Kamperstraatweg en de Spijkerboersweg. Verderop voegden de bewoners van Zalk, die allen kwamen via de Roobroeksweg, zich er ook nog bij.
Een e-n-o-r-m-e karavaan trok over de Wittensteinse  Allee. Alles in een beetje paniekerige sfeer. Angst voor het onbekende. Op het Zuideinde werden wij zeer gastvrij ontvangen. Het meeste vee liep al in de wei en daardoor waren de stallen en de deel al schoon. Slapen en bivakkeren kon dus in stallen en schuren. Toen er in de loop van de dag verder niets gebeurde waagde een enkele mannelijke bewoner zich weer naar de zo genaamde “IJssellinie”. Uiteraard waren de koeien niet geëvacueerd en die moesten wel gemolken worden. ‘s Avonds ging iedereen weer naar zijn vee om het te verzorgen. Voor de veiligheid legde men de route af via het weiland. Na het melken in het land ging een van de boeren nog even na zijn boerderij welke tegen de IJsseldijk aanlag. Eenmaal binnen vielen er plotseling schoten. Als een haas, zonder om te zien en met de jas over het hoofd, stoof hij de deur uit richting Zuideinde. Het toeval wilde dat er midden voor zijn woning nog een straatlantaarn was blijven branden. Een Hollandse militair merkte dat op. Deze bemande de kazemat welke op het puntje van de Welle was gebouwd. Ongeveer tegenover het huidige militaire terrein. Die richtte zijn mitrailleur en vuurde een salvo af in de richting van de brandende lantaarn. Deze doofde vrijwel onmiddellijk. Ook presteerde men het om een Duits vliegtuig onder schot te krijgen en neer te halen. Ook dat gaf consternatie bij de “toevallige aanwezige boeren”.  Boer Gait van “Grevenrit” wilde ook niet van zijn boerderij. “Hij bleef bij zijn koeien”; zei hij. Maar toen er schoten begonnen te vallen, liep hij in het donker snel een honderdtal meters het weiland in, ging daar midden op een grondhoop zitten kijken en wachtte daar de gehele nacht rustig alles af.
Aan de IJssellinie lagen toen vrij veel Nederlandse soldaten. Ingekwartierd bij verschillende boeren. Er stonden overal kazematten. Die moesten ze bemannen en verder achter de dijk posten betrekken. Maar toen bleek dat de Duitse troepen richting het Westen gingen, moesten enkele boeren aanspannen om de militairen met paard en wagen richting de Kamp van Oldebroek brengen. Daarna volgde de overgave en kon iedereen gelukkig weer terug naar zij eigen huis.
De Koningin was inmiddels behouden in Engeland aangekomen. En wat zeiden de Duitsers: “Die komt nooit weer in Holland terug”.

 

Na een heel rustige periode waarin niets veranderde, kwamen er voor het eerst enkele Duitse legervoertuigen voorbij. Men keek argwanend, maar in tegenstelling tot de verwachting leken het meer bezoekjes van de buren. Na een jaartje, toen de kazernes in Wezep bemand werden, fietsten er dagelijks militairen naar Kampen, om na enkele uurtjes terug te keren. Beladen met enorm veel pakketten.

 

De plundering was begonnen. Maar dat had niemand toen nog door. Het  waren voor de winkeliers bijzondere goede klanten....

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


No: 4.

 

De Onderduikers. 1

 

 

 

H

 

et leven onder de bezetter voor jonge mannen in de zogenaamde risico-leeftijd was niet prettig. Iedereen moest zich melden. Kon men geen argument overleggen waardoor men niet gemist kon worden, dan moest men zich inzetten voor de Duitse belangen. Degenen die zich verdienstelijk konden maken in de voedsel voorziening hadden in eerste instantie de meeste kans om er aan te ontkomen. Een redelijke vrijwaarding was het bezit van een “ausweis”. Daarop moesten ook nog de nodige stempels staan, anders waren de risico’s nog vrij groot om opgepakt te worden. Het verstandigste was dan ook om je zoveel mogelijk “sjaks” te houden. Zoals in, om en nabij de boerderij. In diverse plaatsen werden dikwijls klopjachten gehouden en iedereen vluchtte dan naar zijn schuilplaats. De bewoners van de Venedijk bereikte ook een keer het gerucht dat er “razzia” zou worden gehouden en dat alle mannen tussen de leeftijd van 20 en 50 jaar zouden worden opgepakt en op transport worden gesteld. Ze gingen dan naar Duitsland om daar te gaan werken in de wapen industrie, of ze werden bij de T.O.D.T. te werk gesteld. Dat was geen prettige mededeling en niemand voelde daar iets voor. Uit deze buurtschap zijn ze toen op een nacht, midden in het weiland van Kamperveen gaan slapen. Zo’n twintig- tot vijfentintig mannen. Allemaal tussen de opgehoopte slootgrond-hopen. Het was een mooie nacht en men kon er best bivakkeren. Maar lol of lawaai maken was er beslist niet bij. Want ‘s nachts is het erg hoorbaar en ook de spanning was te groot. Er stond te veel op het spel. Maar tegen de ochtend kwam een vrouwelijke bewoner met de melding dat er nog geen razzia was geweest. Iedereen ging weer naar zijn huis, want ook de koeien moesten weer gemolken worden.
Zo had Iedereen zijn eigen schuilhoekje. Zo bevond er zich ook een in de voormalige huisbelt (terp) op het perceel Zandberg land, gelegen naast de boerderij waar thans M.Lodewijk woont. Daar werd diep in het zand een kuil gegraven en weer afgedekt. De gecamoufleerde ingang was van buitenaf onzichtbaar. Hierin heeft men tijdens vermeende razzia’s ook wel gebivakkeerd.
Veel bewoners van Kamperveen hebben tijdens de oorlogsjaren korter of langer onderdak verschaft aan onderduikers. Nederlanders die alleen onderdoken omdat ze niet naar Duitsland wilden om daar aan het werk te worden gezet. Maar ook aan mensen die de bezetter hadden gedwarsboomd. Ondergronds werk van summier tot zeer gewaagd. Bv. de gemeente sekretaris, die samen met wethouder van Engelen, het gehele bevolkings register van IJsselmuiden hebben verbrand. De bezetter had toen geen enkel inzicht meer in de registratie. Niemand kon toen meer worden opgespoord aan de hand van de gemeentelijk papieren. Dit gold natuurlijk ook voor Kamperveen. Sekretaris Sangers is ondergedoken op een boerderij van de fam. Schoonhoven aan het Zuideinde. Wanneer er geen onraad was genoot hij binnenshuis een beperkte bewegingsvrijheid. Maar kondigde zich onraad aan dan verdween hij naar een lege gierkelder. De deksel werd dan op de put gedaan en als comfort was er aan het andere eind van de put een verhoging gemetseld waarop hij kon zitten en eventueel kon liggen. Een soort slaap gelegenheid. Daar was niet zo’n heel aangenaam vertoeven. Huiszoekingen naar wapens, onderduikers of andere motieven deden menig Kampervener, of tijdelijk gehuisveste, in angstzweet uitbreken. Afgelegen boerderijen werden dan uitgekozen. Niet zelden zochten ze heel dicht in, en om de plek van de lokale schuilplaats waar de onderduiker zich bevond. Bibberend wachtte men dan op het verlossende woord:
“Ze zijn weg”.Maar  spectaculaire arrestatie’s hebben er, zover bekent, niet plaatsgevonden. De meeste van de onderduikers hebben de bevrijding dan ook meegemaakt.

 

 

 

 

 

 


No: 5.

 

Onderduikers. 2

 

 

 

K

 

amperveen was een vrij eenzame polder met veel afgelegen boerderijen en woningen. Eigenlijk een ideaal oord voor onderduikers. Daar werd dan ook dankbaar gebruik van gemaakt. Het aantal wat er het einde van de oorlog heeft gehaald was hoog. Elk gezin en elke onderduiker heeft zo zijn eigen belevenissen en verhalen. Boeiend en zeer spannend. Het daaraan verbonden risico was dikwijls ook niet gering. Een wat uitvoeriger verslag van de familie Koers aan de Hogeweg 9  kan men evenwel beschouwen als een bijzonder voorbeeld, omdat het hier om een onderduiker ging van Joods afkomst. Ze namen een wel heel bijzonder hoog en zeer groot risico. Omdat het een gezin was met jonge kinderen en bij ontdekking of verraad was arrestatie en transport naar een van de vernietigingskamp de enige weg, zonder terug. Overleven was nihil.
De voorgeschiedenis met betrekking tot het verbergen van deze persoon behoord bij het gehele verhaal. De persoon waar het in kwestie omging was een uit Duitsland afkomstige joodse bewoner. Omdat de jodenvervolging daar al speelde zorgde hij ervoor dat zijn ouders, zijn broers en zussen via Zwitserland naar Amerika konden uitwijken. Dat vergde de benodigde inspanning en vooral tijd. Toen deze allen in veiligheid waren wilde hij zelf ook vertrekken. Maar helaas dat lukte niet meer. Hij was te laat. Alle kanalen en wegen waren afgesloten. Hij had geen andere keus meer dan in Europa te blijven. Hij belande toen in Nederland en vond onderkomen bij een gezin in Gouda. De eerste tijd is hij daar geweest. In die periode kon men als jood toen nog een  redelijk normaal leven lijden. Wel moesten ze de beruchte Joodse “STER” dragen. Een voor iedereen zichtbaar teken dat men van dat ras was. Overdag werd er alsnog normaal gewerkt. Maar het nazi-regime wist uiteraard van zijn bestaan. Na korte tijd kreeg hij bericht dat hij vele van zijn waarde volle bezittingen moest inleveren, waaronder 250 gouden tientjes.
Hij logeerde daar op de boven verdieping in een eigen kamer.
Zo gebeurde het dat hij ‘s morgens van huis ging naar zijn dagelijkse werkzaamheden en ‘s avond weer thuis kwam.  Op een zekere dag kwamen er twee Duitsers militairen aan de deur die wilden hem halen. Maar hij was er niet. Toch wilden zij naar binnen, naar zijn kamer. Toen hij ook daar niet was roofden ze eerst zijn laatste bezittingen uit deze kamer en wachten toen geduldig af tot hij zelf zou komen. De eigenaresse van de woning mocht zelf niet meer open doen als de bel van de voordeur ging. Dat deden de soldaten wel. Iedere keer als deze ging deed dan ook één van hen open. Zo probeerden ze hem te pakken te krijgen.
Rond het middaguur kwam de dochter thuis en die had zelf een sleutel van de achterdeur en kwam zo ongemerkt binnen. De moeder fluisterde haar de situatie in het oor en deze maakte geluidloos rechtsomkeert. Zij zag kans hun joodse huisvriend bijtijds te waarschuwen en deze week uit naar een ander, tijdelijk adres. De soldaten hebben nog een week lang dag en nacht op zijn kamer de wacht gehouden, maar tevergeefs. Via ondergrondse kanalen die door het gehele land vertakt waren kwam hij in Oldebroek terecht. Maar Oldebroek zat al vol met onderduikers en teveel bracht ook weer een te groot risico met zich. Hij werd toen door gesluisd naar de Fam. Koers aan de Hogeweg met de mededeling dat het maar voor enkele maanden was, omdat dan de oorlog wel was afgelopen, of dat hij dan wel naar een nieuw adresje kon worden overgeplaatst. De familie
 stemde toe. Maar.......

 


“Zo verborgen zij wel een -jood-. Een ondergedoken persoon, waarop de doodstraf stond wanneer men het de bezetter niet meldde. Vooral omdat het hier een Duitse jood betrof.”

 


Die twee maanden werden er ongeveer 26. Na de bevrijding leek alles heel soepel te zijn verlopen en kon men eigenlijk wel stellen: “Wij hebben ruim twee jaar een vriend te logeren gehad”. De prijs was laag, maar had evenwel onbetaalbaar hoog kunnen zijn. Ook hier is waarschijnlijk onbewust geaccepteerd wat anderen simpelweg vroegen. Na enkele dagen en waarschijnlijk slapeloze nachten, realiseerde men zich pas wat ze met deze beslissing op de hals hadden gehaald. Kleine kinderen die het zwijgen over de aanwezigheid moest worden opgelegd. Buren die geregeld over de vloer kwamen moesten geweerd worden of er moest een aannemelijk verhaal worden verzonnen. Besloten werd om dag en nacht de deuren van de boerderij afgesloten te houden zodat niemand zomaar naar binnen kon komen, iets wat op het platteland ongebruikelijk was. En toch moesten al deze maatregelen ook weer geen argwaan wekken. Hieruit bleek wel dat men het zichzelf niet gemakkelijk had gemaakt. Er moest natuurlijk ook een schuilplaats worden gecreëerd. Na langdurig beraad werd er in de slaapkamer, boven de kelderingang, een ruimte gemaakt met “krappe” afmetingen. Dat lukte aardig en deze bevond zich op “schilderij” hoogte. De toegang was met een kort laddertje dat tegen de wand werd geplaatst en door een kleine ingang achter een verplaatsbaar schilderij. Daar wrong hij zich doorheen en verdween hij. De ingang was wel erg klein om er eventueel snel door te kruipen en het schilderij, wat het gat moest afdekken erg groot. Althans zo leek het. Hier moest hij ‘s nachts bivakkeren. Was de kust veilig dan zette hij een paar steuntjes tussen de wand en het schilderstuk zodat hij toch nog een beetje frisse lucht kon happen. Bij onraad werden deze weggehaald en was het een normale wand dekoratie. Overdag verblijf  hij hoofdzakelijk in het voorhuis of stal en ‘s avonds bij donker wandelde hij ook wel buiten. Enkele keren zijn er Duitse militairen aan de deur geweest. Vrouw koers deed dan altijd open en nam ook dikwijls de kinderen mee om geen argwaan te scheppen. Er lag altijd een stukje boter of er stond een kannetje melk klaar, die ze zo kon pakken zodat ze alles bij de deur af kon handelen en ze de “bezoekers” niet naar binnen hoefde te laten. Want moest men eerst naar de kelder dan liepen gegarandeerd de moffen achter je aan. Of het verbeelding is geweest of realiteit laten we maar in het midden, maar men ontkwam niet aan de gedachte dat ze stuk voor stuk altijd recht en zeer priemend in de ogen werden gekeken om te zien of er ook een angstige blik aan aanwezig was. Maar argwaan werd er nooit gewekt. Gelukkig zijn er ook geen echte huiszoekingen geweest. Door het voor iedereen geheim te houden wist vrijwel niemand er iets van af. Alleen buurvrouw Bos, die er wel eens werkte, wist er van. Zelfs de kinderen hebben er tegen hun vriendjes en vriendinnetjes nooit iets over losgelaten.
Op het laatst van de oorlog kwam er ook nog een nicht uit Enschede. Omdat daar ook niet veel eten meer was. Vervolgens kwam er nog een meisje uit Delft bij, allemaal door de schaarste aan voedsel. En alsof het nog niet genoeg was kwam er ook nog tijdelijk een tante uit Oldebroek, vrouw v.d.Streek, die ook gezocht en opgepakt was door de bezetter, omdat ook deze familie in het ondergrondse verzet werkte. Maar daar ging het mis. Daar werden diep in de nacht enkele mensen gearresteerd en verzameld.
V.d.Streek zelf zei toen: “Ik ga eerst nog even de koeien melken”. Maar in werkelijkheid waarschuwde hij de andere verzet mensen. Deze verzamelden zich ijlings. Voorzien van de benodigde wapens beraamden zij een bevrijdingsplan. Toen de gearresteerden op transport werden gesteld en in de buurt van de voormalige melkfabriek reden werd de auto opgewacht en staande gehouden. In het daarop volgende vuurgevecht werden de gearresteerden bevrijd. Aan Duitse zijde vielen wel enkele slachtoffers. Ook vrouw van de Streek werd bevrijd. Toen was onderduiken het parool. De Fam. Koers was er wel weer goed voor. 
De orthodoxe jood was altijd niet even gemakkelijk in het gezinsleven in te passen.
‘s Zaterdags had hij Sabbat en de Zondag was voor hem een gewone dag. Ook eten was voor hem aan Joodse regels gebonden. En daar week hij zelfs ook onder deze moeilijke omstandigheden niet van af. Alles wat met varkens te maken had weigerde hij. Dikwijls keek hij bij de bereiding van het warme eten dan ook onder de deksel van de pan om te zien of er ook iets onder zat wat in strijd was met zijn geloof. Niet gemakkelijk in perioden van erge voedselschaarste. Ook van zijn Godsdienstige rituelen week hij niet af. Elke morgen beoefende hij zijn joodse gebeden. Gelukkig voor beide partijen is het allemaal bijzonder goed verlopen. Na de bevrijding was het nog even spannend. Hij was die avond ook naar Kampen geweest om het bevrijdingsfeest te vieren. Toen hij weer thuis was kwamen er gewapende personen aan het raam om informatie over een Duits sprekend persoon. Of ze misschien ook vernomen hadden of die zich bij hen in de boerderij had verborgen. Hierop werd door Koers ontkennend geantwoord. Maar men hield vol dat deze er toch moest zijn.
 De betrokken jood sprak met een Duits accent. Vermoedelijk heeft men gedacht aan een Duits militair die zijn uniform had verwisseld en probeerde onder te duiken voor de bevrijders. Toen ze maar bleven vragen en geen aanstalten maakten om te vertrekken wilde de jood zelf naar buiten gaan om informatie te verschaffen. Maar hij werd door vrouw Koers tegen gehouden. “Wij hebben jou nu zesentwintig maanden verborgen en nu zul jij de laatste avond nog risico’s  nemen, niks er van”. Te lange leste zijn de mannen vertrokken. Navraag bij de ondergrondse, de volgende dag, over dit voorval gaf ook geen duidelijkheid. Bij het verzet was er niets over bekend. Dit is nog steeds een onopgelost vraagstuk.
In de woonkamer van de familie Koers hangt een Delftsblauw bord aan de wand op schilderij- hoogte met het opschrift:

 

 

 

 

“VERBERG DE VERDREVENEN

 

&

 

VERMELD DE OMZWERVENDEN NIET”.

 

 

11 maart 1943-17 april 1945

 

 (Jesaja 3 :16.)

 















 

(Aangeboden uitdankbarheid)
No 6. 

 

 De Hongerwinter.

 

     

 

D

 

e laatste winter, beter bekend als de hongerwinter, kwamen vele Westerlingen naar het Oosten en Noorden om eten te halen. Dikwijls met heel gammel materiaal. Bijvoorbeeld: Fietsen die dienst deden als bagage karretje, menigmaal met houten of zonder banden, terwijl de eigenaars er naast liepen. Ook zag men veel kinderwagens of wat dat eens geweest waren, handkarren, enz., enz. Magere, futloze en uitgehongerde mensen, die met hun laatste energie en met de benodigde moed en inspanning nog trachten wat eten te bemachtigen. Dit alles onder barre winterse weersomstandigheden. Duwend over wegen die met dikke lagen sneeuw bedekt waren. Het sneeuwvrij maken was toen ook al een illusie. Temperaturen ver beneden het vriespunt. Kortom mensonwaardige toestanden. Een karakteristieke weergave van de mens in tijden van hongersnood. Rond de klok van elf uur in de morgen kwamen de eerste uitgehongerden al het erf op. Ze vroegen dan of ze het restant van de maaltijd van het boeren gezin( met alle mee-eters) mochten oppeuzelen. Ze namen dan plaats buiten onder het keukenraam, ( de brutaalsten) of op een minder in het oog springend plaatsje, (voor de meer bescheidenere typen) en wachten geduldig af. Zo nu en dan wierp er èèn een blik door het raam om te zien hoever men gevorderd was met de maaltijd en of er nog wat over bleef. Voor het etende gezin niet altijd even gezellig tafelen. Maar ook hieraan raakte men gewend. Hoewel,.... het laatste restje uit de pan eten en dan vertellen dat alles opgegeten was, durfde men toch ook weer niet. Dat was ook niet humaan. Wel moest men zorgen voor grotere porties middageten. Na de oorlog vertelde een bewoner van Kamperveen mij dat hij zichzelf er nog wel eens op betrapte dat hij eigenlijk toch nog wel meer had kunnen doen voor deze mensen. Maar we leefden allemaal in het onzekere en ook de etensvoorraden van de boeren waren niet onbeperkt. Er werd dan ook streng gecontroleerd wat de opbrengst was van de verbouwde producten en welk gedeelte er moest worden afgedragen. De akkers met producten als graan, erwten, paardebonen, kapucijners, enz. werden al op de stam getaxeerd wat zo ongeveer de opbrengst kon wezen. Na het binnen halen van de oogst, wanneer men wilde gaan dorsen moest dat vroegtijdig worden gemeld bij de P.B.H.. Dan kwam er een controleur die noteerde alle zakken op hun inhoud en gewicht. Clandestien wegwerken, daarvoor moest er geïmproviseerd worden. Een voorbeeld; de vrouw van de boer riep de man om te komen koffie drinken. (Koffie was er al lang niet meer, men kreeg wat aftreksel van iets met een bruin kleurtje. Alles smaakte, en de echte koffie smaak was toch al lang uit het geheugen verdwenen.) Zij zorgde er voor dat die zo heet was dat hij een hele tijd aan tafel bleef. En zo konden er dan enkele zakken achterover gedrukt worden. Zulk soort trucjes kwamen uit de trukendoos van menig Landbouwer. En van dat materiaal hadden ze heel veel in hun voorraad kast.

 

 

No: 7.

 

De trek vanuit het Westen.

           

 

B

 

ij K. Koers (Venendijk) hadden ze geen onderduikers omdat ze zelf al met drie jongens waren in de “gevaarlijke” leeftijd. Wel hadden ze een “evacué” uit het Westen. Annie Schaafsma.
Een man met een jong meisje kwam een keer op voedsel tocht bij de familie aan de deur. Nadat hij eerst om voedsel had gevraagd en gekregen en gedeeltelijk opgegeten, vertelde hij dat hij bij de N.S. werkte. Eén van de weinige bedrijven die nog actief waren  Daar had het vervoer voor de bezetter mee te maken. En na een kort gesprek waarin hij vertelde dat hij nog twee meisjes thuis had, kwam de aap uit de mouw. Nl. de vraag of hij zijn dochter niet achter kon laten om de oorlog te overleven. Na een kort overleg in het gezin knikten ze. “Die kan hier blijven”. Verder werd er niet over gesproken. Want vooral toen gold: .... “zwijgen is goud”.
Het was een flink meisje maar erg zwak en ondervoed. Na veertien dagen eten en buitenlucht was ze tien pond aangekomen. Omdat haar vader bij de spoorwegen werkte kwam ook hij nog wel eens naar zijn dochter omzien....... Maar tevens zorgde hij er voor dat hij ook wat te eten kreeg en mee kon nemen voor zijn overige gezinsleden. Men kon hem net zoveel voorzetten als men wilde maar de pan was altijd tot op de bodem toe leeg. Onverzadigbaar. Een zoon van boer Koers trouwde ook nog in de “hongerwinter”. Plattelandstraditie was een hoog item. Er moest iets georganiseerd worden dat de naam “bruiloft” kon wegdragen. De naam “feest” daar kon zoal een streep door worden gehaald. Men zocht het in de vorm van een extra warme maaltijd met genodigden. Maar het aantal “gangen” was beperkt. Een extra boerenmaaltijd werd de aanwezige gasten aangeboden. Men moest zich daar niet te veel van voorstellen.  Natuurlijk was daaronder ook de vader van het meisje. Alle overgebleven schaaltjes (maïzena)-pudding werden hem voorgezet. Die gingen er allemaal in als koek. Tot op de bodem toe leeg. Onbegrijpelijk.

Verder dient er vermeld te worden dat er  in Kamperveen heel veel gezinnen waren die een kind uit het “Westen” hadden. Velen van deze kinderen hebben tot de dag van vandaag nog contact met de voormalige gast gezinnen. Na vijftig jaar nog wederzijdse erkenning en waardering. Een voorbeeld van de zeer sterke verbondenheid.

 

 

 

                          
No: 8.

 

  Melkklanten.

 

           

 

N

 

aast de vele Westerlingen waren er natuurlijk ook mensen uit de naaste omgeving die wel het een en ander konden gebruiken. Melk-halers had iedere boer in overvloed. De een met een fles, een ander met een kannetje. Maar het gebeurde nogal eens dat ze op de terugweg werden aangehouden door Duitse militairen en die ontnamen hun de melk. Vindingrijkheid was geboden. Platte, enigszins rond met de vorm van de borstkas meegebogen kannen werden aan elkaar gesoldeerd en die droeg men dan op de huid onder de schamele kleren. Ook zo werd de bezetter om de tuin geleid. Weer anderen kwamen met een lege drankfles met een nauwe Bols opening. Ingieten van melk was erg moeilijk en morsen nog veel erger. Vindingrijk was hier: “De fles onderdompelen in de grote melkbus”. Maar pas gemolken melk bevat heel veel schuim en eenmaal in Kampen aangekomen bleek dan dat de fles niet meer dan voor driekwart gevuld was..... Iedere boer had zo uit zijn naaste omgeving ook zijn eigen klandizie. Niet alleen melk maar ook andere producten. Velen hadden ook een eigen akkertje waarop allerlei vruchten werden verbouwd voor eigen gebruik of om te ruilen. Zo hielp men elkaar zo goed mogelijk. Maar waar schaarste is, is ook (zwarte) handel. Deze tierde dan ook welig. Misbruik was dan ook schering en inslag. Maar “helaas” moest na de oorlog al het verdiende zwarte geld worden ingeleverd. Men ontving toen allemaal Fl. 10,--. Daarna werd gecontroleerd hoe men aan zijn of haar rijkdom was gekomen. Zat er een oorlogsluchtje aan dan kon men fluiten naar zijn centen.....

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                             
No: 9. 

 Posten.

           

 

T

 

egen het einde van de oorlog werden er veel mensen opgeroepen om de zo genoemde “eenmansgaten” te graven. In de berm van de Kamperstraatweg, ter weerszijden werd zo ongeveer om de acht meter een gat gegraven waar één persoon in kon. Deze schuilgaten waren bedoeld om zich in te dekken tegen vijandelijk geschut. In die tijd wemelde het soms van de Engelse Jagers in de lucht. Die schoten op alle transport wat men op de weg zag. Auto’s ( vracht en luxe) aangedreven door houtgas-generatoren, benzine was voor militair materiaal, werden dagelijks beschoten. En niet zelden vielen er doden en gewonden. Velen hadden dan ook een mannetje boven op de cabine of voorop het spatbord zitten die het luchtruim af tuurden en in de gaten hielden of er soms ook jagers in de buurt waren. Die konden dan de chauffeur tijdig waarschuwen en men stortte zich dan zo snel als maar mogelijk in zo’n gegraven gat. Maar de piloten vielen als haviken naar beneden en dikwijls was de waarschuwende man toch nog te laat. Er zijn ook duikvluchten uitgevoerd op landbouwers die met paard en wagen op het land aan het werk waren. Gelukkig voor diegenen zagen de geallieerde vliegers bijtijds wat ze onder schot hadden en drukten ze niet op de knop van het boordgeschut maar bleef het bij een waarschuwing.
Aan het gemaal van het waterschap Kamperveen aan de Noordwendigedijk was een overkapping gebouwd. Wanneer men in de buurt was en er waren jagers in de lucht dan zocht men daar nog wel eens dekking. Dan was men aan het oog onttrokken van de vliegers. Eenmaal echter had een piloot het door dat het een poldergemaal was en dat er zich mensen onder de luifel verscholen. Hij ondernam enkele duikvluchten, maar in plaats van een salvo af te vuren, gaf hij licht signalen. Iedereen vluchtte als hazen uit het leger. Bij de derde duik gaf hij een stoot vuur zodat het gemaal flink gehavend achterbleef. Daarna verdween hij.
Toen het op de Kamperstraatweg te erg werd, werden er lokale bewoners opgeroepen om te posten. Die moesten het luchtruim afzoeken naar vliegtuigen. Ze hadden een witte vlag aan een stok en daarmee moest men dan zwaaien en de berijders van de auto’s, het waren toen meestal al wagentjes met een paardje er voor, waarschuwen. Maar je vijand waarschuwen vond men niet zo leuk. En men wachtte zolang als het maar even kon voordat de vlag in de hoogte ging. Deze posten bevonden zich bij de “Spoorhuizen”, bij “H.Ruitenberg” en bij het “Tolhuisje”. Om toerbeurt werd men opgeroepen en men had twee uur dienst.
Een zeer gevaarlijk spel speelde de grotere jeugd nog wel eens. Kwam er een Duits leger voertuig aanrijden den keek men in de lucht en wees men met een vinger naar boven. Gelijktijdig stond, met knarsende remmen, de auto stil en alle inzittenden stoven als konijnen in de holen langs de weg. Dat vond de jeugd machtig mooi. Wanneer de inzittenden in de gaten kregen dat ze voor de mal werden gehouden, werden er fikse uitbranders, in plat Duits, uitgedeeld. Het commentaar was dan dat men een mooie vogel zag vliegen........

 

 

No: 10.  

 

Onderwater.

 

        

 

D

 

e laatste winter stond Kamperveen vrijwel geheel onderwater. Het Waterschap kreeg van de bezetter geen toestemming meer om het elektrisch gemaal te laten draaien. Elektriciteit was zeer schaars. Zo kwam het lage gedeelte van Kamperveen geleidelijk door regenval onder water te staan. Het laagste gedeelte van de Jules v. Hasseltweg werd toen over een groot gedeelte opgehoogd met bruggenplanken en palen zodat fietsers, voorzover ze er nog waren, evenals voetgangers er toch nog door konden. Paarden met karren liepen er gemakkelijk doorheen. Ook de schoolgaande kinderen konden er vrijwel altijd nog door. Een enkele keer lukte het om te spijbelen. Men vertelde dan dat het water zo hoog stond dat men natte voeten had gekregen ( de klompen even in het water dompelen) en maar weer naar huis was gegaan. De kunst was natuurlijk om de wollen sokken droog in de klompen te houden. Dat lukte lang niet altijd. Menigeen kwam met natte voeten in school. Dan moesten eerst de kousen bij de kachel worden gedroogd. Deze brandde ook niet meer zo hard, maar toch was er altijd brandstof. Dikwijls cokes van de gasfabriek, om de kachel gloeiende te houden en de lokalen enigszins op te warmen. Een ander probleem was het schoeisel  Iedereen droeg toen klompen en om slijtage tegen te gaan werd ervan alles onder gespijkerd. De een had er ijzeren plaatjes onder en een ander stukjes rubber van een oude autoband. Maar de roof van de klomp was het zwakste punt. Die brak er vrij geregeld af. Maar de schoolmeester, J.Scholten was een vakman op het gebied van klompen repareren.  Hij ging in het speeluurtje even snel eten en begon dan aan zijn dagelijkse klus in klompen reparatie. En hoe of de breuk ook was, hij werd gerepareerd.
 De school is vrijwel altijd open gebleven. Ook de kerk had met verwarmingsproblemen te kampen. In barre koude tijden werd er eenmaal dienst gehouden en dan meestal in de consistoriekamer. Er werden een aantal stoelen dicht en rondom te kachel gezet. Toch gaf dat ook een sfeer van verbondenheid. Ook werden er diverse onderwerpen doorgesproken die lang niet allemaal met de eredienst te maken hadden. De rit er naar toe was niet altijd eenvoudig. Toen de wegen en landerijen met sneeuw en ijs bedekt waren werden er arrensleden gemaakt. Het paard werd door smederij Visscher op scherp gezet en zo bezocht men, dik in de kleren omwikkeld met schapenwollen vachten, de kerkdiensten. Zo rond de jaarwisseling begon het bij stil en helder weer matig te vriezen. Zo hadden wij de mooiste ijsbaan die er in Kamperveen ooit geweest is. Van De Heuvels tot Zuideinde, en van de Venendijk tot aan het Zalkerbroek. Bij stralend weer op de schaats. Eerst naar De Voskuil waar een Engelse jager was neergestort. Vandaar naar alle uithoeken van de polder. Prachtige tochten. Overal zag men groepjes rijders. Even proefde men de vrijheid want de bezetter waagde zich niet op glad ijs. Verder was hazenjacht een machtige sport. Er waren er veel want er kon ook niet meer gejaagd worden. Op schaatsen er achter aan. Wanneer deze op glad ijs waren kon men ze vrij gemakkelijk inhalen, maar kregen ze vastere grond onder de lopers, in de vorm van stukken land die nog enigszins boven het ijs uitkwamen, dan waren zij aan de winnende hand en verdwenen ze naar hoger gelegen gebieden. Na enkele dagen viel evenwel de dooi in en was het weer gebeurd met de pret.



No: 11. 

 De Dompe.

 

           

 

D

 

e plaats waar de voormalige kerk van Kamperveen gestaan heeft, aan de Leidijk, is nog steeds te vinden. Daar ligt nog een begraafplaats die niet meer als zodanig in gebruik is. Het was een locatie op het eenzaamste punt van Kamperveen. Een karrespoor met vele kuilen en hobbels was de verbindingsweg. De oude Leidijk liep achter de Dompe, een honderd meter ten Noord-Oosten van de Gelderse Gracht, van De Heuvels naar het Zuideinde. In de winter vrijwel onbegaanbaar.  Niemand anders kwamen er dan landbouwers die er in de omgeving hun werk moesten doen en dan ook alleen nog in de zomermaanden. In de winter was dit stukje Kamperveen vrijwel onbereikbaar. Toen er op een gegeven moment, bij toeval iemand kwam, bleek dat er tussen de enkele grafstenen en de houten kruisjes in, gaten waren gegraven en weer dicht gemaakt.  Sporen van grafschennis? Althans dat was de conclusie. De realiteit kwam na de bevrijding. Tijdens een nachtelijke escapade met veel afleidings manoeuvres werden daar doelbewuste klussen afgewerkt. Op een avond zo rond een uur of zeven waren er plotseling laagvliegende vliegtuigen boven Kamperveen. Overal zag men lichtkogels en de hemel leek één groot vuurwerk. “Kamperveen brandde!”. Tot er plotseling in de buurt van de Hogeweg bommen vielen. Dat was iets zeer abnormaals. Omwonenden kregen te maken met paniek reacties. Een zeer angstig uurtje. Eén van de bommen ontplofte ruim honderd meter vanaf de Hogeweg in het weiland van Koers net achter de kolk met de huisbelt. Een enorme krater was het resultaat. Ook vielen er brandbommen en bommen die niet ontploften. Boeren die in de stal bezig waren met het verzorgen van hun vee zochten haastig dekking. Vrouwen die aardappelen zaten te schillen lieten alles over de grond rollen om maar zo snel mogelijk de kelder in te komen. Nadat men zich goed realiseerde wat er gebeurde was alles over en keerde de rust weer. Maat toch....... men vertrouwde niet alles.Toen het de volgende morgen licht werd ging men voorzichtig poolshoogte nemen. Een aldaar wonende landbouwer ging de volgende ochtend zogenaamd kievietseieren zoeken en keek eens om zich heen. Nadat hij enkele kraters van bommen had ontdekt vond hij ook enkele niet ontplofte bom trechters. Hij probeerde met zijn polsstok hoe diep de bom wel in het veen verdwenen was. Hij stootte net zolang tot hij de bom raakte. Gelukkig voor hem ontplofte deze niet.

 

Hieruit zie je hoe nonchalant men omsprong met oorlogstuig. Men dacht aanvankelijk nog aan een neergestorte bommenwerper, maar ook daarvan was geen sprake. Later bleek dat het uitwerpen van bommen een misleiding van de vijand was geweest. In de buurt van De Dompe had de ondergrondse een terreintje uitgezet met lichtfakkels die alleen van bovenaf  te zien waren. Enkele vliegtuigen hebben daar toen, op de vooraf afgesproken tijd, wapens gedropt voor het verzet. Men durfde ze evenwel niet gelijktijdig te vervoeren. De met wapens gevulde stalen kisten hebben ze toen begraven tussen de graven. Omdat de Duitsers schijnbaar toch lont roken wemelde het de volgende dagen van soldaten en alles werd nagezocht maar er werd niets verdachts gevonden. Maar toen Kamperveen onderwater raakte maakte men zich ongerust en werden ze in de nacht kist voor kist opgegraven en op transport gesteld naar elders. Ze werden op een sleepkar geladen met daarover mest, strooisel of slootgrond. Zo werden de wapens naar veiliger plaatsen vervoerd. Een van de laatste  transporten kreeg echter controle. De wapens werden gevonden en de twee begeleiders gearresteerd. Hierop stond maar één straf en wel de doodstraf. Dat realiseerde men zich heel goed. Dat was ook allang doorgesproken.  Dus elke mogelijkheid.............Tijdens het verhoor van de twee op het politie bureau te Kampen: “Wij keken elkaar aan draaiden ons om en zo snel als onze benen ons konden voortbewegen vlogen wij het bureau uit”. Zigzaggend door de Voorstraat, richting Bovenkerk. Een regen van pistoolschoten volgde en de kogels vlogen als hagel stenen om ons heen. De eerste de beste zijstraat in en via het plantsoen richting de Maten. Toen de nacht begon begaven zij zich naar een toevallige boerderij aan De Zande. Klopten aan en vroegen heel rustig of ze de nacht mochten doorbrengen in het hooi in de stal. Dit werd goed gevonden onder voorwaarde dat ze hun persoonsbewijzen afgaven. De volgende morgen vroeg voor het licht werd zijn ze vertrokken. En daarmee was de kous af. Enkele maanden na de bevrijding kwamen ze weer langs en vertelden hun verhaal. De boer antwoordde: Als ik dat geweten had dan had ik jullie in plaats van op de deel in het onderduikers hol laten slapen. Maar ze zeiden: Toen jullie naar bed waren zijn we  helemaal diep onder het hooi
gekropen en toen hebben we geprobeerd om wat te slapen. Maar gelukkig is alles goed afgelopen.

U

No: 12.

De RAF.

 

 

 

QQ

 

QQ

 

E

 

en fascinerend gezicht waren de grote formaties bommenwerpers die over Kamperveen vlogen. Men zag ze vanuit het Westen aan de horizon verschijnen om te verdwijnen aan de Oostelijke horizon. Honderden, alle in groepen van vier, acht, twaalf of zestien. Waren er b.v. drie, dan was er al één afgevallen. Verongelukt of neergehaald. Een formatie van b.v. acht  R.A.F Lancasters werd na een aantal minuten vervolgt door de volgende. De eerste was nog niet uit het oog verdwenen of de volgende diende zich aan en de daaropvolgende zag men bij helder weer ook al. Het waren alle twee of vier motorige toestellen. Het indrukwekkende, uitzonderlijke geluid wat al die zware vliegtuig motoren voortbrachten, die de zwaar afgeladen toestellen naar de vijand moesten brengen, is op papier niet te weerleggen. Een machtige indruk heeft het achter gelaten op diegenen die dit hebben meegemaakt. Het mooiste (???????),.... gezicht leverde het plaatje wanneer ze vlogen bij heldere blauwe lucht, terwijl de grond bedekt was met sneeuw. De reflectie van het zonlicht verlichtte de onderkant van de toestellen en ze trokken dan ook vrijwel altijd kraakheldere witte condensstrepen. Als diep glanzende, tot in de puntjes opgepoetste zilveren vogels, gracieus en vredig trokken ze over Kamperveen. Ter begeleiding rondom de eskaders de snelle eenmotorige jagers in grote ronde cirkelvormige en duikelende  bewegingen als kievieten boven de polder.  Als maar spiedend naar vijandelijke jagers die probeerden om er enkele tussen uit te schieten. Enkele malen zijn ook boven Kamperveen lucht gevechten geweest. Dat was wel erg beangstigend. Maar het neerstorten van toestellen was gelukkig dikwijls net buiten ons gebied. Bij de Zwolse IJsselbrug stond een afweer geschut. Zo gauw ze de toestellen onder schot kregen werd er flink op los geknald. Er werden vier granaten tegelijk afgevuurd. Zeer duidelijk zag men dan rondom, of soms zeer dichtbij de vliegtuigen, vier zwarte wolkjes. Dat waren de vier tegelijk ontploffende granaten. Na enkele minuten de volgende vier. Meestal waren deze al wat dichter bij de toestellen. Op de grond hoorde men enkele minuten later vier korte knallen. En weer wat later het fluiten van de neervallende granaatscherven om je heen. Het was dan duidelijk om zo snel mogelijk ergens onder te gaan staan. Na afloop gingen kinderen dan granaatscherven zoeken. Meestal op de wegen. Op het land waren ze onvindbaar. Op de terugtocht van de bombardementsvlucht naar de Duitse doelen  waren er nogal wat toestellen die met problemen te kampen hadden. Dat waren solo vluchten en voor de bemanning verre van prettige momenten. Een of meerdere motoren waren er dan uitgevallen of andere mankementen tengevolge van afweervuur gaven deze problemen. Ze verloren dan vrij snel hoogte en vlogen onbeschermd. Ze moesten zich met hun eigen boordwapens verdedigen. De eerste Engelse, begeleidende Jagers, waren dan allang weer terug op hun basis, ten gevolge van brandstof gebrek, terwijl de volgende, aflossende groep, er nog niet was of de in moeilijkheden verkerende vliegtuigen niet konden ontdekken. Dikwijls waren ze dan ook een prooi voor de Duitse jagers. Er waren ook veel nacht vluchten. Dat was onprettig. Men hoorde alleen de monotone resonerende muziek van alle vliegtuigmotoren. Alles voorafgegaan door de loeiende sirenes van het Kamper luchtalarm. Vanuit de verte aanzwellend geluid tot.... hoe dicht kwamen ze bij?, ....... het in de verte verdween. Maar er waren ook die uit de formatie raakten en solo vluchten uitvoerden. En de jagers vlogen soms erg laag. Waren het Duitse of Engelse? Omdat de Duitse jagers ver in de minderheid waren en bij daglicht weinig kans maakten waren ze vooral ‘s nachts actief. Menig bommenwerper werd zo uit de lucht gehaald. Je hoorde dan ook wel luchtgevechten, maar kreeg geen inzicht. Er kon er natuurlijk zo maar een neerstorten. Je wist dat maar nooit. Aan het geluid werd getaxeerd wat en waar zich alles afspeelde. Maar niemand ging buiten kijken.Ter verdediging wierpen de R.A.F machines slierten zilverpapier af. Deze dwarrelde langzaam naar beneden. De Duitse radar werd hierdoor behoorlijk in de war gestuurd.
 Op het laatst waren er de bombardementsvluchten met de Zwolse IJsselbruggen als doelwit. Toen ging het leuke er echt af. In verhouding vrij laag kwamen de formaties aanvliegen richting IJsselbruggen, vooral de spoorbrug, om vervolgens hun bommenlast af te werpen en dan met een grote boog om te keren richting thuisbasis. De terug vlucht verliep via het luchtruim van Kamperveen. Deze vluchten kregen te maken met zwaar luchtafweer geschut dat bij de bruggen was opgesteld. Dat ging door tot de vliegtuigen al lang Kamperveen hadden verlaten. Het regende dan granaatscherven, en het was zaak om dan binnen te blijven. De Engelse piloten hadden veel  respect voor de Duitse afweer. Voordat ze boven de brug waren keerden ze al. De meeste projectielen vielen dan ook binnen de draaicirkel. Velen plonsden in de IJssel en een voltreffer hebben de bruggen dan ook niet onklaar kunnen maken. Wel kregen vele woonhuizen in de buurt nogal wat schade.

 

 

 


No: 13. 

 

 De V-1 / V-2

 

( Het geheime wapen van de Fuhrer.)

           

 

O

 

ok Kamperveen was getuige van de Duitse raketten die naar de Engelse stad  Londen werden afgevuurd om daar hun vernietigende werking uit te voeren. Bij helder weer zag je aan de Oostelijke horizon de lancering. Deze vond plaatst in de omgeving van Hellendoorn. Daar bevond zich o.a. ook een lanceerbasis. Een raket met een enorme rookpluim steeg dan op. Klom naar grote hoogte en zette koers in Westelijke richting. Daarna hoorde men ook het diepe gerommel van de branders van de raket motoren. Diverse raketten gingen ook over Kamperveen. Al waren ze vrijwel niet met het blote oog waar te nemen. Maar er waren veel afzwaaiers. Het besturingssysteem stond nog in de kinderschoenen en er haperde nogal eens wat, met als gevolg dat op diverse plaatsen er eentje neerstortte en daar verderf aanrichtte. Ze waren nog niet operationeel, maar de tijd drong. Het waren stuiptrekkingen van een leger dat alles inzette wat enigszins mogelijk was. Verdere hinder heeft Kamperveen er niet van ondervonden.

 

               ¯
No: 14. 

 

 Verduisteren.

 

     

 

T

 

oen het offensieve van de Duitse Wehrmacht begon te veranderen in een defensieve, kwamen er ook steeds meer maatregelen. Zo moest ‘s avonds en ‘s nachts alles verduisterd worden. Van buiten af mocht er geen enkel licht te zien zijn in de huizen en de boerderijen. Dat was makkelijker gezegd dan uitgevoerd. Ook blinderings materiaal was bijzonder moeilijk te verkrijgen. Huizen met grote en stallen met vele ramen gaven nogal de nodige problemen. En het moest elke avond weer worden aangebracht en ‘s morgens weer verwijderd worden. Daardoor ontstond er vrij snel slijtage en werd het onbruikbaar. Provisorisch werden er allerlei vindingen gedaan. Woningen met luiken hadden het niet zo moeilijk. Maar de vele stalraampjes dat gaf dikwijls problemen. Een pluspunt was de Wattage van de gebruikte lampen. Ter wille van het stroomverbruik werden de kleinst mogelijke lampjes gebruikt en werden alleen maar die ruimtes verlicht waar dat echt nodig was. Auto’s en fietsen moesten ook vrijwel zonder licht door de avond en nacht. Spleetplaatjes voor de koplamp die naar alle zijden moesten worden afgeschermd behalve naar beneden. Ten laatste kwam ook de elektriciteit voorziening in de problemen. Burger woningen werden het eerst afgesneden en daarna werden de boerderijen op rantsoen gesteld. Men kreeg nl. stroom op bepaalde uren. B.v. om het vee te verzorgen.
Allerlei noodvoorziening werden uit de kast gehaald.  Maar ook dat was niet zo eenvoudig,. Er was geen kaars of  petroleum meer te vinden. Allerlei soorten olie werd gebruikt, zoals slaolie met een drijvertje, met er doorheen een lontje dat een walmend vlammetje liet zien. De laatste vinding was een scheermesje met aan beide zijden een stukje kurk om op te drijven en in het middelste gaatje een lontje dat brandde. Het geheel dreef in een schaaltje met olie. Vele spookbeelden vertoonden zich zo op het behang of op de muur. Ook werden er wel fietsen op een standaard vervaardigd en in de kamer gezet. De dynamo moest zorgen voor een lichtpuntje in de duisternis. Om beurten moesten de huisgenoten een tijdje home-fietsen. Maar zelfs de rijwiellampjes waren op het laatst niet meer te verkrijgen. En zo verdwenen geleidelijk de laatste lichtpuntjes letterlijk en figuurlijk uit de samenleving.
Ook kende men de avond klok. Iedereen moest ‘s avonds om 20.00 uur binnen zijn en blijven. Als men nu bedenkt dat er naast de zomertijd van een uur ook nog eens 40 minuten bij werden gedaan dan is het wel duidelijk dat men eigenlijk al om zes uur de kamer moest opzoeken. Midden in de zomer gaf dat nogal eens aanleiding tot burgerlijke ongehoorzaamheid. Men maakte dan een zitje b.v. midden in een veld koren of achter struikgewas zodat men vanaf de openbare weg onzichtbaar was. Maar buurten ging dan heel erg moeilijk. De enigste afleiding was dan een spelletje, want werkzaamheden kon men zich ook niet permitteren. Maar op den duur went men aan alles.

 

z
No: 15.  

 

Benzine tanks.

 

 

D

 

e Engelse Jagers, meestal Spitfire’s, hadden niet zo’n heel groot vliegbereik. Hun actie radius was beperkt. Ze waren op snelheid en wendbaarheid gebouwd. Om dit probleem te ondervangen namen ze eerst één of twee afwerpbare reserve brandstoftanks mee. Ze hadden dan een veel groter vliegbereik. Voor ze boven het vaste land van Europa aankwamen en ook verderop leverde dit meestal weinig problemen op. Een nadeel was natuurlijk de zeer sterk afgenomen topsnelheid, de wendbaarheid en het snel klimmen naar grotere hoogtes. Kwam men vrij vlug in contact met de vijand dan werden de tanks afgeworpen. En natuurlijk ook als ze leeg waren. Boven Kamperveen viel er dan ook nogal eens eentje naar beneden. Het waren zeer geliefde voorwerpen bij de jeugd. Men kon er namelijk leuke bootjes van maken. Deze werden dan als kano gebruikt. En veel jongelui dobberden er mee op het water. Ander spel materiaal was er ook niet meer. Zag men er eentje vallen dan rende men er naar toe om hem als eerste in te pikken. Ook zat er dikwijls nog een restje benzine in die goed van pas kwam. Op een avond viel er eentje naar beneden en kwam terecht op het toen zo genoemde “Iesselkampien”, een terrein wat nu van de militairen aan  De Zande is. Iedereen er naar toe. Toen er al vrij veel belangstellenden rondom de ingedeukte tank stonden stak een van de aanwezigen een lucifer aan. Een enorme vuurzee was het gevolg en velen stonden in lichterlaaie. Grote paniek en consternatie. Een van de kinderen van P.Esselink van de  Venendijk, Gerrit, een broertje van Jan Esselink van de Nieuwbouw, moest met ernstige brandwonden worden overgebracht naar het ziekenhuis in Kampen. Maar eerst moest er iemand naar huis om een paard uit de wei te halen en vervolgens inspannen voor de brik. Samen met zijn moeder is hij toen door buurman Koers weg gebracht. Helaas waren de verwondingen zo ernstig dat hij later is overleden. Een van de weinige slachtoffers in Kamperveen van de oorlog. Maar wel ééntje te veel.

 

 

 

 

 

 

¥
No: 16.  

De berichtgeving.

 

           

 

D

 

e berichtgeving van de kranten die door de bezetter werden gecensureerd bestond in hoofdzaak uit propagandistische informatie. Daarom werd er naar andere wegen gezocht. De ondergrondse drukte zeer in het geheim infoblaadjes, zoals bv.“STRIJDEND NEDERLAND” en deze werden doorgesluisd naar 100 % betrouwbare personen. Zo gingen ze van buurman naar buurman. Dan bleef men een klein beetje met de situatie op de hoogte. Maar ook dit ging wel eens een keertje mis. Het waren vooral de vrouwen en meisjes die koerierdienst hadden. Ook de melkhalende klanten brachten ze mee vanuit de stad. Zeker niet zonder gevaar. Verder werden  er vanuit Engelse vliegtuigen pamfletten afgeworpen,
“De Vliegende Hollander”, met nieuws van de overzijde van de Noordzee. Vooral op het platteland werden ze door boeren  veel gevonden. En ook deze werden na lezing weer door gegeven. Verder was er “Radio-Oranje”, Een Hollandse zender die vanuit Londen uitzond. Eerst tijdens de opmars van de Duitse troepen was het luisteren hierna een niet al te groot probleem. Maar naarmate het Duitse leger meer klappen te incasseren kreeg en dat via Radio Oranje de ether werd ingestuurd, vonden ze dat niet leuk meer. Alle radio’s moesten toen worden ingeleverd. Voor De Zande was dat bij J.v.Rechteren, de veevoederhandelaar. Deze had evenwel nog een oude bedstee en daar werden ze onderin gezet. Zijn buurman, timmerman Lans, metselde er en halfsteens muurtje voor. En zo was alles heel goed afgedekt. Toen ze de toestellen van hogerhand kwamen halen, gaf hij een paar heel oude en onbruikbare apparaten, die hij er buiten had gehouden, mee. Na de oorlog kregen de eigenaren hun Radio zeer snel terug. Uiteraard waren er ook die hem niet hadden ingeleverd. Een andere buurman had dat ook niet gedaan. Deze had hem verstopt in een oud vleeshok, naast de schoorsteen, op de zolder. De uitzendingen waren meestentijds ‘s avonds. Als er stroom was dan kwamen er nog één of twee luisteraars en gezamenlijk doken ze dan het rookhok in om te luisteren. Het was echt luisteren want het geluid moest zo zacht worden afgesteld dat men er met open mond bovenop zat. De dochter ging dan altijd een avond wandelingetje maken op de dijk. Echter, ze lette alleen maar op of er ook onraad aanwezig was. Ze seinde dit dan door naar haar moeder, die voor het raam zat te breien en die gaf weer een seintje naar het rookhok. Na de uitzending kwamen ze als gerookte achterbouten de trap weer af.
Ook waren er die een heel oude radio van iemand uit de stad “kochten” voor een paar pondjes boter. Die werd dan ingeleverd. En de eigen verdween dan spoorloos. Een vertelde mij dat ze de radio in een kist hadden gedaan en onderin de hooiberg hadden neergezet. Met de bedoeling deze er zo lang te laten tot de bevrijding werkelijkheid was. Bij het binnenhalen van het hooi werd de berg geheel vol gemaakt en de radio stond onderin. Maar toen de koeien naar stal gingen, herfst ‘44, waren we nog niet bevrijd. Toen moest er een hooigat, een soort koker om het hooi in te deponeren voor de koeien, gestoken worden  van boven naar beneden. Men kwam toen precies uit boven de kist. Maar de radio moest toen weer verborgen worden. Het apparaat verdween toen naar de zolder van de stroschuur. Daar werd hij aangesloten. Wilde men luisteren dan moesten er halsbrekende toeren worden uitgevoerd om de plaats te bereiken. Zwart van het stof en de spinraggen kwam men weer tevoorschijn met het laatste nieuws vanuit Londen. Maar het gebeurde ook wel eens dat hij niet te ontvangen was omdat hij door de bezetter gestoord werd. Temeer omdat er ook gecodeerde berichten mee werden uitgezonden voor het Hollandse verzet. Die kregen zo informatie over allerlei spionage aktivieteiten.

 

 

 

 

 

 

 


No: 17.

 

Plaatselijke bureau houder.

 

 

D

 

eze was gevestigd aan de Hogeweg in de boerderij van K.v.d.Scheer. Die bekleedde ook deze functie. Er was een kantoor ingericht voor in de schuur in een voormalig dieren hok. Naarmate de bezetting langer duurde kwamen er steeds meer medewerkers. De plaatselijke bureauhouder was de eerste schakel tussen de boeren en de zogenaamde overheid. Van daaruit kwam de berichtgeving naar de landbouwers en omgekeerd moesten de boeren alle transacties daar melden. Het was een heel moeilijke baan. Het tussen de klippen door sturen zonder vast te lopen was niet eenvoudig. Enerzijds was er de bezetter die enorme druk uitoefende om alles in haar voordeel te laten verlopen, anderzijds waren er de landbouwers die zo gunstig mogelijk uit de wedstrijd wilden komen. De P.B.H. van Kamperveen is dit uitstekend gelukt.

 

 

 

 

 


 

 

No: 18.

 

Levensmiddelen

M

 

elk hadden de veeboeren voldoende. En met melk of melkproducten was er ook nog wel het één en ander te koop. Zoals kleding, of koffie en niet te vergeten lucifers. Zelfkarnen leverde boter en karnemelk en daar was veel behoefte aan. Met een pondje boter was meer te koop dan met een stapel papiergeld. De waarde daarvan was op het laatst afgezakt tot ongeveer nul. Karnemelk werd gebruikt voor menselijke en dierlijke consumptie. Karnemelkse pap was op het platteland een veel gebruikt product. Samen met bruine bonen of kapucijners was het goed voedzaam. Maar karnen van melk was streng verboden en menig boer is daarop betrapt. Dan was men de boter kwijt en tevens het karnapparaat. Dat laatste werd verzegeld. En een fikse boete tot besluit. Maar papier geld speelde een ondergeschikte rol. Natuurlijk moest er wel zo snel mogelijk een nieuwe karnstaf worden gemaakt. Karnen was een vrij langdurig werkje en redelijk vermoeiend. Het was dan ook dikwijls een klus voor de semi-onderduikers. Toen de voedsel situatie nog verergerde bakte iedereen zijn eigen brood van inlandse tarwe. Dat ging met de toen voorradige hulpmiddelen nog redelijk goed. Ook roggebrood van eigen oogst, was goed bak en eetbaar. Veel gesjoemeld werd er met schapenwol. Truien, sokken en dekens werden er van gemaakt. Er waren enkelen die zelf redelijk goed wol konden spinnen. Hoewel het eindproduct niet altijd even strak was. Het gebeurde dat er heel dikke brei-pennen werden gebruikt omdat er anders geen trui te voorschijn kwam. Die zelf niet de kunst van het spinnen verstonden moesten het door anderen laten doen. Men bracht een partij mooie wol en verwachtte ongeveer zoveel knotten terug. Maar de schatting bleek altijd te hoog. Ook de kleur en kwaliteit was wel eens afwijkend. Maar omdat  alles clandestien gebeurde hielden alle partijen hun mond.Vlees was ook een naam waarbij je het water in de mond kreeg. Kippen, varkens, kalveren en schapen, waren de dieren die het meest clandestien werden geslacht. Men moest natuurlijk altijd opgeven hoeveel biggen een zeug geworpen had. Men kreeg bezoek van een controleur die ze dan blikte, maar  voordien moesten er tijdelijk enkele dieren verdwijnen. Maar de controleur liet ook wel eens op zich wachten. De biggetjes konden niet zo lang zonder de moedermelk. Als de kust dan even veilig was pakte men de kleintjes om ze zo snel mogelijk even te laten drinken bij de moeder en dan weer weg er mee. Wanneer ze wat groter waren werden ze definitief afgezonderd en opgemest met karnemelk, graanmeel of kleine(kriel) gekookte aardappelen. Wanneer ze dan slachtrijp waren kwam het spannendste. De schietpatronen had de slager allemaal al verschoten en een varken kan een verschrikkelijke keel opzetten die tot ver in de omtrek hoorbaar is. Uiteindelijk kwam de bak en braadworst toch in de pan. Familie vrienden en kennissen mochten er ook een stukje van proeven. Omdat er toen nog geen diepvriezers waren moest het vlees worden ingezouten en gerookt. “Pekelvlees” had zo zijn eigen smaak. Nadat er geslacht was werd er uitgebeend. Daarna ging het vlees laag voor laag in een grote houten vleeston. Er werd een wit stuk linnen op de bodem gelegd. Daarop kwam het vlees. Laag voor laag werd er ingelegd met een behoorlijke dosis zout er tussen. Dit om bederf te voorkomen. Dan werd het linnen aan de bovenzijde over het vlees gelegd en bezwaard met heel zware keien. Naarmate de oorlog langer duurde werd ook het zout steeds schaarser. Er volgde dan ook een levendige handel in zout. Op het laatst werd alles voor keukenzout verkocht al leek het dikwijls meer op kunstmest.
Zo geleidelijk aan kwamen de schaarste producten op de bon. Tegen inlevering van deze bonnen bij de winkelier kon men dan het product kopen. De gezinnen op platteland en vooral de agrarische, hadden nog wel eens bonnen over omdat ze diverse van die gerantsoeneerde producten zelf hadden. Er waren verzet strijders die op vaste dagen b.v. eens per maand langs kwamen om die bonnen te halen. Die werden dan weer afgegeven bij die gezinnen die onderduikers hadden, want daaraan werden natuurlijk geen bonkaarten verstrekt. En zo was er een netwerk van allerlei diensten. Ook Kamperveen draaide daarin volop mee. Op het Zuideinde en de Hogeweg waren relatief veel onderduikers. Daar lagen de woningen vrij eenzaam in de polder en onraad zag men al van verre aankomen. Daar waren niet veel bonnen over. Maar aan De Zande en omgeving waren wel bonnen over.  Een niet Kampervener, nl. Adjudant Mulder van de politie uit Kampen, maakte zich ook sterk op dit gebied. Geregeld kwam hij bij vele boerderijen en nam de overtollige bonnetjes mee voor de onderduikers. Maar helaas enkele dagen voor de bevrijding werd hij op de Zwolse IJsselbrug opgepakt en alsnog gefusilleerd.

 

De goede sigaar, sigaret en shag waren steeds moeilijker te bemachtigen. Daarom werden er tabaksplanten geplant. Die wilden in Holland redelijk goed ontwikkelen. Alleen de kwaliteit was aanmerkelijk minder. De echte rokers hadden overal op hun erfje enkele planten staan. Wanneer deze rijp waren werden de bladen eraf gehaald en gedroogd. Dan werden ze weer bevochtigd en moesten ze broeien. Broeien onder een hoop paardenmest gaf het lekkerste aroma. De gebr. Bredewoud waren echte rokers en kauwers. En meesters in het verwerken van tabak tot shag. Daarvoor  hadden ze een vernuftig apparaatje ontwikkeld dat hele mooie shag kon snijden. Nadat de tabaksbladen de benodigde vochtigheidsgraad hadden, rolde men deze op tot een dikke worst en schoof men deze in het apparaat.  Dan draaide men met een slinger een schijf rond waaraan twee messen waren bevestigd, net zoals bij de slager worst wordt gesneden, en verkreeg men plakjes tabak. Deze moesten dan met de hand worden gerold tot bollen en de mooiste shag kwam te voorschijn. Maar vloeitjes waren er ook niet meer en allerlei soort papier werd gebruikt om er sigaretjes in te rollen. Ook verschenen er allerlei apparaatjes op de markt om sigaretten in te draaien. Sommige werkten perfect andere lieten het al snel afweten.
  Kampen kende voor de oorlog heel veel sigarenmakers. Maar deze werkers kwamen ook zonder grondstoffen te zitten. Landbouwers met tabaksplanten nodigden dan nog wel eens een bejaard sigarenmakertje uit om van inlandse tabak een bolknak te maken. Ze kwamen dan een dagje op de boerderij met hun vormen en persen. Vakkundig en tot grote verbazing van de jeugd werden er sigaartjes vervaardigd. Het waren evenwel sigaren die je beslist van het roken af hielpen. Nu na vijftig jaar liggen er bij enkele bewoners nog doosjes met “oorlogjes” in een kast ergens op zolder.
Naast tabakshandel hadden de gebr. Bredewout ook een rijwiel handel. Deze was door de ontstane situatie geleidelijk omgezet in een lekke banden winkel. Tientallen banden per dag moesten er op het laatst geplakt worden. Het plakmiddel solutie was ook niet meer te verkrijgen. Toen werd ook dat zelf gemaakt. Een potje benzol met daarin spekzolen van schoenen en dat enkele weken laten oplossen. Gezinnen die nog oude spekzolen onder de pantoffels hadden waren dan ook welkom met hun product. Er werd geplakt en gelapt. Op het laatst was de binnenband meer lapjes dan band en men bleef pompen. Maar hoe het ook ging: De gebr. zorgden dat er gefietst kon worden!.
Brandstof was op het laatst ook zeer moeilijk te krijgen. Steenkool, was het  product wat het eerst verdween. Turf daarentegen werd door enkele schippers nog vrij lang bezorgd aan de loswal. Wanneer J.d.Vries met zijn schip afmeerde was het een komen en gaan van wagens om turf te laden. Lange turf, korte en baggeraars. Hij had klandizie over geheel Kamperveen. Een beperkte voorraad had hij nog in de schuur aan de wal. Velen hadden brandstof op voorraad. Maar de laatste winter was hout toch het hoofd product. Met droog en nat hout werd de kachel gestookt. Fornuizen waren er om het eten op te koken. Dit waren echte houtbranders. Over het algemeen betekende het dat alles wat de naam hout droeg geleidelijk aan verdween. Ook droog hout werd zelfs zeer schaars, al woonde men in Kamperveen met zijn vele knotwilgen en andere bomen.

 

 


 

No:  19.

 

Patrouille

 

 

 

I

 

n ‘44/45 werd er door de bezetter met een patrouille boot regelmatig op de IJssel gecontroleerd. Het was voor hun geen geheim dat er in de nacht tussen Wilsum en Kamperveen regelmatig met een roeibootje werd gevaren. Personen in het verzet of andere illegaliteit, werden van de ene oever naar de ander gebracht. Via contact adressen wederzijds werden ze dan weer door gestuurd. Ze kregen nooit meer dan één adres en altijd  op het allerlaatste moment bij het uitstappen van de roeiboot. En natuurlijk niet op een stukje papier. Mochten ze worden opgepakt dan behoefden ze nimmer een papiertje weg te moffelen. Het gebeurde vrijwel altijd met ruw en onstuimig weer en natuurlijk in de nacht bij donkere maan. Zover bekend zijn ze nooit gesnapt. Overdag lag deze marineboot het laatste half jaar altijd afgemeerd aan de loswal bij de toenmalige landbouwschuur van de coöperatie (Bondschuur). Ook de maaltijden van de bemanning waren niet meer wat het geweest was.. Diverse mensen in de nabijheid misten ‘s morgens dan ook nog wel eens een kippetje uit hun hokje. Eerst kregen bunzingen de schuld. Maar spelende kinderen ontdekten een keer dat er enkele geslachte kippen in de stuurhut hingen. Een van de gedupeerden heeft toen op de toegangsdeur een zeer zwaar stuk steen neergelegd. Zo gauw de deur werd geopend smakte deze naar beneden. De volgende morgen lag de steen op de grond, maar geen bezetter of kippedief. Ook alle kippen waren er nog en er is er ook nooit meer een vermist.

 

No: 20.

Het bevrijdingsfeest.

 

 

 

N

 

atuurlijk werd er ook in Kamperveen een bevrijdingsfeest georganiseerd. Na vijf jaar bezetting moest er een uiting van vreugde worden gelanceerd. En wat is er nu mooier dan een echt volksfeest in de openlucht. Spelen en spelletjes voor jong en oud, zodat iedereen aan zijn trekken komt.  Door jaren opgespaarde energie werkte iedereen spontaan mee. Natuurlijk waren die hulpmiddelen in vergelijking met een halve eeuw later, zeer primitief. Maar dat deerde niemand en kon de pret niet drukken. Alleen het feit dat men vrij rond kon lopen en vrijuit met elkaar kon praten over allerlei onderwerpen en gebeurtenissen waren al voldoende. Ook het bij elkaar zijn, weer eens onderons, dat gaf het feest zijn persoonlijke smaak en karakter. Als locatie was de voormalige boomgaard van de Fam. Roetman aan De Zande uitgekozen.  Het plekje waar nu de zogenoemde nieuwbouwwoningen staan. Midden voor het café. Het gehele programma werd gemaakt met eigen hulpmiddelen. Van provisorische verlichting  tot het serveren van consumptie. Iedereen zegde spontaan zijn medewerking toe. Alle talenten van Kamperveen werden gekoppeld en zo werd er een middag en avond echt feest gevierd. Oud Hollandse spelletjes van ringsteken tot stoelendans. Men kon zich na jaren weer eens met elkaar meten, want er was een nieuwe generatie aan toegevoegd. Ringsteken met paard en dresseerkar. Stoelendans op het losse boerenwerkpaard . In een grote kring rijdend rondom de fictieve stoelen, lees: melkbussen!, waarvan er altijd één minder was dan “ruiters”. Touwtrekken, gekostumeerd voetbal., ja overal en voor iedereen was er wel iets te ondernemen. De prijzen waren simpel en voorzien van de eer van de overwinning. Een feest wat de generatie die het heeft mee gemaakt alleen maar wat zegt. Die sfeer en die uitbundigheid  van dat bevrijdingsfeest komt waarschijnlijk hooguit eenmalig in een mensenleven voor.......