Kamperveen

  Ontstaan der nederzettingen.

 

 

Nederzettingen of woonconcentraties ontstonden veelal het allereerst op natuurlijke plaatsen die zich, naar de toen geldende maatstaven, zich daarvoor bij uitstek leenden. Een aantal woningen beter gezegd bedrijfjes, ook wel kotjes genoemd, werden niet zelden bij- en aaneen gebouwd. Daarvoor werden hoger gelegen en goed dragende zanderige gronden opgezocht. Deze natuurlijke hoogten werden Campervener “Bärgen” genoemd. Deze keuze werd gemaakt om elkaar bij te staan in voor- en tegenspoed. Hun keuze viel niet zelden op voormalige rivierduinen die al wat beklonken waren. Hun optrekjes bevonden zich deels ondergronds. Alles spitste zich toe op bescherming tegen hoog water en men was vanzelfsprekend ook gesteld op droge voeten. Deze zogenaamde kotjes werden met eigen middelen en natuurlijke materialen vervaardigd. Dat beperkte zich in die periode tot enkele houten palen. De wanden werden meestal gemaakt van twijgen en besmeerd met leemhoudende grond. Het produkt hout, was in ruime mate voorradig. Riet was er ook voldoende en daarvan werden ook wel de wanden gemaakt. De daken werden ook gedekt met riet. Andere natuurlijke materialen waren biezen, plaggen, mos en bladeren  Alles weer met elkaar verbonden met twijgen en indien voorradig afgedicht met mest.

 

De eerste anderhalve eeuw, tot rond het jaar 1300 was Kamperveen redelijk bewoonbaar zonder bedijking langs de Zuiderzeekust. Na dat jaartal kreeg men steeds meer te kampen met de stormvloeden vanuit de Zuiderzee. Men schreef dit toe aan het wijder worden van de zeegaten tussen de Wadden  en de geleidelijke stijging van de zeespiegel. Daarvoor had men alleen met het stroomwater van de IJssel  te doen. In 1357 kreeg Kamperveen enige bescherming vanuit zee door het leggen van de Oosterwolder zeedijk

 

Maar het Venne werd steeds meer een speelbal der natuur. “Omme noetz wil der see”. Weggespoelde of zwaar beschadigde nederzettingen werden vrijwel nooit weer op dezelfde plaats herbouwd. Na elke stormvloed of overstroming ontstonden er weer nieuwe ‘Bargen’. Er verdwenen en er ontstonden weer nieuwe waterpartijen. De bewoners lieten hun erfgrond voor wat het was en stichten weer nieuwe  buurtjes. Zo leefde men de eerste eeuwen. Permanente woon oorden waren er nauwelijks, dat was een vrijwel onbekend fenomeen. Wie het ene jaar hier zijn woonstede had groef zijn hol het jaar daarop weer op een andere plek. Campervenne bestond de eerste eeuw(en) uit zogenoemde ‘wandelende’ nederzettingen. Het duurde dan ook enkele eeuwen voor de eerste, wat definitievere oorden ontstonden. Uit oude stukken blijkt dat er in 1277 al enkele zeer ‘oude’ kades moeten zijn geweest. Vermoedelijk ophogingen rondom een paar plaatselijke erfjes. De eerste bewoners hadden zich alleen te beschermen tegen overvloedig IJsselwater. Hiervoor werd een verhoging aangelegd tussen de Roskam en de Schans. De zogenaamde Winterkae, later Hogeweg geheten.

 

 

.Enkele woningconcentraties vond men aan De Leidijk, De heuvels, De Hoogeweg, Zuideinde. En wat later: De Spijkerboer, De Venendijk, De Koelucht en De Zande.

 

Ook het gebied van de Hollanderakkers was toen al bewoond.