Kamperveen

 Nederlands naar Kamperveens Dialect.

 

 

 

 

Aangeschoten (drank) = Kacheleg.

Aangeschoten = Teut.

Aansmeren = Ankatsen.

Aardig gelukt = Rooien.

Achter iemands rug overleggen = Konkelefoezen.

Achterstellen. = Ofschöttelen.

Afbekken = Ofdöppen.

Afbeulen = Mättelen.

Afdingen = Knibbelen.

Afgetobde vrouw = Slove.

Afnemen = Inlakseren.

Afschepen van een kind = Wiesneuzenzolt.

Afval = Old voel.

Alleen = Alleneg.

Allegaartje = Mikmak.

Alles in de war = Wiertrupien.

Alles wat je weet vertellen = Uutkraomen.

Altijd alles nazoeken. = Schumerd

Andere einde = Genne einde.

Andere kant  = Genne kante.

Anders dan normaal = Elvendärttigst.

Apart = Ampärt.

Apart mens = Apsnoete.

Armoedig = Arremetierig.

Avond = Aomp.

 

 

Babbelende vrouw = Teutebelle.

Bah. Gaddärrie.

Balorig = Antammeg.

Bangerd = Scheitert

Bangerik = Scheithuus.

Bastaard vloek = Snotverdore.

Bastaard vloek = Vedikkemien.

Bastaard vloek = Vedullemien.

Bebroed ei = Voel.

Bebroed ei wat onvruchtbaar is = Voel.

Bed in en uit = Kranewaken

Bedelaar = Schooier.

Bedorven ei = Schier.

Bedriegen = Verneuken.

Begraafplaats = Bottenäckker.

Bekwaam  Kundeg.

Bemoeial = Oorneuze.

Benen met O stand = Takse benen.

Benen met O stand = Taksepoten.

Berisping = Roffel.

Beroerd = Lamlendig.

Beslist niet doen = Verknuppen.

Bespieden = (Be)Loeren

Betnemen = Bezeiken.

Betoeterd = Bemieterd

Betrappen = Mad. (Over t’mad komen).

Bezem van twijgen = Gäddebessem.

Bezit van vastgoed = Spul.

Bij de tijd = Schrander.

Bijkans = Bi’jkans

Bijna = Lieverlee.

Bijna = Zo metiene.

Bijster = Biester.

Bleek = Pips.

Bleek gezicht = Bescheten.

Bleken. = Blieken.

Bloedvergiftiging = Vrange.

Boodschap = Bosschop.

Boomstam net boeven de grond = Stobbe.

Boos = Hellig.

Bot = Stomp.

Boterham = Brökkien.

Boterham = Brökkien.

Bouwval = Braoke.

Bretel = Upzele.

Broeds = Bröts.

Broeds = Bröts.

Broeierig weer = Zokkereg.

Broek = Bokse.

Brood = Stoete.

Brood kast = Spinde.

Brouwen = Bri’jen.

Brouwen = Bri’jen.

Brutaal = Strabant.

Brutaalachtig = Stre-bant.

Buikpijn = Balgzeerte.

Buil = Bult.

Buitenstaander = Verscheuvelink.

Bult = Poeste.

Daglicht = Klaorlicht.

Del = Lellebel.

Derde = dädde.

Deugniet = Vlärke.

Deurslot. Nauw. Strak. Schaars Weinig = Krap.

Die persoon.= Ummesien.

Diepe snee in huis = Jaap.

Dierlijk vet = Smolt.

Dijkje = Wange.

Dik voorwerp = Poemel.

Dikke buik = Kuutboek.

Dikke buik = Pens.

Dikke kont = Stoete.

Dikke vlek = Klodder.

Ding = Spul.

Diverse Plaatsen = Meerdewegges.

Dolen = Zwärven.

Dolende ideeën =Dwaallichien

Domkop (Scheldwoord) = Zwil-ässens.

Domme vergissing = Flater.

Doodmoe = Bek-of.

Doorzeuren = Ribbezakken.

Dorst = Zoep.

Draai om de oren = Zinkzoese.

Drassig land = Soppig

Drie Maand = Vördel jaors.

Driekwart verstandelijk = Drieklezoer.

Driftig = Nieds.

Drijvende plantengroei = Zodde. (zudde)

Drinkebroer = Zoepert

Drinkebroer = Zoeplappe.

Druk jong iemand = Wierbössel.

Drukken met geluid op de W.C. = Stennen.

Duikelen = Toeselen.

Dunne paardenstaart = Pielstät.

Duw met de vuist = Stomp.

Dweil = Veile.

Eelt = Zwil.

Een dutje doen. = Tukken.

Een scheut = Gutse.

Eentonig = Dreun.

Eerste vocht voor het kalven in speen = Taoi nat.

Eigenwijs = Egengereid.

Elkaar = Menander.

Elkander = Mekäre.

Envelop = Konvöttien.

Erg = Lebendeg.

Ergens = äns.

Eten = Bikkesement

Even geleden = Vanlaast.

Flets = Pips.

 

Forse = Optater.

 

Forse klap = Oplewaai.

Froemelen. = Toeksen.

Gat in weg = Knipgat.

Gebaren = Meneuvels.

Gebrekkig = Mankeliek.

Gebroken = Verguppen.

Gedoe = Rompslomp.

Gedresseerd = Touws.

Gedrongen persoon = Pröppien.

Geehonger = Teeuwsegheid.

Geen onderhoud = Verslodderen.

Gehemelte = Gaogel.

Geiriteerde huis = Spreu (bv. door winter kou.)

Gek doend = Malle.

Geld verdrinken aan alcohol = Verzoepen.

Gelijk (vlak) = Lieks.

Gemakkelijk = Zinnig.( bv. mak paard)

Genoeg = Zat.

Gepelde gerst = Pällegäste.

Geprikkeld = Nöstereg.

Geschild eikenhout van +/- 25 cm. = Talolt.

Geslepen persoon = Smiesterd.

Gestadig veel drinken = Pumpelen.

Gevaar = Gevoor.

Gevangenis = Spinhok.

Gevangenis = Spinhuus.

Geweer = Spuite.

Geweld maken. = Rammenten.

Gierig = Schrapereg.

Gierigaard = Kniepkeutel.

Ginds = Gänder.

Ginds = Ginder.

Glijbaan = Slierbaan.

Glijden = Slieren

Gluren = Koekeloeren.

Gluren = Loeren.

Goed opgepast = Zute.

Graag thuis = Uushenne.

Grappenmaker = Schalkie.

Gras = Grös.

Graszode = Zooie.

Gril = Nukke.

Groot (stuk) = Brokke.

Groot = Bakbeest.

Groot beest = Pie-oter.

Groot iemand = Gofferd.

Groot stuk = Brokke.

Groot stuk = Hompe.

Grote neus = Kokkerd.

Haarkammen = Reien.

Haasje over = Piejee.

Haasten = Reppen.

Hachelig = Neteleg.

Handschoen = Anse.

Hard rennen = Véteren.

Hard rennen = Viezelen.

Hard rijden = Sjezen.

Heeft wrok op = Pikkien op.

Heet (b.v. Pap) = Glunig.

Helemaal niet = Väste vätte.

Hergens = Näns.

Het weer zit er in = Podde.

Hetzelfde = Allies.

Hielenlikker = Strooplikker.

Hooi in schip laden = Skepen.

Horloge = Allozie.

Houterig persoon = Sunte Klaos.

Huid. Vel. = Oed.

Huilen = Bleren.

Huilen = Janken.

Huilen = Krieten.

Huilen = Reren.

Hij = Ummes.

Iemand die lang blijft = Plakplätien.

Iemand die veel schreit = Reerbek.

Iets zonder waarde = Strontdink.

Ijspegel = Iespiepe.

Ik heb het gered = Tek e red.

Immers = Ummes.

In de haren vliegen = Pluk-oorn.

In de War = Wiere.

In t’wier hebben = Wier.

Jachtgeweer = Piepe.

Jager = Wildvank.

Jan en alleman = Jan Boezeroen.

Jenever = Jajum.

Jij. = Ieje.

Jullie = Oelloe.

Kade = Wange.

Kakken = Poepen.

Kalm = Zuties.

Kapot = Na de mieter.

Kerkhof = Kösters kämpien.

Keuken = Geute.

Kieskeurig = Sikkeneurig.

Kiespijn = Koezenzeerte.

Kietelen = Kielen.

Kietelen = Kriewelen.

Kind = Wicht.

Kind op de knie heen en weer bewegen = Jujjen.

Klaarspelen = Klaoren.

Klaarspelen = Rooien.

Klagerig = Piepereg.

Klein bedrijfje = Gedoegien.

Klein beetje = Fietsien.

Klein beetje = Ietsein.

Klein beetje = Likkien.

Klein beetje = Nuffien.

Klein beetje = Pietsien.

Klein boeren bedrijfje = Spullegien.

Klein gaatje = Gagien.

Klein kind  = Snotneuze.

Kleine zonde = Pekelzunde.

Kletsen = Leuteren.

Kletsen = Teuten.

Kletskous = Lulla.

Kletsmajoor = Lullekak.

Kletsmeier = Prötertien.

Knauw = Knooi.

Knecht jong = Böl.

Knoeien = Smousen.

Knoeier = Krummelkonte.

Koekje = (Maal) Möppien

Koemest. = Stront.

Kolenwiek = Wieke.

Komende (week) = Toeken.

Kooi = Kouwe.

Koord = Strink.

Koppig = Stiems.

Korst op een wond = Rove.

Kortademig = äggen.

 

Kortaf = Kötof.

Kortbij = Kötbi’j.

Koud = Fiesterig.

Koud aanvoelend weer = Griedereg.

Koud vuur (ziekte) = Vrange.

Kouwelijk = Hubberig.

Kouwelijk = Rozig.

Krachtterm = Bländer.

Krachtterm = Bliksteen.

Kreng = Tange.

Kreunen = Poesen.

Kreupelen. = Ompelen.

Kruipen = Kroepen.

Kruis van een broek = Skrit.

Kuif = Toefte.

Kuil = Koele.

Kullig gedoe = Gestuntel.

Kus = Smok.

Kwast = Lapzwanze

Kwijlen = Zeveren.

Land = Landeri’je

Langzamerhand = Alleisie.

Langzamerhand = Toevedan.

Last (ergens last van) = Bongel.

Lastig mens = Krenge.

Lastige zaak = Peseel.

Lawaaierig = Windbule.

Leep = Uut e slaopen.

Lenig = Smao.

Lichaam = Mieter.

Lisdodde = Toestebolte.

Loeien = Bölken.

Loge vrouwelijk. = Spinster.

Logeren = Lozjieren.

Logeren = Spinnen.

Logeren = Spinnen.

Lomperd = Bullebak.

Lomperd = Bullebak.

Lomperik = Stoetäspel.

Los meisje = Gaaie.

Lurken = Lörken.

Mager = Klapholt.

Mager slank persoon = Sprikke

Mals = Sam.
Uitroep van verbazing. = Sammenappes.

Mals = Smeuig.

Mals = Zoutachtig van smaak.

Mankement = Euvel.

Materiaal pech = Mankement.

Meerderjarig = Munteg.

Meisje = Magien.

Mengelmoes = Poespas.

Met twee benen tegelijk naar voren springen. = Tuksen.

Midden (b.v. in de nacht) = Holst.

Middag = Mirreg

Minder allooi =Schorremot.

Moe = Muu.

Moedermelk = Zog.

Moeilijk = Toer.

Broeierig = Moekereg.

Moment = Eventies.

Mond = Smoel.

Mond = Snater.

Mooi slank = Schier.

Morgenvroeg = Mönnenvrog.

Morsen = Slabben.

Morszak = Sleuterkonte.

Motregen = Mi(e)ggelen.

Naamloos voorwerp = Dink.

Naar beneden = Umdale.

Naar iemand = Zeikerd.

Naar uitzien. = Verspikken.

Nadoen = Nao-Apen

Nageboorte koe = Voel.

Nasnuffelen. = Schumen.

Nat geregend hooi = Soppe.

Nat rommeltje = Soppe.

Natte zooi = Sjoekse.

Nauwelijks = Amper.

Nazoeken = Schumen.

 

Neen schudden = Schuddekoppen.

Neer = Dale.

Neervallen = Kwaksen.

Neervallen = Smaksen.

Nestelen = Nösselen.

Niet Kreupel = Rad.

Niet meer weten waar je het gelaten hebt. = Verklongelen.

Nietzo = äggiesniet.

Nog veel te doen = Verhapstukken.

Om en om = Ummenan.

Oma = Opoe.

Omkeren = Ummetrekken.

Ondeugend = Weergates.

Ondeugend oud wijf = Tange.

Ondeugende knaap = Bengel.

Ongekleed = Siernakend.

Ongelukje = Akkefietien.

Ongeveer = Bekant

Ongeveer = Dier voege.

Ongeveer = Ummenan.

Ongeveer als. = Umsgelieks

Ongewassen kleren dragen. = Verslonzen.

Onhandige meisje = Lempe.

Onstuimig = Roebollig.

Onstuimig weer. = Uistereg.

Onvolledig afwerken = Foemelen.

Onweersbui = Schoer.

Onwillig paard = Steeks.

Oorveeg = Zinkzoese.

Op het randje = Neuver.

Op hoge benen lopen = Stiefelen.

Opa = Grovva.

Opdoffer = Dreun.

Opgewonden = Ruj.

Opoe = Bessien.

Opruimen = Reddag.

Opschieten = Allä.

Opschieten = Pootan.

Opschieten = Voordemaken.

Opstopper = Opmieter.

Opstuiken = (Op)Stoeken.

Opwinden = Opreien

Opzien (tegen op zien) = Boomsheugte.

Oud, Versleten. = Rabbat.

Oude man = Knärsterd.

Overdadig = Plumpse.

Overdadig.gespannen. = Etsig

Overgeven = Spi’jen.

Overmatig dik = Zobberig.

Overstuur laten gaan = Verguppen.

Overvloedig = Vulte

Paard inspannen = Spännen.

Paard wat achteruit moet = Troe.

Paartje = Stellegien.

Pak slaag op lichaam = Mieter.

Pantoffel. = Slof.

Pauze = Schöft.

Pech = Meleur.

Petroleum stel = Petreuliestellegien.

Pias = Kwibus.

Pijn = Smätte

Pijn scheut = Steek.

Pijnigen = Mättelen.

Pijnlijk = Creperen.

Pijntje = Zeerte.

Pijntje = Zerigheid.

Plassen = Miechen.

Plassen = Miegen.

Plassen = Snisteren.

Plassen = Zeiken.

Plens = Kwak.

Ploert = Schoft.

Plotseling uitgaan(van vuur of licht) = Uutfloepen.

Plotselinge vluchtpoging = Raom.

Poep = Keutel.

Poetslap = todde.

Poosje = Schöffien.

Poosje = Steugien.

Portemonnee  = Knippe.

Portie = Pössie.

Praatjes (Smoesjes) = Babbelegoessies.

Prakkiseren = Prakkezaosie

Precies = Krek.

Prul = Lor.

Punt = Tumpe.

Raar heerschap = Kwibus.

Rap afmaken = Ofraffelen.

Rap drinken = Ruj.

Rennen = Giespelen.

Riet of stro bossen 104 stuks = Vimme.

Rillerig = Ubbereg.

Roep aan de  deur = Vollek.

Roken = Smoken.

Rol hooi op het land = Zwil.

Rommel = Mikmak.

Rommel = Snipsnaorderi’je.

Rommel = Uutschot.

Rommelen = Klongelen.

Rommelig = Geharrewär.

Rond dakhout = Spore.

Rookvlees = Nagelolt.

Ruineren = Verinneweren

Ruineren = Vertesteweren.

Rukken = Roppen.

Rustig = Koem.

Ruw = Roe.

Ruw weer = Uustereg.

Ruwe plank = Schobbe.

Sabbelen = Zabben.

Schaars = Beteun.

Schaatsen = Schazenlopen.

Schaatsen = Scheuvelen.

Schamen = Sjeneren.

Schatten = Ramen.

Schatten = Roezelen.

Schatting = Takse.

Scheef = Schel.

Scheef = Schiev.

Scheef en schots = Schiks.

Schelden = Rachelen.

Schemerig = Tweedonker.

Scheut = Kwak.

Schier ei = Kloeken.

Schoorsteen = Schöstien.

Schort = Slonde. Ook wel Slont.

Schouderham. = Schinke

Schram = Krabbe.

Schreeuwen = Galpen.

Schreeuwer = Reerbek.

Schreeuwlelijk. = Schreewlillek.

Schreien = Bölken. Reren.

Schudden = Usselen.

Schuim = Broes.

Schuim = Broes.

Schuim = Schuum.

Schurkachtig = Schobbejak.

Seinlap = Skiw.

 

Sisser =  Snisterd.

 

Slecht bereid eten = Gesluns.

Slecht goedje = Bocht.

Slecht weer = Beuze.

Slenteren = Sjoksen.

Slim. = Venemsteg.

Slingeren = Slingerpaole. (Kinderspel)

Sloom persoon = Zokke.

Sloot = Worst.

Slordervos = Zeugemotte.

Slordig iemand = Sloddervos.

Sluimeren = Doesteren.

Slurpen. = Slörpen.

Smeerlaag = Därg.

Smeerlap = Poesterd.

Smeerzak = Smeerpoetse.

Smerig lapje = Dodde.

Smerig zootje = Prutse.

Snee, lange in huid. = Japse.

Sneer = Schampscheut.

Sneetje brood =  Plässien.

Snel (b.v. lopen) = Glunig.

Snel = Rad.

Sneller = Anfiedelen.

Snert = Snät

Snoep = Steek.

Snoepen = Snaaien.

Snor = Snorre.

Snorren (van poes) = Spinnen.

Sommigen = Welen.

Soms = Enkeld.

Soort hoed = Steek.

Spannen = Koe spannen.

Spannen = Strak trekken.

Spännen. = Kamt er op aan.

Speeksel = Kwalster.

Speen = Päppe.

Speen = Tukke.

Spektakel = Geheister.

Spekzwoerd = Spekzwöre.

Spelen = Speulen.

Spenen nat maken. = Reien.

Spleet in rok = Krasgat.

Spoeden = Reppen.

Spreeuw = Sprao of schetter.

Spreeuw = Sprao.

Spuug = Spi’je.

Steek onder water = Schimpen.

Ster = Steern.

Stevig Stappen = Gank.

Stiekem = Bekupen

Stiekem = Onderdoems.

Stiekem = Stillegies.

Stok waaraan worst hangt = Spit.

Stollen = Stelten.

Stomheid = Bedoesd.

Stoppelbaard = Stöppelboord of Stekelboord.

Stort regen = Goezen.

Strak = Strage.

Straks = Tammee. ( Temmee).

Stralingspijn = We-e zeerte.

Stralingspijn bij ogen = Zinkens.

Strot =  Sloekerd.

Stuurs = Stoers.

Suffig persoon = Soeze

Sukkel of slakkengang = Andrieten.

Sul = Wammes.

 

Susa = Rompslomp.

 

Tabaksvocht van een kauwer. =Tebaksspi’je.

Talrijk = Bult.

Tante = Meuje.

 

Taxeren. = Ramen.

Te keer gaan = Heisteren.

Teef = Toeke.

Tegendraads zijn = Krange.

Telkens = Iederbod.

Tepel = Titte.

Terughoudend = Schreukel.

Terughoudend = Sjaks.

Teut = Lulderig.

Tijdens het lopen de voeten niet opbeuren. = Sloffe.

Trogge = Zomp.

Uitdenken = Uutfeneren.

Uitrekenen = Uutsieferen.

Uwe = Oende.

Vaatdoek = Tafel todde.

Vaatdoek = Wasseldoek.

Vader = Va.

Vader = vaar.

Vallen = Toemelen.

Vast vuil = Podde.

Veel / Buil = Bult.

Veel = Bässend.

Veel = Boel.

Veel = Bonke.

Veel = Kladde.

Veel = Kwak.

Veel = Zwik.

Veel is = Pietse.

Veel klein spul = Wemelen.

Veel te veel = Vuus te veule.

Veerpont = Scholde.

Vel = Falie.

Velerlei = Veulerlei.

Ver weg = Wiedweg.

Verbeelding = Vebélege.

Verbijsterd = Stom.

Verbleken = Verblikken.

Verbleken van kleuren = Verschieten.

Verbouwereerd = Veraldereerd.

Verdenken = Vrakschouwen.

Verdrinken = Verzoepen .

Vergeetachtigheid = Dummelig.

Verklapper = Klikspaon.

Verklaren = Uutduun.

Verkouden = Snotterig.

Verkouden = Vekollen.

Verlangen = Smätte.

Verprutsen = Verpoeren.

Verschimmelen. = Verspochten.

Verschrikkelijk = Allebässend.

Verslavend (iets) = Anzuuten.

Verslepen = Todden.

Verstand = Snugger.

Verte = Värte.

Verte = Veerte.

Vervelend jongetje = Strontjonk.

Verward = Foekse.

Verzwikken = Verstoeken.

Vies = Voel.

Viesachtig = Poedeleg.

Viezerik = Gasterd.

Vijf = Vufe.

Vleien = Paaien.

Vleier = Kontelikker.

Vleier. = Strooplikker.

Vlek = Klodder.

Vleugel = Vlärke.

Vlies = Vluus.

Vlotjes = Schieliek.

Voedsel = Vreteri’je.

Vogels = Veugelties.

Voor de grap = Poedelegrap. Of  poelegrap.

Vooruit = Vut. (bv. paard)

Vorderen = Affeseren.

Vouw = Volde.

Vreemd iemand = Patjakker.

Vreemd iemand = Sjappie.

Vreemd mens = Mestrieksel.

Vrolijk leven = Bollezoeren.

Vrouw = Wief.

Vrouw van lichte zeden = Slette.

Vrouwelijke wol spinster. = Spinster.

Vuurtje opstoken = Oprakelen.

W.C = Scheithuus.

W.C. – Husien.

W.C. = Secreet

W.C. buiten = Usien. (túsien)

Waaghals = Waoghals.

Waagstuk = Waogwärk.

Wachtend heen en weer lopen = Schilderen.

Warme borstrok = Wullegien.

Wat winst = Snoepstuver.

Waterige koffie = Slempe.

Week (zacht) = Wieke

Weekzerig = Wiekzereg.

Weggaan = Ophoepelen.

Weggaan = Vutgaon.

Wegjagen = Ofjacht.

Wegsturen = Oplazeren.

Weinig = Prikkien.

Welke = Wafveuriene.

Welke? = Oekende?

Welke? = Waffende?

Wglopen = Drossen.

Wichien = Klein meisje.

Wij = Wielluu.

Wijze van lopen = Gank.

Wild = Roebollig.

Wind = Scheet. Dreed.

Witkadetje = Plässien.

Wonderlijk = Merakels.

Woonkeuken = Ukien.

Wrang zuur = Kreuze.

Wreef van een klomp = Rove.

Wrevelig = Saggereinig.

Wroeten = Vruten.

Zaagsel = Zagemaal.

Zaaien = Zeien.

Zachtaardig persoon = Sloffe.

Zak (papier) = Buul.

Zakgeld = Snoepstuver.

Zakhorloge = Zakallozie.

Zakje = Buul.

Zaniken = Leuteren.

Zeef = Zi-j’je.

Zeer gering = Olek.

Zeis op scherpen = Spit

Zenuwen = Zemels.

Zeurderig = Sikkeneurig.

Zeuren = Zanikken.

Zeurpiet = Klepzeikert

Zeurpiet = Zeurzak.

Zeurpiet = Zeurzokke.

Ziekelijk (beetje) = Sloerig.

Ziekelijk voelen.=  Lammenareg.

Zijdeur = Ziedeure.

Zo af en toe. = Wel-ies.

Zo met een = Sträkkies.

Zoek maken = Verdummelen.

Zoeken = Zuken.

Zootje = Zeugien.

Zout (smaak ) = Brem.

Zuigen = Zoegen.

Zurig = Tamper.

Zuur gezicht = Proele.

Zuurbranden.= Zoerbranden.

Zuurpruim = Zoerproeme.

Zwoerd = Zwil.