Kamperveen

 Kolken.

 

 

            Kolken,  of in het huidige Nederlands ook wel ‘wielen’ genoemd, zijn vrijwel alle ontstaan door natuurlijke omstandigheden. Veelal het gevolg van dijkdoorbraken ten gevolge van extreme overstromingen en of stormvloeden. De beruchte “Allerheiligenvloed” van 1570, waarbij vele dijken het begaven heeft naast veel materiele schade ook nogal wat kolken achter gelaten. Deze enorme spoelgaten in de voormalige dijklichamen waren zo diep dat men bij de herstelwerkzaamheden vrijwel altijd een nieuw stuk dijk legde in een halve cirkel rondom de ontstane ‘kolk’. Vrijwel altijd over het uitgespoelde zand.

 

In de loop der eeuwen ontstonden er steeds weer nieuwe en andere groeiden geleidelijk weer helemaal dicht en werden tenslotte opgevuld met slootbagger tot bruikbaar land. De buurtschap ‘De Roskam’ , een van nature hoge en vaste zandplek, werd omgeven door talloze kolken. De Brouwketel was daarvan nogal intrek bij vissers. De Noordwendige-dijk kreeg in de loop van de eeuwen een steeds meer slingerende vorm als gevolg van diverse doorbraken en herstelwerkzaamheden. Ook de Spijkerboersweg was hiervan een prachtig voorbeeld. Uitzonderlijk waren de kolken welke ontstonden in de Venendijk. Ze lagen op de grens van het grondgebied van Campervenne en Wilsum. Na het ontstaan van de stroomgaten werd de dijkbreuk  weer hersteld met een grote boog rondom de kolk. De keuze viel altijd over Wilsemer grondgebied en nooit andersom. Zo pikte Campervenne steeds weer een stukje Wilsemer bezit in.

 

 

 

 

Vrijwel alle kolken kregen  vroeger of later ook  veldnamen. Zo kende men aan de Venendijk de Boerrichter kolk, de Koerskolk, de Bloaze kolk, Het hondegat, Op de Kolken, Oenerkolkje, Schipperskolk en de Kniepekolk; verder waren er de Meulekolk, De Brouwketel, De autokolk en aan de Spijkerboer de Zwanekolk.

 

Ook de Hoogeweg heeft in de loop der eeuwen deze erfstukken nagelaten De meeste ervan liggen tussen de Roskam en de huidige kerk.  Eèn ligt er evenwel tussen de kerk en de Wittensteinse Allee aan de Hogeweg. De z.g. "Tutenbergse" kolk. De "Tutenbergse" kolk is èèn van de weinige kolken waar in de nabijheid geen boerderijen of woningen stonden. De Hogeweg op zich was vanaf de kerk tot aan  Wittenstein  van weinig betekenis voor doorgaand verkeer. Het was een verhoogde kade met daarover een pad waar men te paard, of met paard en kar over kon. Meestal naar de aanliggende percelen land.

 

 

De "Tutenberg" was een vrij ruime kolk met in het midden een diepte van vijfentwintig voet. De vrij diepe waterplas was langs de kanten omgeven door heel veel moerasachtig wortelend gewas, welke oppervlakkig groeide. Verder tierde het dichte struikgewas er welig en stonden er een aantal hoge bomen. Het drassige en veerkrachtige moeras bestond uit een drijvende laag van verstrengelde riet en andere plantenwortels. Een zogenaamde "Zudde" (plaatselijke uitdrukking. Officieel: trilveen). Liep men er over heen dan zakte men in een komvormige holte, een heel eind naar beneden. Danste men op de maat van de golflengte dan veroorzaakte dat een golvend effect. Hoe verder men zich naar het centrum begaf, de plek met open water, hoe dunner de bewortelling  werd. Op bepaalde plaatsen waren de begroeiingen erg iel en zakte men er gemakkelijk doorheen. Het was dan een hele toer om de bengelende benen omhoog te werken en weer voldoende draagvlak  onder de voeten te krijgen. In vroege middeleeuwen toen er nog mysterieuze figuren ronddoolden stond dit stukje Campervenne bekend om zijn volksverhalen met spookachtige bijsmaken. Wanneer de schemering over de polder viel waren het alleen de zeer heldhaftigen die zich in de nabijheid durfden te begeven. De doorsnee bewoner mijdde deze geheimzinnige plek. Die enkeling die er in het schemerdonker toch langs kwam keek argwanend op zij en spurte als een rendier om zich zo snel mogelijk van deze geheimzinnige plek te verwijderen maar zag vanuit zijn ooghoeken vrijwel altijd wel iets onverklaarbaars, iets mystieks. Het was een plek die velen mijden. De sterkste verhalen deden dan ook de ronde. Vooral tijdens het buurten in de wintermaanden bij koud en winderig weer. Dan kwamen de verhalen goed los. Als zes van de acht brandende kaarsjes waren opgebrand en de twee overige de nodige schimmige schijnbeelden op de behangloze muur versterkt projecteerden, kwamen de eerste verhalen. Als de ‘ziel’ in de bodem van de fles zijn hoofd boven het restant van de wijn uitstak dan werd het pas echt gezellig. Het ene op smaak gemaakte verhaal volgde het andere op. Omdat ook het houtvuur overging van branden naar gloeien schoof men de  voeten er zo dicht mogelijk naar toe. Hoe warmer deze werden, hoe meer geuren de tenen verspreiden en hoe kruideriger de verhalen werden.

 

Diverse keren is door de geslachten heen het  volgende doorverteld aan een opvolgend geslacht. Menig boeiend verteller verhaalde de volgende mythe.

 

 

Lees verder: De Tutenberg kolk.