Kamperveen

 Kermis

 

 

(Kärmse) op ’t Vene.

 

 

Eeuwen lang werd jaarlijks op 16 augustus Campervenner Kärmse (kermis) gevierd. Nadat het religieuze leven zich meer en meer ontplooide en zichtbare vormen begon aan te nemen, schaarden de inheemse bewoners zich wekelijks bijeen rondom het altaar binnen het kerkje aan de Leidijk. Een nog jeugdig pastor was het, die in zijn nog jonge loopbaan, de bewoners opriep om naast de vele godsdienstige bijeenkomsten ook jaarlijks één dag in augustus naar kerk eb omgeving te komen om alle ondraaglijke tobberijen en ontilbare lasten van zich af te werpen. Alle bijeen geraapte leed en droefenis van zijn onderdanigen, wat elk weekeinde weer op zijn kraakheldere pij werd uitgestort, was voor hem een loden last; daar moest wat  op gevonden worden Een dag van volledige ontspanning tussen alle andere gespannen dagen van zwoegen, zweten en lijden leek hem een waardige en zinvolle onderbreking. Iedere bewoner kon lang van tevoren daar na toe leven om op de dag zelf alle dagelijkse beslommeringen van zich af te schudden en…om er vervolgens nog maanden lang op te kunnen teren. Zo groeide 16 augustus uit tot een jaarlijks gebeuren die alle bewoners van het  ’t Venne, zomogelijk, aantrok. Na verloop van jaren groeide deze gebeurtenis uit van een simpel spelletjes gebeuren tot een echte kermis met haar typische kenmerkende gebeurtenissen. Waar veel mensen bijeen zijn, wordt ook nering naar toe gezogen en zo probeerde een ieder op zijn eigen wijze daar op velerlei manieren een korreltje graan mee te pikken.

 

 

Jaarlijks kwamen er steeds meer veen vreemde en grijze zwerfvogels naar de druk bezochte Camperveense Kermis. Hier en daar vertoonden deze sjacheraars een sterk opvallend en fel oplichtend, kleurrijk veertje  tussen hun verentooi. Deze specifieke schakering deed hen terstond opvallen tussen al die sobere en voddig geklede inheemse lieden. Zo probeerden Lapjespoepen (personen die in hun mandje op de rug waar proberen aan de man te brengen.) de bezoekers met een vrolijke babbel te overtuigen hun handel te kopen en de Pluimgraaf (jachtopziener) zijn wiltvank (gevogelte) aan de “veenlude” te slijten. Zo werd door menig sjappie het vuur onder het armetierige volkje, wat jaarlijks nogal eens lag te creperen, opgerakeld. Goede zaken werden er ook dikwijls gedaan door de brouwers met flessen waarvan de inhoud nogal geest verruimend was. Ook de armjager was altijd aanwezig om te zorgen dat de schooiers onder de bezoekers (bedelaars) niet al te roofziek waren en dat ze s’avonds na zon’s ondergang Campervenne weer tijdig verlaten hadden. Helemaal op de hoek van de kerktuin stond al jaren Lamberdt de Cruudenman uit Campen met clareyt, granaet en hypocras. Deze koopman, alias geestbezweerder, had zelden gebrek aan klandizie. Zijn geneeskrachtige middelen bestonden hoofdzakelijk uit kruiken sterke wijn aangevuld met allerhande geneeskrachtige kruiden. Vele licht geraakten kochten een napje van dit geheimzinnige mengsel en slokten de inhoud daarvan in een paar teugen naar binnen. De eersten namen schreukel en achterdochtiger een nipt slokje van dit geestrijk vocht in de mond; alles onder toezicht van de talrijke omstanders met vragende blikken. Onder een kort goedkeurend knikje, wat de smaak betreft, ging vervolgens de inhoud richting maag. Vele bezoekers volgden het voorbeeld omdat men hun voorgangers kort daarna uitbundig over de kermis zag huppelden. Alle oppervlakkige pijntjes en de koliekkrampen van de krakkemikkig kermende klagers waren voor de verdere dag genezen. Voor lieden die geleden hadden aan de verschrikkelijke ziekte met de naam “Pest” of die bang waren om deze ergens op te lopen had Meester Johan de apotecaris. het medicijn Rozenwater in zijn kraam. Even verderop stond de koekenbakker van het stoetenhuis met een stapel allerhande soort gebakken koeken. Iets voor het vele gepeupel wat er zo’n dag rondscharrelde.Ook voor de jonge luyden was er veel vertier ende vermaak. Zelfs de hanenstrijd stond bekend als echte volkstrekker. Deze werden al zeer vroeg in de morgen gehouden omdat de hanen dan het kloekst waren. Uit alle hoeken en windstreken van het Venne zag men grote en kleine kerels met kokkerts van hanen onder de arm verschijnen, veelal met gezwinde pas en fier stappend om hun troetel kampioen vol vuur in de strijd te werpen. Nadat iedere haan haar eigen fictoorie gekraaid had kon de beestenstrijd beginnen. De pastoor was het die de regels hanteerde en de uiteindelijke winnaar aanwees. Na de wedkamp zag je menig luyde met diep gebogen kop strompelend vertrekken. Onder hun arm een zielig en bebloed dotje veren. Als troost prijs werd men bedolven met schampere en bespottelijke opmerkingen. De kranckentrooster moest er dikwijls aan te pas komen om het humeur weer wat op te peppen.

 

Wat verderop, bezijden van het jolige gebeuren, had de kackedorus een uitstalling. Deze medicijnman kon aan de poep zien wat voor een kwaal je bij je droeg en welk kruid er tegen gewassen was. Velen hadden een potje met kack bij zich en drukten dat de kenner onder de neus. Veel wijfachtigen schaamden zich nogal eens en droegen het kackje onder hun kleren mee naar de Kermis om vervolgens hun beurt af te wachten. Begrijpelijk kwamen de kwalijke dampen dan door de krasgaten naar buiten zodat er veel variatie aan geuren rond hen nevelde. Tijdens het aanschouwen van al deze toverkunst begonnen vele toeschouwers zich ook wat ziekelijk te voelen. Menigeen  deed een paar stapjes terug en stroopte de broek naar beneden om wat van de darminhoud naar buiten te drukken. Als het hun beurt was trokken ze de kackkedorus mee aan de schouder naar hun zojuist neer gelegde hoopje. Begrijpelijk vond dit alles plaats onder de nodige hilariteit.

 

 In een andere hoek nestelde zich traditie getrouw Mihahari de zigeunerin, een roemruchte piskijkster. Lukte het bij de kackkedorus niet dan werd deze geraadpleegd. Zij had een glazen stulpje bij zich waarin men beurtelings kon pissen. Ze hield de inhoud dan zo hoog mogelijk en liefst tegen het zonlicht. Ze kon dan het soort en aantal beestjes zien wat er in rondzwom, zo vertelde ze alom om zich heen. De merkwaardigste gedrochtjes zag ze zwemmen en ze kende ze allen bij naam…….. Om precies in het pispotje te mikken was niet altijd even simpel, vooral voor vrouwelijke patiënten was het een hele toer. Velen oefenden al een weekje van te voren op hun erfje in een zandkuiltje achter wat struweel om het alvast onder de knie te krijgen. Toch ging het in de toenemende spanning vaak mis en straalde een groot deel over handen en voeten. Mihahari was daarover vol lof want volgens haar ging daar een sterke heilzame werking van uit. Bij deze attractie was altijd veel publieke belangstelling. Zelfs meneer de pastoor keek over een schouder mee. Aanmoedigingen en opmerkingen schalden sterk hoorbaar over het terrein. De vaak bleke gezichten veranderden terstond in rode blosjes tot achter de oortjes. Inwoners die last hadden van het geniep- of de roofziekte liepen meestal met een grote boog omhaar heen want met haar priemende donkere ogen keek ze dwars door je ziel en vertelde dan voor wat geld wat je het laatste jaar voor slijmerigheid had uit gespookt. Vertrouwde je iemand niet dan kon je voor een paar duiten opheldering daarover krijgen. Begrijpelijk dat bepaalde zonderlingen niet ter kermis kwamen….

 

Na het kermis gebeuren was heel Campervenne bijna weer kern gezond en straalde de levensmoed er weer voor een jaar vanaf. Na de reformatie werd alles anders en verdween deze volkstraditie van Campervenne.