Kamperveen

 Huize Wittenstein.

 

 

 

In het Zuidwesten van Campervenne tegen het Gelderse land ligt de buurtschap Zuideinde. In de middeleeuwen droeg het de naam Wittensteyn. Temidden van haar vele boerenerfjes lag daar de Havezate Huize Wittensteyn. Een zekere Johan Witten, gehuwd met Johanna toe Boecop, kocht in 1596 een  "erve" van het Heilige Geest Gasthuis te Kampen. De prijs die hij daarvoor moest betalen bedroeg 1600 gouden guldens. Johan was geboren in 1558 als zoon van Ernst Witte, Burgemeester van Harderwijk. Een fel en staatsgezind figuur. Hij overleed in 1615 ‘aen ene beroeringe’ en werd begraven in de bovenkerk van Campen. Zijn vrouw Johanna overleed in 1623 op 64 jarige leeftijd ‘aen het waeter’. Deze Johan volgde zijn vader op als burgemeester van Harderwijk Maar toen de erven van het Gasthuis waren aangekocht liet hij daarop een royaal landhuis bouwen. De voorzijde van het hoofd gebouw besloeg een lengte van 15 passen en de diepte bedroeg 5 passen. De bouw vond plaats in de stijl van de 16 eeuwse bouworde. Een getande waterlijst omsloot het gehele complex. Vervolgens omgeven door een gracht met ophaalbrug. Zoals in die tijd gebruikelijk stond het water aan de waterlijsten van het gebouw. Regelmatig geplaatste vensters voorzien van stenen raamwerk. Topgevels aan de korte zijden. In het midden, voor en achter een uitbouw voorzien van trapgevels. Op de kamer boven het salet stonden in tien ramen gebrandschilderde wapens. 1, Witte-Wijnbergen; 2, Boekop-Lennep; 3, Persyn-Hoeckelum; 4, Delen-Hierden; 5, Oltsende-Sallant; 6, Bemmel-Brienen; 7, Cruise-Lauwick; 8, Pieck-Appelthorn; 9’ Boeckop-Pannekocke; 10,  Vhen-Breinen-Ense-Oldenbarnevelt. Met uit- en aanbouwing heeft het omgrachte gebouw een U vorm. Een uitkijktoren complementeert het geheel. Al met al een slotachtig gebouw. Het landgoed krijgt de naam "WITTENSTEYN", afgeleid van de familienaam Witte. Buiten de "slotgracht " laat hij een prachtige Engelse tuin aanleggen. De bomen en lanen herinneren nog aan de voorbije jaren. Het landgoed groeide uit tot 68 Ha. Dit alles werd verdeeld over 11 boerenbedrijven. Alle boerenerven en katersteden rondom Wittenstein beleende hij aan pachters zodat het gehele Zuideinde onder zijn bestuurlijke macht viel. Omdat zijn wortels in het Gelre lagen en hij in eerste instantie pro die Graven was ging zijn voorkeur uit naar Gelderse leenmannen voor de bewerking van zijn erven. Deze bewoners nu waren afstammelingen van de Hollander pioniers, de zogenoemde Ingeoenen, die zich voorheen op de Noord Veluwe hadden gevestigd. Tot de dag van vandaag is er op Campervenne een cultuur verschil waar te nemen tussen de bewoners van Zuideinde en de overige bewoners van Campervenne die van de Noordelijke Friezen afstammen.

 

Claes Witte was scout van Kampen en Campervenne in de periode van 1533 tot 1572.  Hij was familie van Ernst Witte, de burgemeester van Harderwijk. Deze Claes heeft ongetwijfeld een rol gespeeld in de verworvenheden van Johan Witte.

 

Op de plaats waar Witte zijn landhuis bouwde moet voordien ook iets dergelijks hebben gestaan. Dit is niet helemaal duidelijk. Een historicus schreef dat in 1396 Boele Witten zijn slot Wittenstein verwoest zag door de Geldersen Hertog Willem. Maar bij nader onderzoek blijkt er waarschijnlijk een naamsverwisseling te hebben plaats gevonden.

 

Nadat Johan zich vestigde op ‘Wittenstein’ kwamen ook zijn belangen meer te liggen in het scoutambt Camperveen wat resulteerde onder Sallant. Dien tengevolge verlegde hij zijn activiteiten en kwamen de contacten met het Gelre op een laag pitje. Johan werd in 1599  landrentmeester-generaal van Sallant. In 1603 verscheen hij in de Overijsselse Landdag en werd daar verheven in het Ridderschap. Daarna werd hij gecommitteerde in de Raad van State. Inmiddels had hij ‘Wittenstein’ uitgebouwd en uitgebreid tot een slotachtig geheel. Dat moest ook wel want hij had tien kinderen. (Hoogstwaarschijnlijk was en van zijn zonen kapelaan van de OLV-kerk te Kampen.maar door de reformatie vluchtte hij tijdens een volksoproer naar Wittenstein om bescherming te zoeken.) Om zijn dagelijks  omringende volkje van brood te voorzien liet hij zelfs een korenmolen bouwen. In 1615 krijgt het slot de status “Haveate”. Hij bewerkt een naamsherziening die aansluit bij een familie die een Havezate bewoond. De status werd: “Witten toe Wittenseyn”.

 

Na zijn dood erfde  zijn zoon Ernst op 28 jarige leeftijd in 1616 het goed. Doordat hij zich ontwikkelde tot een persoon des anciens werd hij verschreven tot Ridderschap zonder verdere rechten. Maar in 1626 mocht hij zijn havezate, groot 12 ackers, vrij houden tot de betaling van ceynsen (belasting). Ernst huwde  Ida Hagen tot vrouw en kreeg bij haar vier kinderen. Daarna trouwde hij nog twee keer maar verwierf geen kinderen meer. Zijn laatste huwelijk sloot hij met Anna van Hetterschey. Dit huwelijk verliep weinig gelukkig. Allerlei wantoestanden ontstonden met als gevolg dat Ernst zijn geldzaken onvoldoende beheerde. Zijn bezittingen namen geleidijk af en toen hij stierf nam de afwikkeling van zijn boedel vele jaren in beslag door touwtrekkerij en twisten onder de erfgenamen en schuldeisers.

 

Zijn oudste zoon Adriaan nam, na de dood van zijn vader, bezit van Wittenstein. Hij werd even als zijn vader in 1641 bijgeschreven in de Ridderschap. Rond het jaar 1650 kwam hij in conflict met de bestuurlijke erfgenamen van Campervenne. De gemaakte kosten voor herstel van dijken, sluizen en pastorie werden door de zetter (taxateur) gelijkelijk verdeeld over de landeigenaren. Hij was het daar bij lange na niet mee eens. Hij vond zijn opgelegde verponding veel te hoog. Adriaan diende dan ook een protest in. Uiteindelijk bezweek de dijkgreve en de heemraden voor zijn protest en besloten de aanslag te halveren. In 1652 werd hij aangesteld als Drost van IJsselmuiden. Bij zo’n functie behoorden daden die lieten zien dat je deze titel waard was te dragen. Hij sprak een aantal vonnissen uit die tot in de verre omtrek niet onopgemerkt bleven. De voltrekking vond plaats op 13 juni 1657. Dat gebeurde meestal gezamenlijk met de veroordeelden van de buurgemeenten. De tot straf veroordeelde personen werden die dag bijeen gebracht in de catacomben van het stadhuis van Kampen. In de middag stelde zich een lange stoet van wagens en ruiters op voor het stadhuis gevolgd door een hele groep voetvolk. Toen de klok in de toren drie keer sloeg zette deze sinistere stoet zich in beweging. Via de brug over de IJssel reed men richting Wilsum. Voorop reed de eerwaarde burgemeester van Wilsum. Direct gevolgd door de Drost van Campervenne, Adriaan Witten tot Wittenstein. Daarachter twee boerenwagens met op elke wagen vier stevig geknevelde gevangenen. De schout van Campervenne en IJsselmuiden rijden daar weer achter gevolgd door het kerspel bestuur van Campervenne en Ijsselmuiden. Een bont gezelschap van familie, knechten, kinderen en nieuwsgierigen sluit de rij. Over de IJsseldijk rijden ze richting Meente. Ergens aan de oever van de IJssel  tussen Uiterwijk en Wilsum. Daar staan in de straffe wind en een waterig zonnetje, smerig lachend, drie wiebelende galgen. De acht, vijf mannen en drie vrouwen, weten wat hun staat te wachten. Drie “passagiers” van de eerste wagen worden “gestraft met de koorde, dat er de dood navolgde”. De lichamen moeten zolang blijven hangen tot al het vlees is weggerot. Dat was gebruikelijk in die tijd. Toen bij de vierde, een erfgenaam van Campervenne, het koord om de hals werd gelegd en de beul op het punt stond het vonnis te voltrekken sprak drost Adriaan zijn gratie uit en veranderde de strafmaat in een zware geseling en een brandmerk met een lidteken voor het leven.De vier van de tweede wagen ontsnapten allen aan de galg. De man kreeg het leven van de drost geschonken en de drie vrouwen met inkervingen op hun kerfstok werden ontkleed en onder het toeziend oog van de schreeuwende en krijsende menigte, door de beul tot bloedens toe gegeseld. Lijfstraffen werden in de jaren nooit in de eigen gemeente uitgevoerd maar altijd elders. Mede hierdoor trachtte men een volksoproer te voorkomen.

 

Tot aan zijn dood in 1661 vervulde hij deze functie. Hij overleed kinderloos en bemaakte Wittenstein aan zijn zuster Ida Witten. Deze was in 1647 gehuwd met Wolter Brienen tot Byssel. Ze kregen twee kinderen. Johan  Ernst en Ida Elisabeth, gehuwd met Volkier van Haersholte tot den Oldenhof. Deze waren niet ingeschreven bij het Ridderschap en als zodanig verviel de vrijstelling tot het betalen van cynsen. Wittenstein werd toen aangeslagen voor 8 vuursteden. ( Het aantal stookplaatsen). In 1677 verkochten deze kinderen een gedeelte van Wittenstein aan Joost en Willem ter Bruggen voor 30 000 gulden. In 1703 verkochten de kinderen van Volkier van Haersolte tot den Oldenhof de ‘havezate Wittenstein met ‘alle syne daer ondergehorende erven, de molen, landerijen en holtgewassen’ aan Anna Bentinck, de weduwe van Willem ter Bruggen en van Berend Bentinck. Wittenstein werd toen een aantal jaren verhuurd aan jonker Van Someren. Toen Anna Bentick weduwe werd trok zij met haar 8 kinderen weer naar Wittenstein. Van deze 8 huwde er maar een, nl. de dochter Agnes Sophia. Ze trouwde in 1702 ook met een Berend Bentinck. Hun zoon Willem Hendrick werd in 1705 gedoopt in de kerk te Kamperveen. Cristoffel werd in 1706 geboren en ook aldaar gedoopt  Een jaar later werd hij van Wittenstein verschreven. Zowel zijn vrouw als zijn jongste zoon overleden in 1706 zodat hij met twee kleine kinderen achterbleef.. Als erfgenaam huwde hij Anna Elizabeth van Dedem. Ze kregen drie kinderen. In 1738 kregen zij een dochter Hillegonda Anna. Het gezin bewoonde huize Wittenstein met drie dienstboden, twee knechten en een scheper. Rond 1750 werd hij dijkgraaf van Salland. Als gevolg daarvan kreeg hij meer aanzien en verbeterde de situatie rond Wittenstein aanzienlijk. Hij overleed in 1754 te Zwolle. Maar de weduwe bleef wonen op Wittenstein. Zij overleed daar in 1778.

 

Bij de verdeling der boedel werd Wittenstein toebedeeld aan haar oudste dochter Agnes Sophia Bentinck. De waarde bedroeg na taxatie 50000 gulden. Daar woonde reeds haar broer Coenraad Willem tot Werkeren en haar nicht Anna Elisabeth van der Capellen. Na de dood van Agnes en Coenraad erfde zij o.a. Wittenstein. Zij huwde in 1785 op 18 jarige leeftijd Rudolf Christiaan van Rechteren tot Westerveld. Inmiddels was ze verhuisd en daarom probeerde zij in 1811 het van de hand te doen. Ook als ridderschap had het voor haar geen waarde meer. Hun aanbod luide: De zeer aangename gesitueerde en van ouds riddermatige Havesate Wittenstijn genaamd, gelegen in het aangenaamste gedeelte van het Departement van de Monden van den IJssel , anderhalf uur van Elburg en twee uuren van Campen, omringt met een menigte buytenplaatsen; bestaande uit een modern herenhuys , waarin elf, zoo boven als beneden kamers, gedeeltelijk behangen; voorts een zeer grote keuken en een washuys met pomp, twee provisiekamers, vier grote kelders en verdere commoditeiten. Stallinge voor een menigte paarden en beesten, koetshuys, tuinmanswoning, daaraan nog twee schuuren en twee bergen daarbij. Een windkoornmolen met zijn behuysinge en backhuys daarbij, drie katersteden, hoge en lage landerijen, bossen en een menigte opgaande zwaare boomen, waaronder mooie wandelingen, een zeer goede tuin met een zeer goede wassende boomgaard., met de beste vruytbomen beplant.  Te samen groot ruim 45 Rhijnlandsche morgens.

 

Helaas kwamen er geen kopers die er voldoende voor wilden betalen. Zodat de verkoop werd aangehouden. De bezittingen werden toen verhuurd. Beerent Hendrik Seesink huurde de Havezate en hij trouwde met Hendrika Kippers op 14 maart 1793 in de kerk van Kamperveen.

 

Van Rechteren overleed in 1812. Anna Elizabeth overleed in 1839.  Hillegonda Anna Agnes Sophia Henrica gravin van Rechteren, erfde Wittenstein. Deze zogenaamde tante Annetta woonde niet op Kamperveen.

 

In haar testament verleende zij haar neef Jan Dirk van Hasselt het recht om het landgoed Wittenstein  uit haar nalatenschap over te nemen.  Zij stierf in 1869.  Jan Dirk van Hasselt maakte gebruik van zijn recht en kwam zo in het bezit van Wittenstein. Deze Jan Dirk was gehuwd met Henriette Johanna Jordens en was burgemeester van Kamperveen. Hij was het die huize Wittestein grondig verbouwde en zodoende een totaal ander aanzien gaf. De hoofdingang toonde ter weerszijden twee symmetrische zuilen. In het voorjaar nam hij er zijn intrek om het in de winter weer te verlaten. Hij overleed in 1885 en ook zijn vrouw overleed in datzelfde jaar. Hun beide zonen, Jules en Rudolf Christiaan Carel hielden het nog een aantal jaren in eigen beheer. In het jaar 1891 gingen zij over tot een boedelscheiding. Het 68 ha. grote landgoed werd toebedeeld aan Rudolf Christiaan Carel. Tot het geheel behoorden elf boerenhofsteden, diverse schuren en hooibergen etc. Hij bewoonde Wittenstein met zijn vrouw Adriana van Raders en hun drie dochters. Deze Rudolf was koopman, kassier en gemeenteraadslid te Kampen. Na hun overlijden verkochten hun drie dochters in 1938 Wittestein aan de Apeldoornse advocaat mr. Johannes Albertus Matthijs van Oorschot.  Het landgoed omvatte toen nog slechts 9 ha De verkoop bracht een prijs op van Fl. 18500,-- Voordien waren diverse percelen al overgegaan naar anderen. Zo werd ook de Wittensteinse Allee verkocht aan het Waterschap Kamperveen, echter onder diverse voorwaarden. Zoals het instant houden van de bomen, De aanleg van een weg naar de Kamperstraatweg. En moest het uitzicht van het huis gevrijwaard worden.

 

Johan van Oorschot liet na de aankoop het oude Wittenstein slopen en bouwde er een nieuwe. In 1949 deed hij alles van de hand en verkocht het aan apotheker Philip van Breggen.

 

 

Zie: Leenprotocollen.