Kamperveen

 

 

 

 

 Hevig gekrakeel over molengeld. 

 

 

Vrieze. C.J.

 

 

Zo rond het  jaar 1870 komt het tot een slepend conflict tussen het Polderbestuur en de heer C.J.de Vrieze uit Kampen. Deze voert al een aantal jaren een verbeten strijd tegen het hem opgelegde molengeld (waterschaplasten) Hij vindt het onterecht dat hij even hoog wordt aangeslagen als degenen die laagland bezitten in de polder Kamperveen.

 

Hij heeft in deze polder 32.09.00 Ha. land in eigendom. Deze landerijen zijn gelegen in het hoogste gebied en hebben in het geheel geen last van overtollig water omdat het water gelijktijdig wegstroomt naar de lager gelegen gebieden. Zijn landerijen hebben veelal te maken met te weinig water wat groei en opbrengst derft. Waarom de eigenaren van die lage landerijen niet deze lasten op de schouders gelegd, zo is zijn redenering. Maar het polderbestuur is het oneens met deze lastpost en houdt haar been stijf. Tenslotte wordt hij als hoofdingeland verwijderd uit het bestuur. Maar de heer de Vrieze is niet iemand die hierin zo maar berust. Hij is een vuurvreter en gebruikt alle strijdmiddelen die hem ten dienste staan. Hij spuit tot tweemaal toe zijn bezwaren in de lokale krant, nl. de Zwolse Courant. Hierin weerlegd hij uitgebreid de onrechtvaardigheid tegen de hem opgelegde omslag voor het onderhoud van de twee watermolens. Maar ook deze ingezonden stukken 1), waarvan hij hoopte dat deze openbaarheid effect zou hebben mislukte. Ook mede eigenaren van hoger gelegen landerijen schaarden zich niet in rijen achter hem, al waren ze in stilte, het wel met hem eens.

 

 

 

Op 26 januari 1870 stuurt hij een schrijven naar de

 

Commissaris des Konings te Zwolle.

 

        

 

         Hoog Edel Gestrenge Heer!

 

 

Na afloop van het onlangs gehouden onderhoud met U over het conflict tussen mij en het polderbestuur, stuur ik U enkele stukken ter verduidelijking om bekendheid aan alles te geven tot staving van mijn eis en ter bevordering van de goede zaak die ik tot nu toe ter vergeefs heb verricht. Wellicht vorderen dezelve nog nadere mondelinge toelichting. Zonodig mijn gevoelens over deze geschikte en billijkste wijze van deze heffing te staven ben ik bereid andermaal naar U toe te komen. Om de billijkheid van mijn aangelegenheid zou ik deze heel graag tot een goed einde te brengen. Ik zou er zelfs mijn leven voor in de waagschaal durven stellen. Geen moeite nog kosten te sparen ter bevorderlijkheid tot een goede beëindiging.

 

Dikwijls ben ik in mijn eer gevoel gekrenkt en mijn verwijdering uit het bestuur was onverteerbaar. Ik heb daar, meer dan de overige leden, plichtmatig gehandeld. Dit is al een troost voor mij, doch wanneer tengevolge van U deze zaak mocht worden geregeld, zal ik mij in mijn eer hersteld voelen.

 

 

De Commissares des Konings, Nahuijs schrijft op 9 Februari terug.

 

 

         Ik heb de stukken met veel belangstelling gelezen, doch tot mijn leedwezen moet ik betuigen dat ik geen middel zie om te voldoen aan Uw verlangen om het conflict  tussen U en het Polderbestuur uit de weg te ruimen. Daar kunnen  slechts twee middelen toedienen: of, dat het polderbestuur Uw verlangen inwilligt, maar het Polderbestuur heeft duidelijk getoond geenszins hieraan gehoor te geven, of, dat U in de bestaande heffing berust, hetgeen mij onder de bestaande omstandigheden de verstandigste maatregel zou lijken. Het zou aan vele zorgen en kwellingen een einde maken. Deze bevrijding zou wel eens veel groter kunnen zijn dan het betalen van een aantal guldens voor molengeld. Ten opzichte van andere eigenaren van hoger gelegen landerijen zal Uw inzet van een grote waardering zijn, vooral van Uw volhardendheid.

 

 

De heer De Vrieze zwaar teleurgesteld, klimt op 4 maart weer in de pen en stuurt de Commissaris des Konings het onderstaande schrijven.

 

 

         Met vol vertrouwen en gegronde hoop op de uitslag heb ik de tussenkomst van U ingeroepen om het conflict door een minnelijke schikking tot het gewenste einde te brengen. Van mijn zijde heb ik zonder achterhoudendheid en naar waarheid alles kosteloos kenbaar gemaakt. Terwijl ik met de grofste onwaarheden en prijzenswaardigen onwil door het Polderbestuur ben bestreden en daarnaast met nog 36 andere ingelanden officieel tot grote leugenaars ben verklaard.

 

         Uw antwoord van 9 febr., hoe vererend ook, bevatte een bericht waarop mijn hoop om aan deze betreurenswaardigen zaak geen meerdere publiciteit te geven, is vervlogen. Hoe betreurenswaardig ook. Hieruit valt af te leiden dat deze onrechtvaardige belasting, hetwelk zonneklaar is, tot in het oneindige kan blijven bestaan.

 

         De van U ontvangen raad om de zaak als afgedaan te beschouwen, omdat U geen middelen ter beschikking staan, kan nog mag ik opvolgen, evenmin om enige onrechtvaardige guldens te betalen. In beide word ik als hoofdingeland op de afgelegde eed op 15 mei 1867 verhinderd. Ook ben ik niet zo gehecht aan aardse schatten en stellig minder dan den miljonair, mijn gewezen mede hoofdingeland. Deze heeft alleen door wangunst en eigenbelang gedreven, zich schandelijk gedragen en zich schuldig gemaakt aan hevige bestrijding mijnerzijds. Ik ben tot een zodanige leeftijd gekomen, dat ik wellicht binnenkort alles zal moeten achterlaten. Deze  zaak heb ik na mijn benoeming tot hoofdingeland geheel uit godsdienstig oogpunt beschouwd en zal onbeschroomd voor den Hoogsten Rechter verschijnen. Ik zal den weg bewandelen mij door Zijne Majesteit den Koning aangewezen en tegen het dwangbevel in verzet komen en gedwee wachten op den uitspraak van den wereldlijken rechter. De kosten daarvan zullen door mij gedragen worden dit tot nadeel van mijn gezin. Wanneer nu naast den Koninklijke macht, die nimmer ten gunste van onrecht uitspraak doet, er geen bevoegde macht aanwezig is om aan verkeerde handelingen van een nietig poldertje paal en perk te stellen, dan is naar mijn bescheiden mening dit een hoogst ongelukkige toestand. Wanneer er voor deze onwillekeurige handelingen niemand aanwezig is om deze voor het algemeen belang op het rechte pad te plaatsen dan zie ik mij genoodzaakt en verplicht om deze loop en toedracht door de pers publiek te maken. Een ieder kan dan kennis nemen van deze grote leemte in onze wetgeving Ik had gehoopt en wars van alle getwist, in gemoede gewenst dat U de voldoening ten deel zou vallen om deze treurige zaak tot een goed einde te brengen en publiciteit onnodig mocht geworden zijn. Mijn gegronde overtuiging is dat de oplossing eenvoudig kan zijn. Mocht hiervoor geen sleutel zijn dan moet deze zaak in Godsnaam maar volgens de regel aflopen.

 

 

Antwoord van De Commissaris des Konings op 7 maart.

 

 

         Ik heb de eer U te antwoorden, dat het ook mij zeer aangenaam zou zijn indien het geschil tussen U en het Polderbestuur over de heffing  van het molengeld op een vredelievende wijze werd beëindigd. Gaarne zou ik daaraan medewerken indien mijn ambtsbetrekking mij daartoe enige bevoegdheid gaf. Ongaarne zou ik van mijn maatschappelijk standpunt gebruik maken om als privaat persoon te treden in zaken waarin ik mij  in mijnen ambtelijke betrekking moet onthouden. Ik kan ook niet aannemen dat mijn persoonlijke tussenkomst zou leiden tot het door U gewenste doel. Daarom meen ik dat ik deze tussenkomst niet kan verlenen.

 

 

Aldus de Commissaris.

 

 

         Maar de Heer de Vrieze zoekt een stuk papier en zet zijn grieven daarop. Met dit epistel gaat hij naar de plaatselijke krant met het verzoek om dit stuk te plaatsen.

 

 

1e  ingezonden stuk.

 

De Polder van Kamperveen.

 

Zoodra de gelegenheid ongunstig is, of de twee uitmuntende watermolens worden, hoe vroeg in het voor­jaar ook, maar aangespannen, om de hoog gelegene lan­derijen van het water te berooven, ten einde de laag gelegene tegen den groeitijd droog en bruikbaar te maken; terwijl bij natte zomers het binnenkomen der opgeleverde vruchten, die vóór het bestaan der molens geheel verloren gingen, door dat zelfde middel blijft gewaarborgd.

 

Bij droogte, zooals in 1868 en thans, moeten die tegen hunnen wil en te vroeg van het water beroofde lande­rijen wel verdorren en kunnen niets opleveren, waarvan ieder, die dat zien wil, zich kan overtuigen. Daarentegen worden de laag gelegene bij het minste gebrek dadelijk door de Zandersluis met het heerlijkste IJsselwater ge­drenkt en bekomt het vee beter drinkwater dan duizenden menschen in Nederland. Zoo moet dus in dezelfde huishouding de een maar gebrek lijden,

 

terwijl de ander dadelijk wordt geholpen en altijd het

 

beste geniet. (1e voorregt).

 

In de grondlasten is het hooge land vele malen hoger aangeslagen dan het andere, hetwelk bovendien gedeeltelijk nog tiendpligtig is (2e voorregt)

 

Bij verpachting leveren die moerassen, waarvoor de molens gebouwd zijn, vroeger en nog steeds de natuurlijke vergaderbak voor het overbodige wa­ter van de hooge landerijen, een opbrengst tot in het onge­looflijke, zooals dezer dagen weder is gebleken, terwijl de hooge landerijen alleen door de tijdsomstandigheden en verbetering, door arbeid en bemesting verkregen, iets meer dan vroeger opbrengen (3e voorregt).

 

Niettegenstaande dit alles, heeft reeds gedurende 37 jaren voor het onderhoud der molens eene belasting bestaan van fl. 1,00 per bunder over alle landerijen, zonder onderscheid. Sommigen verdroogen nu en dan, anderen elk voorjaar, maar ook dikwijls des zomers moet droog gepompt worden; dit vindt ieder onpartijdig deskundige met mij schandelijk onbillijk en hoogst onregIvaardig. Zoo­als ik reeds meermalen openlijk heb aangetoond, zonder dat zulks ooit wederlegd is, en toch wil, volgens ontvan­gene mededeeling, het polderbestuur hierin maar geene verandering maken, die met de billijkheid zou strooken, niettegenstaande het hooge land over die 37 jaren reeds fl. 37713.36 aan die belasting heeft bijgedragen.

 

Het in Nederland heerschende beginsed: “geene belas­ling zonder een, daaraan geèvenredigd genot” dat bij de invoering van het molengeld geheel uit het oog is verlo­ren, wil men nog, maar niet in toepassing brengen, noch zelfs het bestaande onregt erkennen, terwijl velen uit het bestuur, zich zelven benadeelende. nog meer on­schuldigen, waarvoor ik in dezen strijd voer, daaraan opofferen.  Ik mag dit, op zijn zachtst genomen, onver­schoonbaar noemen

 

 

 

Omdat elke reactie op het vorige ingezonden stuk uitblijft, klimt  hij andermaal in de pen en verzoekt de redactie van de Zwolse Courant opnieuw tot plaatsing.

 

 

Twede ingezonden stuk.

 

 

De Polder van Kamperveen.

 

 

Nauwelijks was de aanhoudende droogte, waardoor de hooge landerijen een akelig dor aanzien hadden ver­kregen, door een daarvoor verkwikkenden en groeizamen regen vervangen, of de watermolens hebben hun ontroo­vingstelsel dadelijk weder toegepast, zonder dat zulks voor de lage landerijen reeds terstond noodig was en zeker zonder dat men bedacht heeft, hoe nadeelig dit bij eene spoedig invallende droogte andermaal voor de hooger gelegene kon worden; nu de regen blijft aanhouden, kan men het een prijzenswaardigen voorzorgsmaatregel noemen, die zeker van nut is geweest om overstroo­ming tegen te houden, zonder dat hierdoor, aan een ander nadeel is toegebragt.

 

Toen ik den 20 Junij, bij de toen heerschende droogte en het gebrek aan water in den polder, inde Prov. Overijss. en Zwolsche Ct. het 1e voorregt van de lage landerijen omschreef en zeide, dat ieder, die zien wilde, zich daarvan kon overtuigen, had ik niet verwacht zoo spoedig, toevallig, neen! van hooger hand, in staat gesteld te worden om ook ieder, die niet een onpartijdig oog zien, wil, te overtuigen, dat de molens voor de lage landen werken, opdat de vruchten daar­van niet verloren zullen gaan, terwijl die regen, van hoe langen duur ook, nog niets schaadt, maar eerder goed doet aan honderden bunders hoog land, waarvan

 

het polderbestuur weder op nieuw zoovele guldens on­regtvaardige belasting wil heffen welke belasting ik thans wel schandelijk mag noemen, nu mij is gebleken dat de rekening over 1869 met een overschot van fl2701.79, en dus met ruim fl1500 meer dan begroot was, is afgesloten.

 

Het is te hopen, dat hh. Gedep. Staten, die in deze aangelegenheid zeer slecht moeten ingelicht zijn, daaraan een einde kunnen en willen maken; mijn voornemen is, hierover nog een adres aan dat Collegie in te zenden en, wanneer ook deze poging tot verwijdering van het grootste onregt uit een der meest bevoorregte polders van Overijssel, ja misschien van Nederland, vruch­teloos mogt afloopen, dan hoop ik, dat de welwillend­heid van de Redactie der Prov. Overijss. en Zwolsche Cour.' wie ik de opname van het bovenstaande in hare Courant beleefdelijk verzoek, zich zoover zal uitstrek­ken, om ook dat stuk in het algemeen belang te wil­len opnemen.

 

KAMPEN, 29 Junij 1870.

 

C. J. DE VRIESE.

 

 

 

Van zijn gelijk overtuigd stapte hij naar goede kennissen en vroeg om de gelezen kranten en knipte zijn ingezonden stukken er uit om voldoende kopieën achter de hand te hebben.

 

 

 

 

 

 

Op 5 juli 1870 klimt hij weer in de pen en legt in een uitvoerig schrijven zijn betreurenswaardigen toestand voor aan Gedeputeerde Staten van Overijssel. Daarin stelt hij dat hij dat hij de leden van de wetgevende macht in de beide kamers zal inlichten over de ontstane situatie. Hij hoopt dat het personeel (de leden) zijn opvattingen zullen bepleiten en dat hun inzicht minder kortzichtig en onderdanig is dan de meerderheid van het Polderbestuur van Kamperveen. Deze lopen op een dwaalspoor en hebben de weg van recht en billijkheid volledig verlaten.

 

Hij vroeg zich af of de hoge landerijen wel enig nut van de molens hebben en of ze niet veel te veel hebben betaald. Ja, wel ongeveer een halve eeuw vooruit hebben betaald.

 

Op Woensdag de 22 dezer heeft hij zich naar het gemeentehuis aan de Koelucht begeven om inzage van de rekeningen te krijgen. Vanwege de verre afstand moest hij een rijtuig nemen en heeft daarnaast een gedeelte van de polder bezocht en heeft alles zo bevonden als hij daarvoor heeft geschetst. Uit de rekening van 1869 blijkt dat deze een overschot vertoont van Fl. 2701,79. Voor onderhoud van de molens enz. was maar  Fl. 1592,301/2 uitgegeven.  Het kohier van omslagen voor de molens heeft hij doorgenomen. Hieruit bleek dat meer dan de helft, en enkelen voor het geheel zijn aangeslagen  wegens iets dat hun eerder nadeel berokkend dan voordeel schenkt.

 

Na een gehouden gesprek en gevoerde correspondentie met de Heer Commissaris des Konings geeft deze te kennen dat het hem zeer aangenaam zou zijn indien het geschil tussen mij en het Polderbestuur over de heffing van het molengeld op een vredelievende wijze zou worden beëindigd. Na alle vergeefse pogingen is dit nog steeds zijn grootste wens. Zoveel als het in zijn vermogen ligt wil hij alle gepaste middelen genoegzaam aanwenden.

 

Met gepaste vrijmoedigheid brengt hij in het waarachtige belang der zaak de onderstaande punten onder de aandacht:

 

         Een zodanige commissie in het leven te roepen.

 

         De post wegens molengelden op de begroting vooreerst niet in het ontvang uit te trekken en evenzoo de posten in uitgaaf voor onderhoud molens, beloning molenaars en subsidie grindweg aan te houden totdat het rapport van den commissie zal zijn ingekomen.

 

 

 

 

         De Commissaris des koning legt het geschil voor aan de gedeputeerde staten van de Provincie Overijssel. Gelijktijdig geeft hij de leden onderstaand advies.

 

 

 

Naast de beide voorstellen van een commissie en de post molengeld vooreerst niet goed te keuren, geeft hij daarboven een negatief advies. Deze langslepende zaak is reeds van alle zijden belicht daarnaast dat het verzoek niet kan worden ingewilligd omdat hij geen gebruik heeft gemaakt van de mondelinge toelichting welke aan hem is verleend.

 

 

         De Heer de Vrieze kon zijn verlies maar moeilijk incasseren en wilde beslist het laatste woord over deze zaak. Nog eenmaal zocht hij pen en inkt.

 

 

         Aan den Commissaris des Konings.

 

 

         28 juli 1870.

 

 

         Tot mijn innig leedwezen moet ik hierbij de verklaring afleggen dat de gronden waarop mijn verzoek is afgewezen  mij diep hebben getroffen. Misschien heb ik een te onnozel oordeel en te geringe rechts- en  administratieve kennis. De in de bladen door mij genoemde aanslagen welke door mij onbillik, onrechtvaardig en schandelijk worden genoemd worden door Uw college klakkeloos ondersteund. Mijn werkelijk diepgaande grieven worden door Uw College kortweg afgewezen. Uw College schijnt ongenegen te zijn om aan deze schandelijke toestand een einde te maken. Daarom voel ik mij verplicht deze zaak te vervolgen en de wetgevende macht met het bestaan en het handhaven van deze onrechtvaardige belasting op de helft van de landerijen, in de welvarendste polder van Overijssel, in kennis te stellen. Enz enz.

 

 

Op 4 augustus ontvangt hij de beide kopien terug en daarmee is de kous af……

 

 

Brieven zijn teruggebracht tot leesbaar geheel.

 

Bron:I.I.S.G. Amsterdam. Cruquisuweg 31 1010 AT. Amsterdam.