Kamperveen

Enige Kamperveense dialectwoorden.

 

A.

 

Affeseren = Voortgang.

Äggen = Kort ademen.

Aggiesniet = Helemaal niet.

Akkefietien = Ongelukje.

Allä = Vooruit opschieten.

Allebässend = Verschrikkelijk.

Alleisie = Langzamerhand.

Alleneg = Alleen.

Allies = Hetzelfde.

Allozie = Horloge.

Ampärt = Apart.

Amper = Nauwelijks.

Andrieten = Sukkel gang.

Anfiedelen = Sneller

Ankatsen = Aansmeren van iets.

Äns = Ergens.

Anse = Handschoen.

Antammig = Ballorig.

Anzuuten = Een weinig verslavend.

Aomp = Avond.

Apsnoete = Apart mens.

Arremetierig = Armoedig.

 

 

B.

 

Babbele goessies = Praatjes en smoesjes.

Bakbeest = Groot.

Balgzeerte = Buikpijn.

Bässend = Heel veel.

Bedoesd = Met stomheid geslagen. In de war.

Bekant = Ongeveer.

Bek-of = Doodmoe.

Bekupen = Achterbaks een stiekem plan maken.

Belonkuten = Dikke ronde kuiten.

Bemieterd = Betoeterd.

Bengel = Ondeugende knaap.

Besketen = Bleek gezicht.

Bessien = Opoe.

Beteun = Schaars.

Betoeterd = Ben je nou helemaal.

Beuze = Heel slecht weer.

Bezeiken = Beetnemen.

Bi’jkans = Bijkans.

Biester = Bijster.

Bikkesement = Eten.

Bländer = bliksums nog an toe = Krachtterm.

Bleren = Janken.

Blieken = Bleken.

Bliksteen = Verbasterde vloek.

Bocht = Slecht goedje.

Boel = Veel.

Bokse = Broek.

Böl = Jong knechtje.

Bölken = Loeien van koeien.

Bölken = Schrijen.

Bomme zoeren = Er vrolijk op los leven.

Bongel = Ergens last van.

Bonke = Veel.

Boomsheugte = Tegen op zien.

Bosskop = Boodschap.

Bottencampien of Bottenacker = begraafplaats.

Braoke = Bouwval.

Brem = Zoute smaak.

Bri’jen = Brouwen.

Broes = Schuim.

Brokke = Groot stuk.

Brökkien = Boterham.

Bröts = Broeds.

Bullebak = Lomp tiran.

Bulte = Talrijk = Ook buil.

Buul = Zakje.

 

 

C.

 

Creperen = Krimpen van pijn

 

 

D.

 

Dädde = Derde.

Dale = Afdalen. Ook naar beneden.

Därg = Smeerlaag.

Dialect Woorden omgeving K-veen.

 

Dier voege = Ongeveer.

Dink = Naamloos voorwerp.

Dodde = Smerig iets.

Doesteren = Sluimeren.

Dreet = Scheet.

Dreun = Eentonig. Ook opdoffer.

Drieklezoer = Driekwart verstandelijk.

Drossen = Weglopen.

Dummeleg = Vergeetachtigheid.

Dwaallichien = Dolende ideeën.

 

 

E.

 

Eigengereid = Eigenwijs.

Eisteren = Vreselijk te keer gaan.

Ellig = Boos.

Elvendättigst = Anders dan normaal.

Enkeld = Soms.

Etsig = Gespannen itsig

Euvel = Mankement.

 

Eventies = Moment.

 

 

F.

 

Falie = Vel, op zijn duvel krijgen

Fiesterig = Koud.

Fietsien = Klein beetje.

Flater = Domme vergissing.

Foekse = Verward..

Foemelen = Onvolledig afwerken.

 

 

G.

 

Gaaie = Bv, gekke gaaie = Aparte meid.

Gaddärrie = Ba.

Gaddebessem = Bezem van twijgen.

Gagien = Klein gaatje

Galpen = Schreeuwen.

Gänder = Ginds

Gank = Stevig doorlopen.

Gaogel = Gehemelte.

Gasterd = Viezerik.

Gedoegien = Klein boeren bedrijfje.

Geharrewar = Rommelig.

Geheister = Spektakel.

Gesluns = Onsmakelijk bereid eten.

Gestuntel = Knullig gedoe.

Gevoor = Gevaar.

Giespelen = Hard rennen.

Genne einde = Andere eind.

Ginder = Ginds.

Ginne kante = Andere kant.

Glunig = Bv. gluneg hard. Is heel snel.

Goezen = Stort regen.

Gofferd = Groot persoon.

Grienderig = Koud aanvoelend weer.

Grös = Gras

Gutse = Een scheut.

 

 

H.

 

Hompe =  Groot stuk.

Hubberig = Kouwelijk.

Husien = W.C.

Holst = Midden (in de nacht).

I.

 

Iederbod = Telkens.

Ieje = Jij.

Iespiepe = IJspegel.

Ietsien = Klein beetje.

Inlakseren = Afnemen.

 

 

J.

 

Jaap = Diepe snee in huid.

Jajum = Jenever.

Jan Boezeroen = Jan en alleman.

Japse = Lange snee in huid.

Jujjen = Kind op de knie heen en weer bewegen.

 

 

K.

 

 

Kachelig = Half dronken.

Keutel = Poep.

Kielen = Kietelen.

Kladde = Veel.

Klaorlicht = Daglicht.

Klapolt = Zeer mager.

Klepzeikert = Zeurpiet.

Kloeken = Schier ei.

Kloeve = 

Klongelen = Onbeholpen.

Kloren = Klaarspelen.

Knästerd = Oude man.

Knibbelen = Afdingen.

Kniepkeutel = Bangerd. Ook wel gierighaard.

Knipgat = Gat in de weg.

Knippe = Portemonee.

Knooi = Knauw.

Koekeloeren = Gluren.

Koele = Kuil.

Koem = Rustig. Stil.

Koezenzeerte = Kiespijn.

Kokkerd = Grote neus.

Konföttien = Envelop.

Konkelefoezen = Achter iemands rug overleggen.

Kontelikker = vleier.

Koppel = Heleboel. Span. Stel. Paar.

Kösters Kämpien = Kerkhof.

Kötbi’j = Kortbij.

Kötof = Kortaf.

Kouwe = Kooi.

Krabbe = Schram.

Krane waken = Niet kunnen slapen. Uit en in bed.

Krange = Tegendraads zijn.

Krap =  Deurkrap.Nauw. Strak. Schaars. Weinig. Ternauwernood.

Krasgat = Spleet in de rok.

Krek = Precies.

Krenge = Lastig mens.

Kreuze = Wrang zuur.

Krieten = Huilen.

Kriewelen = Kietelen.

Kroepen = Kruipen.

Krummelkonte = Knoeier.

Kundig = Bekwaam.

Kuutboek = Dik buik.

Kwak = Veel. Plens. Scheut.

Kwaksen = Neervallen.

Kwalster = Spuug.

Kwibus = Raar heerschap. Pias.

Klodder = Dikke vlek.

L.

 

Lamlendig = Beroerd. Ellendig..

Lammenareg = Gevoel van ziek zijn.

Landeri’je = Land.

Lapzwanze = Kwast.

Lebendig = Erg.

Lellebel = Del.

Lempe = Onhandige meid.

Leuteren = Zaniken. Kletsen.

Lieks = Gelijk

Lieverlee = Bijna.

Likkien = Klein beetje

Loeren = Bespieden.

Loeren = Gluren.

Lor = Snor. Prul.

 

Lörken = Lurken

Lozjeren = Logeren.

Lulderig = Teut. Aangeschoten.

Lulla = Kletskous. Kletsmajoor.

 

 

M.

 

Maagie = Meisje.

Maalmöppien = Koekje.

Mad = Betrappen. B.v. over het mad komen.

Mäkare = Elkander

Malle = Iemand die gek doet.

Malleur = Pech.

Mankeliek = Gebrekkig.

Mankement = Materiaal pech.

Mättelen = Afbeulen. Pijnigen.

Meerderwegges = Op diverse plaatsen

Menander = Elkaar.

Meneuvels = Vreemde gebaren.

Merakels = Wonderlijk.

Mestrieksel = Vreemde mens.

Meuje = Tante.

Mi(e)ggelen = Motregen.

Miechen = Plassen.

Mieter = (Op zijn mieter geven = is pak slaag.) Na de mieter. = Kapot

Mieter = Lichaam.Man.

Mikmak = Allergaatje. Rommel.

Mirreg = Middag.

Moekerig = Broeierig weer.

Mönnenvrog = Morgenvroeg.

Mu = Moe.

Muntig = Volwassen. (Meerderjarig).

 

 

N.

 

Nagelolt = Rookvlees.

Näns = Nergens.

Nao-apen = Nadoen.

Netelig = Hachelijk.

Neuver = Op het randje

Nieds = Driftig.

Nösselen = Nestelen.

Nösterig = Geprikkeld.

Nuffien = Klein beetje.

Nukke = Gril.

 

 

O.

 

Oed = Vel. Huid/lichaam.

Oekende? = Welke?

Oelloe = Jullie.

Oende = Uwe

Ofdöppen = Afbekken.

Ofjacht = Wegjagen.

Ofraffelen = Rap afmaken.

Ofschöttelen = Achterstellen.

Old voel = Afval.

Olijk = Zeer gering.

Ompelen = Kreupelen.

Onderdoems = Stiekem.

Oorneuze = Bemoeial.

Ophoepelen = Weggaan.

Oplazeren = Wegsturen.

Oplewaai = Forse klap.

Opmieter = Opstopper.

Oprakelen = Vuurtje opstoken.

Opreien = Opwinden.

Optater = Forse klap.

 

 

P.

 

Paaien = Vleien.

Pällegäste = Gepelde gerst.

Päppe = Speen.

Patjakker = Vreemd iemand.

Pekelzunde = Kleine zonde.

Peseel = Lastige zaak.

Piejee = Haasje over.

Pielstät = Dunne paardestaart.

Pieoter = Groot beest.

Pieperig = Klagerig.

Pietse = Veel.

Pietsien = Kleinbeetje.

Pikkien op = Heeft wrok op.

Pips = Bleek. Flets.

Plakplatien = Iemand die lang blijft.

Plässien = Sneetje brood.

Plukoren = Elkaar in de haren vliegen.

Plumse = Overdadig

Podde = Het weer zit er in. Vast vuil.

Poedelegrap = Voor de grap.

Poedelig = Vies.

Poengel = Dik voorwerp.

Poepen = Kakken.

Poesen = Kreunen.

Poespas = Mengelmoes.

Poeste = Bult.

Poesterd = Smeerlap.

Pootan = Opschieten.

Pössie = Portie.

Prakkezaosie = Prakkiseren.

Prikkien = Weinig.

Proele = Zuur gezicht.

Pröppien = Gedrongen persoon.

Prötertien = Kletsmeier.

Prutse = Smerige boeltje .

Pumpelen = Gestadig veel drinken.

 

 

R.

 

Rabbat = Versleten, oud.

Rachelen = Schelden.

Rad = Glad. Snel. Niet kreupel.

Ramen = Schatten. Taxeren.

Rammenten = Geweld maken.

Raom = Plotselinge vluchtpoging.

Reddag = Opruimen.

Reerbek = Iemand die veel schreit. Schreeuwer.

Reien = Haarkammen –Spenen nat maken.

Reppen = Haasten. Spoeden.

Reren = Huilen.

Ribbezakken = Door zeuren.

Roe = Ruw.

Roebollig = Onstuimig. Wild.

Roezelen = Schatten.

Roffel = Berisping.

Rompslomp = Sousa. Gedoe.

Rooien = Aardig gelukt. Klaarspelen.

Roppen = Rukken.

Rove = Korst op een wond.

Rozig = Kouwelijk.

Ruj = Opgewonden.

Rullen = Rap drinken.

 

 

S.

 

Saggereinig = Wrevelig.

Sam = Mals.

Sammenappes = Uitroep van verbazing.

Schalkie = Grappenmaker.

Schel = Scheef.

Schief = Scheef.

Schielek = Vlotjes.

Schier = Mooi/slank. Schier ei.

Schijtert = Bangerd.

Schijthuus = W.C.. Bangerik.

Schilderen = Wachtend heen en weer lopen.

Schimpen = Steek onder water.

Schobbe = Ruwe plank

Schobbejak = Schurkachtig.

Schoer = Onweersbui.

Schöffien = Poosje.

Schoft = Ploert.

Schöft = Pauze.

Scholde = Veerpont.

Schooier = Bedelaar.

Schorremot = Van minder allooi.

Schöstien = Schoorsteen.

Schrander = Bij de tijd.

Schraperig = Gierig.

Schreeuwlillek = Schreeuwlelijk

Schreukel = Terughoudend.

Schuddekoppen = Met hoofd schudden van neen.

Schumen = Nasnuffelen.

Schumen = Nazoeken.

Schumerd = Alles tot en met nazoeken.

Schuum = Schuim.

Secreet = W.C.

 

Sikkeneurig = Humeurig. Zeurderig. Kieskeurig.

Sjaks = Terug houdend.Sjappie  = Vreemd iemand.

Sjeneren = Schamen.

Sjezen = Hard rijden.

Sjoekse = Natte zooi.

Sjoksen = Slenteren.

Sjouwen = Iets wegdragen.

Skampskeut = Sneer

Skampskot = Schampschot.

Skasenlopen = Schaatsen.

Skinke =Schouderham.

Skepen = Hooi laden in schip.

Sketter = Spreeuw.

Skeuvelen = Schaatsen.

Skiks = Scheef en schots.

Skiw = Seinlap.

Skrit = Kruis van een broek.

Slabben = Morsen

Slempe = Slechte koffie. Waterig.

Slette = Vrouw van lichte zeden.

Sleutekonte = Morszak.

Slierbane = Glijbaan.

Slingerpaole = Slingeren. Kinderspel.

Sloddervos = Slordig iemand.

Sloekerd = Strot.

Sloerig = Niet fris.

Sloffe = Iemand die tijdens het lopen de benen niet opbeurt.

Slonde = Schort.

Slont = Schort.

Slörpen = Slurpen.

Slove = Afgetobde vrouw.

Smaksen = Neervallen.

Smao = Lenig.

Smätte = Pijn. Hevig verlangen.

Smeerpoetse = Smeerzak.

Smeu = Mals.

Smiesterd = Geslepen persoon.

Smoel = Mond.

Smok = Kus

Smoken = Roken.

Smolt = Dierlijk vet.

Smousen =  Knoeien.

Snaaien = Snoepen.

Snät = Snert.

Snater = Mond.

Snipsnaoderi’je = Rommel.

Snisterd = Sisser

Snisteren = Plassen.

Miegen = Plassen

Snoepstuver = Beetje winst. Zakgeld.

Snörre = Snor.

Snörrevet = Brillantine voor snorharen.

Snotneuze = Klein kind

Snotterig = Verkouden.

Snotverdorie = Bastaard vloek.

Snugger = Verstand. Leep. Gewiekst.

Soeze = Suffig persoon.

Soppe = Nat rommeltje. Nattig hooi op het land.

Soppig = Drassig land.

Spännen = Komt er op aan. Koe spannen. Aantrekken.

Spore = Rond dakhout.

Spekzwöre = Spekzwoerd.

Spi’je = Spuug.

Spi’jen = Overgeven.

Spiernakend = Ongekleed.

Spinde = Broodkaste. Dikwijls tussen twee bedsteden.

Spinhuus = Gevangenis.

Spinnen = Uit logeren gaan. Snorren van poes.

Spinster = Vrouwelijke loge. Zij die wol spint.

Spit = Stok waaraan worst hangt.

Sprao = Spreeuw.

Spreu = Verharde, ruwe huidplek. Geïrriteerd vel.

Sprikke = Mager persoon.

Spuite = Geweer. Jachtgeweer.

Spul = Eigen bezit van vastgoed. Ding.

Speulen = Spelen.

Spullegien = Klein boeren bedrijfje.

Steek = Pijnscheut. Snoep. Soort hoed.

Steeks = Onwillig paard.

Steern = Ster.

Stekelboord = Stoppelbaard.

Stellegien = Paartje.

Stellegien = Petroleumstel.

Stelten. = Stollen.

Stennen = Drukken op de W.C. met geluid.

Steugien = Poosje.

Stiefelen = Op hoge benen lopen.

Stiems = Koppig.

Stillegies = Stiekum.

Stobbe = Stuk boomstam net boven de grond.

Stoeken = Opstuiken.

Stoers = Stuurs.

Stoetäspel = Lomperik.

Stoete = Kont. Brood.

Stom = Verbijsterd.

Stomp =  Duw met vuist. Helemaal

Strabant = Brutaal.

Strage = Strak.

Sträkkies = Zo met een.

Stre-bant = Brutaalachtig.

Strink = Streng.

Stront = Koemest.

Strontdink. = Iets van geen waarde.

Strontjonk = Vervelend jongetje.

Strooplikker =  Hielenlikker. Vleier.

Sunteklaos = Houterig persoon.

 

 

T.

 

Takse = Taak. Benen met O stand.

Taksepoot = Bepaalde stand der benen.

Talolt = Geschild stuk eikenhout van 25 cm.

Tammee = Straks.

Tamper = Zurig.

Tange = Kreng. Ondeugend oud wijf.

Taofel todde = Vaatdoek.

Taoinat = Eerste vocht voor het kalven in speen.

Tebaksspi’je = Kwalster van een kauwer.

Teeuwsegheid. = Geehonger.

Tek e red = Ik heb het gered.

Teutebelle. = Babbelende vrouw.

Teuten = Kletsen.

Titte = Tepel.

Todde = Poetslap.

Todden = Verslepen.

Toefte = Kuif.

Toeke = Teef.

Toeksen. =  Froemelen.

Toemelen. = Vallen.

Toer = Moeilijk.

Toeselen = Duikelen.

Toestebolte. = Lisdodde.

Toevedan = Langzamerhand.

Touws = Gedresseerd.

Troe = Paard wat achteruit moet.

Tukke = Speen.

Tukken = Een dutje doen.

Tuksen = Met twee benen tegelijk naar voren springen.

Tumpe = Punt.

Tweedonker = Schemerig.

 

 

U.

 

Ubberig = Huiverig. Rillerig. (Van kou)

Uisterig = Onstuimig weer.

Ukien = Woonkeuken.

Upzele = Bretel.

Umdäle = Naar beneden.

Ummenan = Ongeveer. Om en om.

Ummes = Immers. Hij/Zij.

Ummesien = Die.

Ummetrekken = Omkeren. Omtrekken.

Umsgelieks = Ongeveer als.

Usselen = Schudden.

Usien = W.C buiten.

Uushenne = Graag thuis.

Uusterig = Ruw weer.

Uutduun = Verklaren.

Uutfeneren. = Uitdenken.

Uutfloepen = Plotseling uitgaan. (van licht of vuur)

Uutkraomen = Alles wat je weet vertellen.

Uutsieferen = Uitrekenen.

Uutskot = Rommel.

 

 

V.

 

Va = Vader.

 

Vaar = Vader.

Vanlaast = Even geleden.

Väste vätte = Helemaal niet.

Vebelige. = Verbeelding.

Veblikken = Verbleken.

Veerte = Verte.

Veile = Dweil.

Veklongelen. = Niet meer weten waar je het gelaten hebt.

Vekollen = Verkouden.

Venemstig = Slim.

Veraldereerd =  Verbouwereerd.

Verdikkemien = Bastaard vloek.

Verdullemien = Bastaard vloek.

Verdummelen = Zoek maken.

Verguppen = Overstuur. Breken.

Verhapstukken. = Nog veel te doen.

Verknuppen = Beslist niet doen.

Verneuken = Bedriegen.

Verpoeren. = Verprutsen.

Verrinneweren = Ruineren.

Verscheuten = Verbleken van kleuren.

Verskeuvelink = Buitenstaander.

Verslodderen = Geen onderhoud.

Verslonzen. = Geen onderhoud aan kleren.

Verspikken = Naar uitzien.

Verspochten = Verschimmelen.

Verstoeken = Verzwikken.

Vertesteweren = Ruineren.

Verzoepen = Verdrinken in Water. Of geld doordraaien met alcohol.

Véteren = Hard rennen.

Veugelties = Vogels.

Veulerlei = Velerlei.

Viezelen = Hard rennen.

Vimme = 104 bos.

Vlärke = Vleugel of deugniet.

Vluus = Vlies.

Voel = Vies. Bebroed ei wat onvruchtbaar is. Nageboorte Koe.

Volde = Vouw.

Volk = Ook roep aan de deur.

Voordemaken = Opschieten.

Vördel Jaors = 3 maand.

Vrakschouwen  = Verdenken.

Vrange = Koud vuur = Bloedvergiftiging.

Vreteri’je = Voedsel.

Vruten = Wroeten.

Vulte = Overvloedig.

Vut = Vooruit.

Vutgaon = Weggaon.

Vuus = Veel.

Vuve = Vijf.

 

 

W.

 

Waffende? = Welke?.

Wammes = Sul.

Wang = Kade. Dijkje

Waoghals = Waaghals.

Waogwärk = Waagstuk.

Wasseldoek = Vaatdoek.

Wavveuriene. = Welke.

Weergates = Ondeugend.

Weerzeerte = Stralingspijn.

Welen. = Sommigen.

Welles = Waar.

Wellies. = Zo af en toe.

Wemelen = Heel veel klein spul.

Wichien = Meisje. 25 kg vis.

Wicht = Kind.

Wiedweg = Ver weg.

Wief = Vrouw.

Wiek = Week.

Wieke = Molenwiek.

Wiekzerig. = Weekzerig.

Wielluu = Wij.

Wier = In t’wier hebben met iemand.

Wierbössel = Druk jong iemand.

Wiere = In de war.

Wiertrupien. = Alles in de war.

Wiesneuzenzolt = Afschepen van een kind.

Wiltvank = Jager

Windbule = Lawaaierig.

Worst = sloot.

Wullegien = Warme borstrok

.

Z.

 

Zabben = Sabbelen.

Zagemaal = Zaagsel.

Zakallozie = Zakhorloge

Zanikken = Zeuren.

Zat = Genoeg.

Zeerte = Pijn.

Zeien = Zaaien.

Zeiken = Plassen.

Zeikerd. = Naar iemand.

Zemels = Zenuwen.

Zerigheid = Pijntje.

Zeugemotte = Slordervos.

Zeugien = Zootje.

Zeurzokke = Zeurpiet.

Zeveren = Kwijlen.

Zi’je = Zeef.

Ziedeure. = Zijdeur.

Zinkens = Stralingspijn bij de ogen.

Zinksoese = Oorveeg.

Zinksoeze = Draai om de oren.

Zinnig = Gemakkelijk.

Zobberig = Overmatig dik.

Zodde = Plantengroei op water. Drijvend.

Zoegen = Zuigen.

Zoep = Dorst.

Zoeperd of zoeplappe. = Drinkebroer.

Zoerbranden = Oprispen.

Zoerproeme = Zuurpruim.

Zog = Moedermelk.

Zokke = Sloom persoon.

Zokkerig. = Broeierig weer.

Zo-metene = Bijna.

Zomp = Trogge.

Zooie = Graszode.

Zuken = Zoeken.

Zute = Goed opgepast vandaag.

Zuties = Kalm.

Zwärven = Dolen.

Zwik = Veel.

Zwil = Eelt. Rol hooi op het land.

Zwil-ässens = Domkop (Scheldwoord)