Kamperveen

 Pastoor, 

 

 

Wedeme.

 

 

De ‘Wedeme, of Weme’, zo werd de woning van een pastoor of priester in vroeger tijden genoemd. Nu beter bekend als de ‘pastorie van de dominee’.

 

De eerste Weme is zo rond 1350 aan de Leidijk naast het daar staande kerkje gebouwd. U moet dit zien in het licht van een simpel in elkaar gezet enigszins gelijkend houten boerenkotje. De bewoner en het binnen verblijvende kleinvee leefden tezamen in één en dezelfde ruimte. Woon- en stalgedeelte vormden zo één geheel. Daar werd ‘gezamelijk’ gebivakkeerd. Men at, dronk en sliep er bij elkaar. Leven in zo’n huisje, met stalletje voor een enkel stuks vee, had zo haar eigen bekoring en voordeel. In de winter naast behaaglijk warm, bracht het de gezelligheid en verdreef het de eenzaamheid.

Een alleenstaand pastoor kon er in die tijd, met de toen geldende sociale en maatschappelijke maatstaven riant in wonen. De huisdieren dienden maar al te vaak als aanvulling in het onderhoud van de sobere levens behoeften. Later kon een enkele gegoede pastoor zich een huishoudster veroorloven. Maar dat was voor Campervenne een ongekende luxe. Naast de geestelijke zorg van ‘Herder’ voor de inheemse ‘luuden’ had hij ook een taak om zorg te dragen voor enkele dieren zoals een rond scharrelende kip, wat tammere wilde eenden, een enkele gans, geit en of schaap. In latere tijden werd er soms een melkkoe aan toegevoegd. De pastoor en zijn dieren vormden zo een echt gezinnetje.

 

Het duurde niet zo erg lang of de Paapse gemeente van Campervenne verwierf ook leenrechten op enkele ‘ackers’ land. De kerkmeesters die daar over gingen verdeelden de gebruiksrechten en wezen ook de ‘herder’ dikwijls een pietepeuterig stukje rietland toe. Tussen het hoog op groeiende riet vond men zelfs hier en daar zowaar een graspolletjes. Daarop kon hij zijn karige vee weiden. Ze waren nogal terughoudend in het aanbieden van deze voorzieningen, bang dat men te royaal omsprong met de kerkelijke eigendommen. Niet zelden was het te groot om de dieren te laten verhongeren. Een paapse geestelijke had eens tijdens de lange donkere wintermaanden een houten muurplaatje vervaardigd met daarop in kunstig houtsnijwerk de latijnse tekst, zodat niemand het ontcijferen kon,

 

 

“Zo tussen huid en bene,

 

Leeft de armoe van het vene”.

 

 

Daarnaast moest de pastoor zelf zorgen voor wintervoeder. Grasplukken en hooien behoorde ook bij ‘pastorale’ werkzaamheden. Dat deed hij dikwijls Zondags middags na de hoogmis. Want tijdens die ochtendse plechtigheid zwaaide hij ook, onopgemerkt voor de aanwezige parochianen, één keer met de weikwast richting zijn drogende gewas. Niet zelden stak er dan een fris briesje op en brak een sterk en warm zonnetje door de wolken. Het ‘gewijde’ hooi was van veel betere kwaliteit dan dat van zijn onderdanige parochianen. Die begrepen daar niets van. Hoe kon een leek die de kennis van Rome uitdroeg over Campervenne nou kwalitatief beter oogsten dan de met de natuur vergroeide landbewerker? Onbegrijpelijk! Maar de voorganger verklapte wijselijk zijn geheim niet. Want dan moest hij alle boeren langs met weiwater en zoveel had hij nu ook weer niet op voorraad. Wel gingen toen veel inwoners Zondags na de mis, even als de pastoor, oogstwerkzaamheden verrichten.

 

En zo hielpen zelfs de eerste pastores van Campervenne mee aan de ontginning.

 

Wedeme en kerk aan de Leidijk hadden veelvuldig met stormvloeden en overstromingen te maken. Niet zelden stond het water ellen hoog in de wedeme. Storm en waterschade traden vrijwel jaarlijks op. Een jaar zonder overlast was meer uitzondering dan regel.

 

De eerste 250 jaar beleden de bewoners van Campervenne het Katholiekisme. In die lange periode hebben heel wat priester hun taak gevonden in het kerkje aan de Leidijk. Velen van hen bewoonden de wedeme en hebben er hachelijke situaties meegemaakt. Men kan en mag rustig aannemen dat er in die twee en een halve eeuw heel wat leed en schade is aangericht. Onder de bewoners zijn vele slachtoffers gevallen.

 

 

 De zeer beruchte en uitzonderlijk zware en alles verwoestende Sint Elizabeth vloed van 1421 heeft vele mensenlevens opgeëist. Ook de minder bekende maar toch vele slachtoffers eisende Palmvloed van 1446 heeft in die tijd zware littekens achter gelaten.