Kamperveen

 Tutenberg kolk.

 

 

 

            Op een stormachtige herfstavond trokken twee zwaar bebaarde en van lang en ruig haar voorziene, diep gekromde figuren door de Binnenlandse weilanden richting de Leidijk. De kragen van hun oude Duffelse jassen stonden zo hoog mogelijk en de pet zat heel diep tot op de oren. Hun ogen priemden door het diepe duister. Het waren schimmige figuren die zwijgend, enkele meters achter elkaar aansjokten. Zo nu en dan kwam er een vleugje maanlicht tussen de voortjagende wolken door en gaf aan het geheel een nogal mysterieus tintje. Wat zouden deze spookfiguren in hun schild voeren? Wat speelde er door hun brein? Zwijgend en zwoegend tornden ze tegen de stormachtige wind in. Hun instinct was hun kompas.

 

         Zigzaggend langs sloten, paden, door dammen en over hekken klauterend, gingen ze zwijgzaam en onvermoeid verder. Eindelijk bereikten ze de Dompe. De plek waar toentertijd een kerkje met toren stond. Schijnbaar was dat het doel wat hun voor ogen stond. Rondom dit kerkje lag, zoals in die tijd gebruikelijk, een kerkhof. Nadat ze de omheining waren gepasseerd, kwamen ze tussen de grafstenen. Plotseling keek de volle maan over een zwarte wolkenrand en verlichtte de begraafplaats met haar schijnsel. De mannen keken omhoog en gelijk recht in de ogen van het alziende maanmannetje. De èèn zag duidelijk zijn waarschuwende wijsvinger in de hoogte gaan. Een moment van twijfel beving ze. Maar ze waren nu zover dat ze besloten om toch door te gaan. De gehele begraafplaats baadde in een zee van maanlicht. Dat vereiste een geheel andere aanpak om ongezien te blijven. Ze strekten hun gekromde ruggen en namen een grafsteenhouding aan.. Als levende grafstenen schuifelden hun silhouetten heel behoedzaam tussen de overige door en verdwenen tenslotte in de maanschaduw van het gebouw. Toen trok ook de maan zich maar weer terug achter een wolk. Men schoof heel dicht langs de muur richting kerktoren. Bijna onhoorbaar werd er zachtjes gemompeld tussen die twee. Bij de deur van de kerktoren gekomen bleven ze staan. Keken met spiedende ogen om zich heen of er ook onraad te bespeuren viel en toen dit niet het geval was besloten ze tot actie over te gaan. Voorzichtig forceerden ze tijdens een huilende en zware stormvlaag de deur van de kerktoren en gingen naar binnen. De ladder die naar de torenspits voerde lag op de grond. Deze werd rechtop gezet en èèn van de twee klom naar boven terwijl de ander de ladder vasthield. Bij de kerkklok gekomen probeerde hij deze uit haar stoel te lichten. Maar die was zwaar, veel zwaarder dan hij had verwacht. Tijdens het loswrikken raakte de klepel enkele malen de klok en galmde luidruchtig over de vlakten van de polder Campervenne.Het gebruikelijke ritueel van elke zondag morgen. Maar deze keer had haar klank duidelijk een andere ondertoon. De klok riep schijnbaar om hulp, maar niemand die haar noodkreet verstond of hoorde. Zelfs de predikant die in de er naast staande pastorie woonde dacht dat het de stormwind was die de klepel beroerde. Toen werd de pet van het hoofd gerukt en om de klepel gebonden zoals een prop in de mond van een gevangene wordt gedrukt. Zo werd de klok het zwijgen opgelegd. Na enige tijd noeste arbeid en inspanning, bereikte de klok toch de begane grond. Met hun tweeën pakten ze de buit vast en zeulden deze naar buiten.

 

In de maneschijn vertrokken ze met hun buit richting Hogeweg. De klok was evenwel veel zwaarder dan ze hadden verwacht. Dat betekende evenwel een vette buit. Telkens moest er dan ook een rustpauze worden ingelast. Toen ze op de Hoogeweg aankwamen bleken zij in de buurt van de "Tutenbergsche" kolk te zijn. Inmiddels was het al ver naar middernacht en men zag wel in dat ze voor het licht werd hun klus niet konden klaren. Men nam toen het besluit om de klok tijdelijk tussen het riet van de "Tutenbergse kolk te verbergen en deze later te gaan halen. Men wachtte enige tijd totdat de maan weer door de wolken tevoorschijn kwam om hun bij telichtten. En zowaar na een korte pauze streek het maankereltje zijn hand over zijn hart en lichtte hen bij.  Met zijn onmisbare hulp vonden ze een geschikte plek. Zo baanden ze zich een pad door de struiken totdat ze aan de rietkraag kwamen. Na onderling overleg werd besloten om de klok toch nog enkele tientallen passen verderop te brengen en deze diep onder de begroeiing te verstoppen zodat alle sporen waren uitgewist. Enkele nachten later zouden ze haar dan halen. Tijdens  het laatste stukje merkten ze wel dat de ‘grond’ onder hun voeten steeds zachter werd, maar niet dat ze gezamenlijk steeds verder in het wegzakkende veenmoeras terecht kwamen. Bijna waren ze op de uitverkoren plaats aangekomen toen van een de beide benen wegzonken tot aan zijn kruis. Onmiddellijk lieten ze de klok vallen. Evenwel deze was zo zwaar dat hij tergend langzaam door de moeraslaag verdween naar de 25 voet lager gelegen bodem van de kolk, degene die hem het langst vasthield  meezuigend. Door tijdig zijn armen zijwaarts te spreiden en op het moeras te leggen kon hij zijn hoofd boven water houden. De andere begreep direct de penibele situatie en maakte dat hij rechtsomkeert weg rende om zijn vege lijf te redden. Even verderop bleef hij taan om over de ontstane toestand na te denken, hij twijfelde of hij terug zou gaan om zijn makker te redden of dat hij zich zo snel mogelijk uit de voeten zou maken. De buit was immers toch verloren en hij moest voor het ochtendkrieken thuis zijn. Impulsief besloot hij om  de onheilsplek de rug toe tekeren en te vertrekken. Zijn compagnon daar had hij verder dan ook geen ommezien meer naar. Die zou snel de weg van de klok gaan volgen. Al  peinzend wrong hij zich door het dichte rietgewas. Toen haakte zijn voet achter een afgewaaide boomtak en struikelde hij  voorover met zijn gezicht in enkele rietstoppels, krabbelde weer overeind en met een stortvloed van barbaarse verwensingen verliet hij de moerrassen van de Tutenberger kolk. Onbekommerd liet hij zijn collega achter zich. Tijdens de afgang beten enkele schurkenluizen hem achter de oren.Tijdens het krabben bedacht hij zich, draaide zich abrupt om, pakte de lange tak, en liep heel bedacht- en behoedzaam zo dicht mogelijk naar zijn maat , zette de boomtak rechtop en liet hem toen vallen direct naast het hoofd, wat nog juist bovende ‘zompe’ uitstak.

 

Deze greep de tak met beide handen vast en werkte zich, met het laatste restje energie dat hij nog over had, uit het moeras. Stond zich even van het overtollige water te ontdoen en wilde naar zijn maat. Maar toen hij het rechterbeen optilde voor de eerste pas schoot de linker weer door het groene tapijt. Slaande met handen en voeten gleed hij tergend langzaam weer naar beneden. Zijn schrikbarende keelgeluiden deden herrinneren aan die der klok voordat haar klepel met de pet het zwijgen werd opgelegd.Als een schaduwbeeld zag zijn maat hem tergend langzaam één worden met het geheimzinnige stukje natuur. Het borrelende moerrasgas markeerde het gat in de zudde.Een glimp van het maankereltje,wat over een wolkenrand gluurde, deed de laatste blaasjessporen sprankelen en spetteren. Ten lange leste verstomde ook het borrelen en sloot het trilveen het gordijn.Een beangstigende en inmense stilte nam bezit van de Tutenberg. Besmeurd en zwaar aangeslagen draaide de ander zich om en keerde de kolk de rug toe. Nog maar enkele passen van de plek des onheils verwijderd in de donkerte van de nacht, luidde plotsklaps de klok vier keer, vier uur in de nacht. Zijn maat trok aan de bel. Die klank klonk als een gesmoorde smeekbede: “Waarom, toch, o, waarom. Waarom moet dit!” Verstijfd van schrik en bevend als een jonge hond, stond zijn makker als een paal in de grond verankerd. Keek of er ook schimmige figuren rondom hem zweefden, om vervolgens kontack met het maanmannetje te zoeken, maar de maan verborg zich achter een zwarte wolk. Hij had maar één keus, omkeren om vervolgens in de duisternis te verdwijnen. Maar de klok en zijn maat  zijn hun avontuur bij lange na nog niet vergeten. Elke nacht omstreeks vier uur herhalen zij hun hulpgeroep, dan klept de klepel vier keer tegen de klok. En dat al enkele eeuwen lang. Weliswaar elk jaar wat zachter. Maar boze tongen beweren: wie heden ten dage om vier uur in de nacht goed luistert hoort de fluisterende stem van de verdronken klok en zijn maat nog steeds. De laatste jaren klinkt hij weer helderder. Waarschijnlijk is de pet om de klepel verteerd. "Bam....., Bam........Bam ....” en dit vier keer met een heel opmerkelijke lange nagalm die fluisternd over Campervenne echo’d . Hopelijk voor de klok vindt hij de plek nog weer eens terug waar hij thuishoort om zijn roepstem over de vlakke velden van Campervenne te laten horen.....!