Kamperveen

 

 

  Linde verteld.

 

 

         Een “leilinde” is van oudsher door de eeuwen heen een siermeubel van menig Campervennes boerenhofstede. Ze heeft als zodanig een uitzonderlijke geschiedenis achter zich. Goed geleid en vakkundig gesnoeid vormt zij vele en stevige armen met aan het eind oersterke knuisten. Kortom een boom met veel symboliek en allure.

 

Deze bomen konden bijzonder oud worden. Wanneer ze jaarlijks werden bijgesnoeid en vooral in de begin periode goed werden geleidt, vormden ze een zeer specifieke kruin die haar eigen keurmerk tooit. Een aantal bomen op een rij vormen met elkaar een geheel. De kruinen aaneensluitend vertonen ze een haag op stammen. In de zomer gaven ze behoorlijk schaduw en luwte. In de winter vormen de bladloze armen een bijzondere structuur met decoratieve vormen. Met een beetje fantasie herkent men er vele gezichten en uitdrukkingen in en ook het stoere en statige van de boom in zijn totaliteit geeft dan veel schoonheid.

 

         Campervenne kende in het verleden veel boerderijen met voor de voorgevel van de woning een rijtje leilinden. Ze sierden het geheel bijzonder en bepaalden het aanzien van het landschap. Daarnaast waren ze ook heel nuttig Het was karakteristiek voor boerenerven.

 

         In de 14e en de 15e eeuw stonden er nog diverse boerderijen aan de Leidijk. Ook stond er toen een kerkje met er naast een Pastorie. Voor deze pastorie stonden vier stoere linden van meer dan een eeuw oud. Ze hadden door de jaren heen heel wat stormen en watervloeden getrotseerd Trots bleven ze altijd overeind. Soms leek het dat ze tijdens een storm elkanders hand vast hielden om zo gezamenlijk de onstuimige elementen te weerstaan.

 

         Tijdens een van deze zeer uitzonderlijke stormen in 1446, de zogenoemde “Palmvloed”, gepaard gaande met zware overstromingen, had de pastorie het ook erg moeilijk gehad. Zwaar beschadigd kwam ze bij het krieken van de dageraad te voorschijn. Ook het er naast staande kerkje was er niet zonder kleerscheuren afgekomen. Terwijl drie van de vier linden, die  voor de pastorie stonden, waren gesneuveld. Bedroefd keek de overeind gebleven Linde naar zijn gevallen kameraden. Ze waren gezamenlijk opgegroeid en hadden heel veel wel en wee in de lange jaren van hun bestaan gedeeld. Maar nu waren de gevallenen veroordeeld tot voedsel voor het open houtvuur van de Pastorie of  de kerk, Ja, misschien wel voor Griette Gerrits.

 

De oude linde voelde pijn. Zijn leven was gebroken. Nooit meer samen in de rij om de dagelijkse beslommeringen te bepraten. Mismoedig stond ze zo te mijmeren en ze vroeg zich af hoe het nu verder moest.

 

         Ja, hoor, daar heb je het al. Enkele dagen later kwam Costus (koster), Aosse Hakse. Met een grote bijl over zijn schouder stapte hij over de eerste linde en de tweede naar de derde toe. Vervolgens keek hij enkele malen om zich heen, spuwde daarna in beide handpalmen en sloeg met een enorme zwaai de armen stuk voor stuk van het lichaam van de omgewaaide bomen. Hij hakte alles in mootjes hout en stapelde die op in het houtschuurtje achter de pastorie. Ook de stoere lichamen van de andere linden werden daarna bewerkt tot houtblokken.

 

 Eenzaam staarde de oude linde over de kale vlakten van het weidse  Campervenne. Peinzend vroeg zij zich af: Zou de houtklover zo meteen mij ook vellen?. Stilletjes hoopte ze er eigenlijk een beetje op. “Wat moet ik hier zo eenzaam en alleen”. Wacht, daar komt hij weer!. De oude, eenzame linde kneep zijn oogjes een beetje dicht. Zo meteen wordt de bijl aan mijn wortel gelegd, en val ik voorover. Hij rilde toch even bij die gedachte. Aosse Hakse stond even stil, draaide zich een kwart slag en keek naar de overgebleven boom en mompelde binnensmonds: “Die staat er nog vitaal bij”, die kan nog best een aantal jaren mee”. Voorlopig hebben we hout genoeg. Daarna verdween hij naar zijn huisje even verderop.

 

         Enkele dagen later kwamen er ambachtslieden. Die begonnen de Pastorie te herstellen en daarna werd provisorisch ook de kerk wat opgeknapt. Tegen het voorjaar kwam Aosse Hakse naar de oude linde toe en vertelde dat er over enkele dagen drie jonge boompjes zouden worden geplant. Eèn ter rechter- en twee ter linkerzijde. “Drie jonge boompjes,  met van die hele iele en tere stammetjes, ondersteund door palen, wat moet ik daar nu mee”?

 

Evenwel stond daar enkele dagen later, “Opa met drie kleinkinderen”.

 

 

 

         Op een ruige, winderige avond in de late herfst zei de oude Linde tegen de drie kinder-linde’s: “Zal ik jullie eens een verhaaltje vertellen?. Ik heb, zo sprak opa, hier al zo’n 150 jaar gestaan en heel wat mee gemaakt. Daar weten jullie geen van drieën iets van. En als ik straks ook een keer omwaai en tot brandhout wordt gehakt, dan zijn al die belevenissen voorgoed verdwenen. Vinden jullie het niet leuk dat ik iets uit het verre verleden ga vertellen? Ja....!, dat leek ze alle drie erg leuk. Maar zei opa:” Jullie moeten mij wel beloven dat als je later ook oud geworden bent, het weer door zult vertellen aan andere jonge boompjes, dan weet iedereen wat er vroeger op Campervenne gebeurt is. Nou die belofte deden ze natuurlijk graag..

 

 

         Opa “Leilinde” schraapte zijn droge schorre keel en met een heel diepliggend stemgeluid begon hij aan zijn eerste “sage”;

 

Bron: van Internet.

 

 

 

 

Drie minuten gaans verderop staat een eindje van de Leidijk verwijderd het spulletje van Griette Gerrits. Een oud vrouwtje die al verscheidene jaren weduwe is. Ze had geen kinderen en woonde daar helemaal in haar eentje. Het huisje lag achter een kolk, verscholen tussen hoge bomen, wild gegroeide struiken en heel veel riet. Zo te zien een beetje onverzorgd. Het was een oud vervallen boerderijtje maar uitermate sterk, want het trotseerde elke storm. Wanneer velen schade opliepen bij storm en overstromingen; het huisje van Griette kwam altijd ongeschonden uit de strijd te voorschijn. Daar werd door andere bewoners wel eens over geroddeld. Hoe zou dat nou toch kunnen?. Boze geruchten deden wel eens de ronde dat het er niet helemaal pluis was. Dat ze magische krachten bezat. Griette had heel weinig land en een klein moestuintje waarin ze wat groente en wat kapucijners verbouwde. Maar dat was bij lange na niet voldoende om van te leven. Ze kreeg ook wel eens wat van een goede boer en ook wel eens iets van de kerk. Maar de mensen gingen er niet zo graag naar toe, want dan werden ze door de overige bewoners nagewezen en gingen ze over de tong. Alleen Aosse ging er wel eens een enkele keer heen om poolshoogte te nemen . Hij hielp haar ook wel eens ergens mee, maar verder gingen ze er het liefst met een grote boog omheen. Vooral als het donker werd, want dan spookte het daar, zo werd er verteld.

 

         Naast de pastorie richting Zuideinde stond een boerderij; “Oerzandrug” genoemd. Daar woonde Geert Greatz met zijn gezin. Onder de Campervenners de “rugge” genoemd. Enkele jaren had hij heel goed geboerd. Hij had veel hooi gewonnen en ook het vee had het goed gedaan. Zo kon het gebeuren dat hij in oktober van dat jaar tegen zijn vrouw zei: “Vrouw, wij konden wel eens een varkentje wassen” (slachten). Nou dat leek zijn vrouw en kinderen ook wel wat. Heerlijk, zo’n stukje vlees en spek van een mals varkentje. Zo kon het gebeuren dat op een mooie dinsdag het water in het stookhok aan de kook werd gebracht om het varken te schrobben. Nadat de buitenkant van het haar was ontdaan werd het aan een ladder gehangen om het te laten besterven. De familie was helemaal in feeststemming. Tegen de avond toen het geslachte varken voldoende was afgekoeld werd het naar binnen gehaald om verder te worden bewerkt. Een gedeelte werd in een houten ton ingezouten. De beide hammen werden klaar gemaakt voor schenken en van het restant werd “met”- en balken brei gemaakt. Toen het vlees tot “met” gesneden was en gekneed werd het vermengd met smaakmakende  kruiden. Nu was men zover om er worst van te draaien. De gehele familie zat op de Goot aan de grote tafel. Met een ijzeren trechter waarover de darm aan de tuit werd geschoven, werd met twee duimen om en om de ‘met’ in de darmen gedrukt. Wanneer het stukje darm stevig gevuld was werden de twee eindjes met een houten worstpen aan elkaar gestoken.

 

Al met al een tijdrovend karwei. Toen na enige tijd het laatste stukje darm gevuld was, was er nog wat “met” over, daar werden toen gehakt ballen van gedraaid. Dat deden ze tussen de beide handpalmen. Toen iedereen zo’n beetje klaar was ging de boerin gebrand water (alcohol) halen. Ze pakte grote kommen zonder oor en schonk iedereen een bak in. Achterover leunend in zijn terug geschoven stoel overzag hij vol trots de tafel. Een piramide van worst die je het water in de mond liet vloeien. Groot en klein, telde hij er 46. “Wat een rijke dis”; waren zijn spinnewebsels. Genoeglijk en tevreden schoven ze de stoel een “elletje” achteruit om achteroverleunend extra van het gebrande water te genieten.

 

Wat ze echter niet hadden gemerkt was dat er spiedend door de opening van het gootgat de kop van een grote zwarte kat verscheen. Die rook vlees. Likkebekkend met zijn tong en genoeglijk knipperend met zijn ogen, draaide hij rondjes met zijn opgezette staart. Plotseling ondernam hij een rush en..... schroem...... daar stond zij midden op de tafel, greep een klein worstje en ging er als een haas vandoor. De familie Greatz schrok zich te pletter. De vrouwlui gaven een gilletje en trokken de benen onder de rok omhoog om daarna versteend te blijven zitten. Maar Greatz sprong gelijktijdig op en gaf met zijn rechtervoet een fikse trap richting kat, deze werd wel geraakt maar verdween rollend met de metworst door het gootgat. De boer raapte de twee helften van zijn gebroken klomp bijeen en mopperde in zichzelf: ‘Die kan nog wel gerepareerd worden’. Die kinderen zeiden: “Van wie zou die zwarte kat toch zijn?, in de hele buurt komt geen zwarte kat voor. Niemand wilde een zwarte kat want dan haalde je een heks in huis, met alle gevolgen van dien. Maar Greatz en zijn vrouw keken elkaar alleen maar aan en deden er verder het zwijgen toe. Nadat iedereen weer een beetje van de schrik was bekomen werd het tijd om de worst aan stevige berken stokken te schuiven. Deze werden in de schoorsteen boven het houtvuur gehangen. Op het vuur werd een hoeveelheid niet al te droog hout geworpen zodat het goed rookte. Zo kwam er een lekker scherp rooksmaakje aan. Na een uurtje begon het vuur te smeulen en werd het tijd om onder de dekens te kruipen. De vrouw kroop via een stoof als eerste de bedstee in gevolgd door de “rugge”. Toen ze zich goed hadden geïnstalleerd zei Greatz tegen zijn vrouw: “ Zou het dan toch waar zijn dat die Griette een heks is en dat ze zich kan verpoppen in een zwarte kat”. Als je alles goed nagaat dan moet dat wel haast. Hoe kan ze anders in haar onderhoud voorzien en hoe komt ze aan voldoende eten? Als zij iedere nacht als zwarte kat op strooptocht gaat en elke keer met buit thuiskomt dan is deze vraag opgelost. Dan weten wij hoe Griette aan de kost komt. Al filosoferende sliepen ze tenslotte in een diepe slaap.

 

         De volgende middag na de nodige werkzaamheden en het eten zei Greatz tegen zijn vrouw: “Ik ga vanmiddag de Pastoor en de koster een worst brengen en Griette misschien een kleintje, maar daar moet ik eerst nog even over nadenken. Met drie worsten in de binnenzak van de Duffelse jas stapte de “Rugge” naar de Pastorie. Daar werd hij natuurlijk met open armen ontvangen. Vervolgens liep hij naar de koster, Aosse Hakse. Moet je eens luisteren Aasse, ik heb gisteren een varkentje geslacht en vandaag kom ik je een worstje brengen. “Geweldig kerel!”,  zei Aosse, ...geweldig. Hij is al gerookt hoor! Nou dan hang ik hem eerst nog een poosje aan de zolder. “Zou je dat wel doen?” “Wees maar voorzichtig”, zei de “Rugge”. En toen vertellen hij het verhaal van de zwarte kat. “Nou Greatz ik kan je wel vertellen dat het mijn katte niet is geweest want ik heb er geen...” grinniken de koster met pretlichtjes in de ogen. Nadat ze een tijdje over koetjes en kalfjes hadden gekletst zei Aosse: “ Ik moet straks nog eventjes naar Griette, die heeft gisteren haar voet verstuikt en kan niet best lopen zodat ik de geit even ga verzorgen. Waaa...t!, zie de “rugge”, en werd lijkbleek. Wat is er.....? vroeg Aosse, wordt je niet lekker? Jawel, maar ik schrok een beetje. “Aan welk been zit de voet die ze verstuik heeft?” Vroeg de “Rugge” zo tussen neus en lippen door. Nou, dat weet ik niet, ik geloof van de rechter. Zie je wel, mompelde de “rugge”. Ik heb gisteravond die zwarte kat tegen de rechterachterpoot geschopt. Toen sloeg Aoasse bijna dubbel van het lachen. Ha,...ha.....ha. Schaterend zei hij: “ Maar Greatz, jij wilt mij toch niet vertellen dat je in hekserij gelooft! Heb jij haar dan wel eens op een bezem rond de kerktoren zien zweven?”  “Ik....e... heb er wel eens wat zien rondfladderen, maar ik weet niet of dat Griette was, het kan ook wel een nachtuil geweest zijn”, probeerde de “Rugge” zijn gezicht te redden. Griette is een gewone vrouw, nou ja wel iets anders als een andere, dat is waar. Maar als je jaren alleen woont dan wordt je dat ook wel een beetje. Maar Greatz, als je nou eens niet haar rechterachterpoot geraakt had maar een fikse trap op haar staart had gegeven, wat zou Griette nu dan mankeert hebben? Boer Geert draaide zijn ogen alle kanten, zag alles groen en geel, knipoogde een keer en sloeg de ogen naar de grond. Vervolgens verscheen er een kiespijnachtig glimlachje op zijn gezicht. Toen zei hij:.......: “Ik heb nog een klein worstje in mijn zak, ik geloof dat ik die haar toch maar ga brengen”. “Wat?....., een klein worstje?”. “Dat zou ik beslist niet doen, Greatz”. Als die kater je op het pad ziet grijpt hij het en ben je nog een worstje kwijt. Je kunt beter haar de allergrootste brengen. Die kan die zwarte kat tenminste ook niet pikken. En Griette lust ook liever een grote. De “rugge” twijfelde even aan zichzelf, de man met een eigen mening, had hier niet van terug. Hij wist niet goed welke houding hij aan moest nemen. Toen ging hij de deur uit naar buiten, trok aan zijn pijp en blies een enorme rookpluim naar boven,  keek welke kant die opdreef en............ja hoor! toen ging hij richting erve “Oerzandrug”, om even later met een grote worst naar Griette te gaan. Griette wist echt niet wat haar overkwam. Een boer met een worst zo groot als ze in geen jaren had gezien. Ze kon haar ogen niet geloven. Zolang ze weduwe was had ze niet zo veel vlees gehad. Even later: “als jij mij een beetje help, Greatz”, zei ze tegen de boer, “dan probeer ik een pot geitedrank te zetten en dan drinken we gezellig samen een kopje”. zei Griette. De ontvangst was voor Greatz ongekend. Hij wou alleen maar de worst aan de deur afgeven, maar de stem van Griette trof zijn binnenste en hij had in geen jaren geitedrank gedronken. Griette pakte inmiddels twee koppen veegde ze schoon met haar slonde en zette ze op tafel. Instinctief liet de boer zich zakken op iets wat een stoel moest voorstellen. Toen ze samen na veel gebabbel, want dat was Griette nooit verleerd, aan het tweede kopje lurkten ging heel langzaam en knerpend de deur open en..... wie keek daar omheen? Juist, eerst de “pijp”, en vervolgens Aosse. De tabaksrook dwarrelde in slierten door het vertrek. “Ik kom even de geit verzorgen”, mompelde hij. “Kom der ook even bij zitten, Aosse”, zei Griette. En zo zaten ze met hun drieën gezellig de hele middag vol te babbelen over van alles en nog wat, behalve over heksen.