Kamperveen

 De ENCK.

 

 

De Enck, eens een hoofdaders van de IJssel, later een zijtak van deze rivier, heeft een niet onbelangrijke rol gespeeld in de historisch geschiedenis van Kamperveen. Vele eeuwen terug was deze tak zelfs hoogst waarschijnlijk de voornaamste waterafvoerader van deze rivier. In een later stadium,  na aanleg van de Venekade, werd de IJssel langs Campen geleid en kwam de Enck alleen bij overvloedig water nog in zicht als afvoer. ( Een soort bypass?)Wel stond ze in open verbinding met de Zuiderzee die in die tijd alsmaar in omvang uitdijde en sterkte toenam. Na de bedijking van de IJsseldijk (laterVenekade genoemd) en de Zwartendijk enerzijds en de Hogeweg en de Noordwendige dijk anderzijds, speelde ze een belangrijke rol bij overstromingen veroorzaakt door stormen, dikwijls gepaard gaande met watervloeden, vanaf het IJsselmeer. Het water stroomde dan vrijelijk de Enck binnen en overspoelde grote gedeelten van het open liggende achterland van Campervenne, Sallick en Hattemerbroek. Ja eigenlijk tot aan de natuurlijke barrière van de zandhoogten van het Veluwe plateau. Na het inpolderen van de buitengebieden rondom Campen en het ‘ Binnenland’ van Campervenne werden deze aangelegde dijken tevens gebruikt als doorgaand pad of weg. Over de kruinen, die het langste droog en daardoor dikwijls redelijk begaanbaar waren, verplaatsten zich de voetgangers, de trekhonden, ossenkarren en paarden met wagens. Toen Campen en Elburg zich meer en meer ontwikkelden als handelspartners, kwam er ook steeds meer behoefte om naast de drukke Zuiderzee vaarroute over water, een verbinding via land  te maken. De Noodwendigerdkae, later genoemd de Noordwendige dijk, werd eerst aangepast maar voldeed niet aan de verwachtingen. Ter compensatie en verbetering legde Campen met toestemming van de erfgenamen van Campervenne omstreeks 1400 een zandbedding aan tussen De Roskam en De Heuvels voor zogenaamd doorgaand vervoer. De huidige Naaldeweg. Vanuit Campen vertrok men over de zogenoemde Zwartekae (Zwartendijk) naar het Zuidwestelijkste punt. Dan moest het diepe plassen en poelen gebied “De Enck” worden genomen. Een niet zelden onoverkomelijke hindernis. Mede als gevolg van de getijden werking der Zuiderzee stond er altijd een behoorlijke stroming. Over het diepste gedeelte van deze zeer oude, voormalige rivierarm, werd toen overwogen om een veerpont in te zetten.. Het vervoer tussen Elburg en Campen nam steeds grotere vormen aan en men keek uit naar mogelijkheden voor een praktischer vervoer. Door verschillende natuurlijke omstandigheden moest het veer nogal eens uit de vaart worden genomen. In het jaar 1478 besloot men een dam te leggen door het water van de Enck. Maar de alsmaar toenemende  watervloeden tengevolge van het stijgende zeewaterpeil had deze simpele waterkering annex karrepad het zwaar te verduren. Twintig jaar heeft het dijkje stand gehouden. Helaas sterk ondermijnd verdween het tijdens een storm in 1498 om vervolgens het veer weer in ere te herstellen. Een landbouwer/visser van de Hogeweg die dagelijks viste in de wateren van de Enck bracht met zijn bootje ook wel eens voetvolk naar de overzijde. Tijdens zo’n behulpzaam dienstje vertelde een passant hem over de plannen die Campen had met het veer. Nog diezelfde dag, dacht hij daar nog eens goed over na. Een nachtje slapen bracht enige klaarheid en hij besloot toen om een particulier veerdienstje te beginnen. Met een grote oude schuit zette hij tegen een geringe vergoeding iedereen over het water van de Enck. Na korte tijd nam zijn klandizie snel toe. In Elburg en Campen ging het bij de kooplieden als een lopend vuurtje rond en een ieder die van de ene plaats naar andere moest maakte al snel gebruik van deze mogelijkheid. Het duurde dan ook niet lang of hij vervaardigde een soort pontje waarmee hij ook voertuigen over kon zetten. Ook hiervan werd druk gebruik gemaakt. Campen zag hierdoor nogal wat verdiensten aan zijn neus voorbij gaan. Het plan van het pontveer, waar men druk mee doende was, liet men varen en werd vervangen door een rigoureus idee, nl. om er een brug te slaan. Na een aantal jaren van overleg met Campervenner-erfganamen, besloot men rond het jaar 1500 definitief tot het bouwen van een brug en vrij kort daarna, in 1502, werd deze geopend. Een simpel houten en krakkemikkig brugje, vervaardigd van het goedkoopste materiaal, verbond de beide Oevers. Velen gingen er met angst en benauwd bevend overheen. De parochianen noemden deze brug: “die brugge der benauwende sughte”. Omdat ze na passage een zucht van verlichting slaakten. Bij een beetje wind, of zware vracht, slingerde en wiebelde het ding nog meer dan de pont bij een behoorlijke golfslag. Velen namen bij winderig weer dan ook liever het pontje, wat hun toch veiliger leek. Campenaren die gebruik maakten van de brug moesten een geringe vergoeding betalen, dat gold ook voor de bewoners van het Campervenne. Maar van Elburgenaren en andere kooplieden werd een forse tol geheven. Het geïnvesteerde geld moest zo snel mogelijk terug verdiend worden, zo waren de achterliggende gedachten. Verschillende handelslieden protesteerden hier heftig tegen. En menigmaal ontstonden er conflicten met de tollenaars van de brug. Niet zelden ontaarde dit in handgemeen met als gevolg dat ze weer uitweken naar het altijd nog in bedrijf zijnde particuliere veerpontje. Deze strubbelingen bereikten al spoedig het Elburger stadsbestuur. Deze waren toch al in hun wiek geschoten omdat Campen en Campervenne hen nooit hadden ingelicht over de plannen voor het bouwen van deze brug. Ze stuurden een pittig protest richting Campen en beklaagden zich over de hoge tol die er voor hun inwoners werd geheven. Ze wensten dat ze kosteloos van deze brug gebruik mochten maken. Kampen was zogenaamd hoogst verwonderd over dit beklag. Immers bij gebruik van het veer was er des winters bij storm en hoogtij niet zelden lijfsgevaar bij den overtocht. Nu kon men “veilig” de Enck passeren. Voor het veer betaalde men veergeld en bij gebruik van den brug betaald men bruggeld en ook nog met een veel veiliger overtocht. Cynische werd er op geattendeerd: “Neem gerust de pont, niemand zal U lieden dat beletten”.

 

Vele niet Campenaren die het aan de tijd hadden maakten gebruik van het vertrouwde veerpontje die een veel geringere vergoeding vroeg. Dit ten gunste van de Camperveense exploitant. De bewoners van Campervenne plukten ook de vruchten van de brug omdat ook zij tegen minimale kosten er gebruik van mochten maken.

 

Maar helaas de stormen en overstromingen stoorden zich niet aan de Camper belangen en eisten nogal eens een veel hogere tol. In de winter ondermijnden sterke ijsmassa’s de  gammele fundatie en in de herfst waren het de najaarsstormen die binnen de kortste keren gedeelten van de brug weer eens deden instorten. De herstelwerkzaamheden waren oneindigende lapmiddelen en hadden maar weinig effect, maar kosten wel handen vol geld. En daar hadden de exploitanten dan ook heel gauw genoeg van. In 1540 was het definitief gebeurt met de ‘brug‘. Het was een beruchte  naamloze vloed die er totaal mee afrekende, er was niets anders van terug te vinden dan her en der wat aangespoeld wrakhout. Vervolgens nam men toen het rigoureuze en moedige besluit om een dam aan te leggen en zo een verbinding over land mogelijk te maken. Hun inziens was dit een veel betere oplossing. Ook het grote achterliggende vlakke gebied had dan veel minder last van de watermassa’s door de waterkerende werking. Maar een dam plaatsen in een diepe en altijd stromende watergeul vroeg veel vakkennis. Ook de bodem van de Enck stond bekent als diep, veenachtig en zeer drassig. Vrijwel nergens vond men een stevige ondergrond. De toenmalige Camper magistraat kwam zelf een kijkje nemen en ter plekke hoofdschuddend noemde hij het: “‘Buitenland’ van Campervenne een speelbal van de golven en het ‘Binnenland’ bestond volgens hem: “uit een arm ende verdronken land, hetwelk des jaars twee of driemaal onderwater loopt”. Toch slaagde men erin om een simpel zanddijkje te leggen en het zeewater een halt toe te roepen.. De z.g.’Nieuwendijk”. Eigenlijk was het niet meer dan een kadeachtige verhoging. Rond 1550 was het werk geklaard en de Enck afgedamd. Dit leek zo op het eerste gezicht toch heel wat beter dan zo’n kwetsbare brug. Maar de N.W.-stormen speelden immer met het menselijk vernuft. Jaarlijks testen ze deze kae op sterkte en knaagden zo hier en daar als bevers aan het dijklichaam. Onderhoud en  instandhouding van deze verbinding eiste ook de nodige gelden. Totdat in ongeveer 1555 een geweldige Noordwester ook een eind maakte aan deze dijkverbinding. In èèn veeg was er van de gehele verbinding niets meer terug te vinden. Moedeloos en totaal ontredderd legde men het hoofd in de schoot en beruste men in de tegenslagen. Maar de bloeiende handelsstad Campen schreeuwde om een goede doorgangsroute. Omdat de technische mogelijkheden zich steeds meer ontwikkelden heeft men nog èèn keer geprobeerd om tussen de overgebleven landhoofden een brug te slaan. In 1560 lag er voor de tweede keer een houten brug. Maar ook deze is geen lang leven beschoren geweest. In 1572 was de brug richting ‘Sallick’ vertrokken en moest er weer gebruik worden gemaakt van een veer.

 

De huurboer van het stads-erf, genaamd “Clepels-erve” pachtte het veer rond 1600. Op de route Kampen-Elburg visa-versa werden er personen, wagens en paarden overgezet. Zelfs werd "An den Enck" een herberg gedreven met een goed bestaansrecht. Een robuuste schouw van het stadsbestuur, welke ook het onderhoud en de reparaties daarvan voor haar rekening nam, werd de veerman ook nog ter beschikking gesteld.Terwijl hij zelf al een schuit bezat. In een diepdonkere nacht van het jaar 1603 was zonder aanwijsbare oorzaak de grote schouw zomaar naar de bodem van de Enck vertrokken. Vanuit de stad stuurde men lange Claeys en twee helpers naar het veer, waar zij "neffens anderen die scholde op den Enck", die gezonken was, weer naar boven haalden. Een jaar later werd de oude schouw van het Enckveer verkocht voor ruim 21 herenpond en liet de stad een "pijper" repareren en waterdicht maken. Een onbekend schip van een onbekend type moest de Encker schouw tijdelijk vervangen. Drie magistraatsleden, een rentmeester en een secretaris, maakten vervolgens een bestek van een nieuw te bouwen schouw voor het Enckveer. Scheepstimmerman Johan Rijckoltz zou het vaartuig leveren voor 512 gulden "current". Evenwel een plotselinge inval van Spaanse troepen op de Veluwe in de zomer van 1629 bracht voor de Encker veerman veel ongerief met zich mee. Men besloot "tot voorcomminge van swaricheit ende anstaende perickelen, de ijsseldijk bij de Koeburger schans en de dijk bij de Keulvoetssluis te laten doorsteken en de sluis tijdelijk weg te halen"). Het handelsvuurtje doofde langzaam uit en gelijktijdig de veerdiensten.

 

Later was het Lubbert Michielsz. die in deze tijd "het veer op den Enck met Clepels-erve ende die huiszsteede" voor 150 Carolus guldens per jaar pachtte. Deze hoopte op een opleving van de handel. Helaas kon deze door de misère zijn financiële verplichtingen niet nakomen. Door de Spaanse bezetting was de handel met de Veluwe alsnog sterker geslonken dan hij verwachte. In 1634 verklaarde hij dat in 1629, "bij het verloep van de Veluwe", het veer onbruikbaar was geworden doordat zijn schuit en de schouw waren weggehaald. Wegens alle ellende en zijn geleden schade, verzocht hij de overheid dan ook "eenige remissie an zijne alnoch an de stadt plichtige pachte". Zijn rekest werd beloond met een kwijtschelding van 35 Carolus gulden. Een prachtig ruggesteuntje.

 

Een korte tijd daarna werd Lubbert de veerman opnieuw bezocht door tegenspoed. In het land waarvan hij en anderen de dijken dienden te onderhouden, sloeg de zee een grote ‘'waede". (doorbraak) De bedijking moest zo spoedig mogelijk hersteld worden en de kosten drukten weer op Lubberts schouders.  Deze klopte weer bij de magistraat aan de deur en zowaar hij kreeg een reductie van 40 Carolus per jaar.

 

Het dijkonderhoud rond de wateren van de Enck was voor vele erfgenamen van Campervenne een zware schouderlast. Bezitters van gronden welke aanpaalden hadden daar onaangename ervaringen mee.

 

De Kamper magistraat besloot in het voorjaar van 1638, op voorstel van de erfgenamen, Den Enck met een zwaren dijck vanaf den Naeldenweg tot aan den Swartendijk af te sluiten. Drie stadsbestuurders werden er voor aangesteld, den dijkgraaf van Campervenne, Reyner Hendricksz en twee beheerders van kerkelijke geestelijke goederen nl: Ernst van den Kuerbeecke en Evert Rijnvisch. Ook enkele erfgenamen van Campervenne werden genomineerd. Deze commissie zou het enorme karwei begeleiden. Aanvankelijk had een grote groep van Campervenner-pachters van erven, op zich genomen om twee stukken dijk te bouwen. Maar tegen het najaar was er nog steeds geen spade in de grond gezet. De begeleidende commissie die eens poolshoogte ging nemen ontdekte tot hun groot ongenoegen dat er nog niet het minste werk was verricht. De huysluyden vertikten het door grote onderlinge twisten. De magistraat werd er van verwittigd dat deze “luyden in gebrecke verbliven ende hun weygerich op te stellen”. De onwillige pachters, van wie velen een hoeve huurden van de stad,  armenkamer of de gasthuysen, werden op het raedhuys ontboden. Men beval hun het werk ogenblikkelijk te beginnen en af te maken. Bleven zij evenwel weigeren dan zou de commissie het werk laten voltooien door een aannemer op hunne kosten. Ook zette de magistraat nog een kromme stok achter hun deur door te dreigen dat betreffende bewoners van genoemde erven  hun boeren plaatsen zouden moeten verlaten.......

Henrick Gijsbertsz.,  Henrick Andriesen en  Laurents van Wijlant,  sloten onderling een overeenkomst en vormden een soort maatschap. Gezamenlijk  zouden ze een stuk dijk door de Enck leggen met daarin een sluis. Maar conflicten en onderlinge verdeeldheid zorgden ervoor dat er van de voorgenomen werkzaamheden  niets terecht kwam. Van Wijlant kreeg zelfs nog stevige ruzie met zijn werknemers en het heeft jaren geduurd voordat alle onenigheid was opgelost. De ene rechtszaak volgde de andere op. Op zijn dringende verzoek getuigde Reyner Gerritsz,  herbergier aan den  Zwartendijk, in welks herberg de afspraken waren gemaakt, dat volgens de overeenkomst van Wijlant het werk zou uitvoeren en de beide anderen als borgen zouden optreden. De getuigende waard verklaarde dat hij in zijn bijzijn alles had gehoord en daardoor goed op de hoogte was.  “Den betrokkenden sitten drincken ende de masschappie alomme ‘t samen met hand, mondt ende de dranck te hebben aangenomen”. Waaruit de onenigheid tussen de partners is ontstaan werd uit deze getuigenis niet duidelijk. Kwade tongen beweerden dat van Wijlant arbeiders had aangetrokken van minder allooi. Over dit werkvolk kon de waard en de waardin ook nog wel een boekje open doen. Drie uit  Zwolle afkomstige mannen die met pramen werkten bleken ganselijk niet tevreden te zijn over het afgesproken loon. Toen van Wijlant ter plekke kwam om daarvoor een oplossing te zoeken ontstaken de praamwerkers in een hevige woede. Een stevig pak slaag kon nog juist voorkomen worden door het ingrijpen van de waard en de waardin. Volgens andere getuigen waren de Zwollenaren stevige drinkers van alcoholische dranken en gingen zij ook dikwijls op bezoek bij de “vrouwkens”, bij wie ze soms ook overnachten. Een andere onruststoker was de Brunneper Albertus Scheffer, een arbeider die herhaaldelijk onder werktijd op zijn rug was zijn gaan liggen.  Bovendien verkocht hij toeback aan zijn collega’s ook al onder werktijd.  Prompt ontsloeg van Wijlant Albert Scheffer aangezien “het arbeyden met toeback en drincken tusschen het werck dit danig werd belet”.

 

 

Uiteindelijk kwam er de echte Nieuwendijk. En er ging bijna geen jaar voorbij of er waren onbetaalbare onkosten tot in standhouding. Dat hing de bestuurders en de onderhoudsplichtigen ellenlang de keel uit In sommige tijden lieten ze deze dijk dan ook aan hun lot over met als gevolg een regen van klachten van de zich onbeschermd voelende Geldersen.

 

Uiteindelijk was het de beruchte stormvloed van 1825 die de dijk egaliseerde en van de kaart deed verdwijnen.

 

Dat de Enck een belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis van Campervenne is niet onopgemerkt gebleven. Dit enorme plassengebied was zeer rijk gevuld met allerlei soorten vis. Ook vele watervogels vonden er hun tehuis. Op de oevers groeide heel veel waardevol riet en biezen. De landerijen rondom waren zeer vruchtbaar. Vissers, jagers, en boeren bleef dat niet onopgemerkt en een ieder pikte er zo zijn graantje van mee.

 

Organisatorisch had de tijd ook niet stil gestaan en langzamerhand organiseerden groepen mensen zich en ontstonden er bestuurlijk lichamen. Onder leiding van Campen begonnen deze met simpele regelingen om Campervenne wat leefbaarder te maken. In het jaar 1565 werden er afspraken gemaakt over het gemeenschappelijk bezit van de wateren van de Enck. Daar werd veel gevist en gejaagd en niemand betaalde er voor. De bestuurders zagen er een bron van inkomen in en besloten om het visrecht te verlenen. Eerste pachter was Joachim v.Ingen.