Kamperveen

 

 De drie freules.

 

 

In de omgeving van het stadje Elburg lag een enorm uitgestrekt landgoed, wat eigendom was van een schatrijke en oude adellijke stam. De toenmalige bewoners van dit kolossale slot hadden drie dochters.  Deze waren allen weer gehuwd met rijke, gevreesde markiezen. Zeg maar uitermate deskundige roofridders. Toen deze drie zussen na verloop van tijd op rijpere leeftijd kwamen zochten ze elkaar weer wat vaker op. De altijd aanwezige rivaliteit ebde enigszins weg en de verveling begon ook een beetje te knagen. Ze wilden alle drie wel eens wat anders dan in hun talrijke vertrekken en de uitgetrekte tuinen de dienstboden en de tuinknechten na te lopen en te drillen.

 

Ze waren alle drie zeer trouwe volgelingen van de Roomse leer en als zodanig was hun instelling om heel veel ‘goede werken’ te doen. Deze visie strookte helemaal niet met die van hun gemalen, die alleen maar gevoelig waren voor activiteiten die hun aanzien en positie verbeterden.

 

Tijdens een familie bezoekje bij een van de drie freules gingen de dagelijkse belevenissen  over tafel. Toen men daar over uitgepraat was rezen in het tuinhuisje plannen op om bij hun leven een kerk te stichten en deze te wijden aan hun beschermheilige Nicklawes (St. Nicolays) . Deze ‘Sint’ had bij zijn leven enorm veel goede werken gedaan en stond in heel hoog aanzien bij vele arme parochianen. Hij stelde zich als voorbeeld voor velen. Daartegenover stond het aanzien der adelijke familie’s bij hun onderdanen verre van rooskleurig, mede dank zij de hebzucht en niets ontziende en uitbatende roverij van het mannelijke geslacht. Daarom wilden zij voor hun heengaan een toch wat vriendelijker gezicht creèren en voor de plaatselijke bewoners enige goede werken van liefde en medeleven tonen.

 

Tijdens een van die vele thee uurtjes kwam het gesprek over de kerkbouw weer eens ter sprake. Het liefst wilde men gezamelijk een kerkje bouwen in een nieuw te stichten parochie. Een van de freules stelde voor om er een te bouwen in een bewoond gebied waar nog nooit eerder een kerk had gestaan. Bijvoorbeeld temidden tussen de wat grotere nederzettingen van boerenerven waarvan hun mannen leenheer waren en die hun de opgelegde schattingen moesten betalen. Maar de exacte plaats leidde immer weer tot onderling gekif. Daar konden ze het maar niet over eens worden. Toen ze thuis kwamen en aan tafel schikten voor het avond eten werden de nieuwtjes van de dag met hunne baronnen  uitgewisseld. Toen ze langs hun neus weg ook de plannen bekend maakten voor een kerk, spitsten deze de oren en luisterden met meer dan normale aandacht naar de snode plannen van de kerkbouw.

 

Toen de heren weer eens een gezamenlijke drijfjacht achter zich hadden en daarna bij èèn hunner een borreltje dronken, werd er steeds vrijer en openlijker  gediscussieerd  over de kerkbouwplannen van hun vrouwen. Geen van drieën zagen ze er echter iets positiefs in. Alleen de arme bewoners die hen hun jaarlijks schatting moesten betalen hadden er misschien enige belang bij. Maar als ‘Edele’ kon men zich toch niet onder het gewone volk scharen, laat staan er zich te biecht begeven. Dat stond ver boven hun waardigheid. Ze waren het er dan ook snel over eens dat het pure onzin was en geld smijterij waar niemand hunner enig gewin bij had. Als ze dan toch iets eerbaars wilden doen laten ze dan een prachtig buiten of een sterke burcht bouwen. Dat straalt tenminste meer aanzien en glorie uit dan een kerkje tussen een groepje armlastige venneluden. Zo werd met weinig woorden het vrouwelijk plan gekscherend en met brallend alcohol geluid onder de tafel gedronken.

 

 Maar de drie edele joffers hadden ook zo hun ‘eigen ikje’. De trots onder hun pronkende struisveren hoeden straalde uit naar alle windhoeken. Ze keken dan ook minachtend over ‘hunne’ schouder op hun mannen neer toen ze vernamen hoe die over hun plannen dachten en er de draak mee staken. Ze bliezen een niet geringe hoeveelheid lucht met krachtige stootjes uit hun opbollende neusgaten, gelijk een woedende, aangelijnde stier. En de trillende neusvleugels veroorzaakten een geluid als van een zware verkoudheid. En betekende net zoveel als: Zoek het ergens anders.‘Kom niet bij ons in de buurt of vertrek’. 

 

Een tijdje later op een schuifelende avondwandeling over de buitensporig verzorgde buitenpaden van één van de tuinen begonnen ze er weer over. Ongedwongen, omgeven door lommerrijk struikgewas, slenterden ze al babbelend verder. Maar het kwam niet verder dan het spuien van ieders gedachten en wat gekissebis over en weer. De één na de ander gooide teleurstellend haar hoofd in haar nek. Ze keken gedrieën naar boven alsof daar de sleutel hing die de gesloten deur kon openen. Daar aanschouwden ze een wonderlijk heldere en uniek universum. Onbewust dwaalden hun ogen langs het indrukwekkende uitspansel. Flonkerend in ongekende kleuren twinkelden de sterren aan de bijna nachtelijke hemel. Vele malen mooier dan een kleurrijk fresco van een Romaans kerkgewelf. Plotsklaps stonden ze stil, verstijfd en versteend, onbeweegelijk als een brok marmer. Het was alsof hun benen dienst weigerden om ook nog maar èèn stap verder of terug te gaan. Vastgenageld ter plekke. Met flonkerende en priemende oogjes, keek vanuit het diepste van het heelal, iemand hen recht in de ogen. Ze ontdekten tussen een sterrenbeeld een schimmige gedaante van een bekend menselijk gezicht. In de uitdrukking van het gelaat herkenden ze alle drie de Sante Nycklawes zoals die was geportretteerd op een plafond in de kleine kapel van hun kerk. Zijn stralende ogen troffen de feule’s heel diep in hen innerlijk. Onmiddellijk  bogen ze hun hoofden op passende wijze naar de grond en sloegen gelijktijdig een kruis. Begeesterd wachten zij op een stem zonder ook maar iets te vragen zoals: ”Vertel uw wensen maar”. En na een afgrijselijke stilte, die uren leek te duren, hoorden ze een moment later met bonzend hart boven het ruisen van het avondbriesje door het lover der bomen, duidelijk een fluisterd en hoogtonig stemmetje. Duidelijk verstaanbaar vertelde die dat ze niet samen een kerk moesten bouwen, maar elk voorzich afzonderlijk èèn. En wel op de lijn van de dierenriem zoals deze op dat moment aan het uispansel stond en op afstanden gelijk aan de sterrenbeelden van........... ze hoorden plotseling niets meer....de stem was ineens verdwenen. En toen ze verbleekte gezichten opheften onttrok een wolk het uitzicht op het  sterrenbeeld en was het contack verbroken. Een ongekende stilte volgde, ja zelfs het ruisen van de wind verdween. Sprakeloos keken ze elkaar in het donkere van de avond aan. Langzaam ontdooiden hun spieren. Zwijgzaam keerden ze zich om en verdwenen geruisloos. Een Ieder naar haar eigen slaapvertrek. Die nacht was een complete nachtmerrie voor elk van hen. De één staarde met strakke en verstijfde ogen rusteloos door het duister, het gehele slaapvertrek af zonder ook maar een rustpunt te ontdekken. De ander draaide haar lichaam veelvuldig om haar lengteas in het hemelbed tot ze pardoes op de houten vloer kwakte en de derde heeft in twaalf getijden twee nachtspiegels volgeplast. Hun verkregen avond uurlijk signaal werd diep geheim gehouden en nimmer aan de openbaarheid prijsgegeven. Maar het hele gebeuren liet hen uiteraard niet los. Weldra zochten ze elkaar weer op. Bespraken ze de opdracht van de Sint en waren vast besloten om zijn gebod daadwerkelijk uit te voeren. In korte en duidelijk taal werd hun mannen te verstaan gegeven wat ze wilden en dat hun plannen definitief zouden worden uitgevoerd. Toen deze vernamen dat het bittere ernst was stemden ze gewillig toe. Maar naarmate er meer tijd verstreek borrelden ook de ridderstreken weer naar boven. Ze belegden geheime bijeenkomsten. Ook werden de Gelderse leiders er van in kennis gesteld. Wat en hoe het ook gebeurde, er moest, als het kon, enig gewin worden gesponnen. En zo ontstond er een snood plannetje om een van de vrouwen te adviseren het eerste kerkje te bouwen te midden van de Campervenner-nederzettingen. Campervenne had slechts een devotie-kapel met begraafrechten. Maar voor hun kerkelijke verplichtingen moesten ze naar de de parochie van de  St. Nicolays kerk te Campen. De stille gedachten van de hooghartige edelen waren de ‘Venners te winnen voor het Gelre’s gebied om daarna ook hun landerijen in te palmen. Dan konden zij schatting heffen en zo hun gemaakte kosten terug verdienen. De bewoners van het “Venne” waren evenwel aangesloten bij de parochie van Campen. Dat weer resulteerde onder het Deventer Kapittel en het bisdom Utrecht. Een aanbod van een prachtige kerk met Veme (pastorie), dat gebeurde niet elke dag en daar mocht best iets tegenover staan, zo was hun redenering. De Bischop van Utrecht kreeg er lucht van en gaf na diepgaand overleg zijn toestemming aan het kapittel van Lebuinis te Deventer. Deze zeer hooghartige persoon wilde echter zijn naam ook eer aandoen en zo moest in de kerkelijke notulering worden vermeld dat hij het was die het kerkje liet bouwen. Vrij snel daarna werd er door de plaatselijke ambachtslieden een Romaans kerkje gebouwd aan de Leikade, midden tussen de aldaar staande erven. In het prachtige interieur van de kerk werden naast het hoofdaltaar geweid aan de Heilige Nicolaes nog drie kleinere altaren gebouwd. Eèn voor “Onze Lieve Vrouwe”, èèn voor de Heilige Anna en èèn voor de Heilige Anthonius. Het werd al met al een voor die tijd royaal kerkje met een fraai interieur, gezien de toch summiere parochie. Die gouvernante die het gehele bouwwerk betaalde, kreeg een ereplaats toegwezen, juist voor het altaar van Onze Lieve Vrouwe. Met trots heeft ze daar nog vele malen plaats genomen. Tot haar dood droeg de kerk de naam: De “Freule Kerk”. Maar de stokoude custos (koster) vertelde over die tijd dat die bewuste Freule een uitzondere grote bobbel-knobbelneus had vergelijkbaar met die van een landreus. Zo’n voorfront werd in het toenmalige spraakgebruik een “Deumpe” (later verbasterd naar “Dompe”) genoemd. Daaruit is waarschijnlijk de plaatselijke roepnaam Dompekerk geboren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maar ondanks de loyalitijd van de gegoede stand van de Gelre’s bleven de parochianen trouw aan die van Campen en dachten ze er niet aan om zich aan te sluiten bij een ander bisdom. Na de twede kerk die in de buurt van Elburg verrees was de beurt aan ‘Osterwoelde’ om er daar een neer te zetten. Maar dat gaf de nodige problemen. Want het midden tussen de twee in aanbouw zijnde kerken en de denkbeeldige rechte lijn, daar was de grondslag erg drassig en totaal niet geschikt voor bebouwing. Maar de derde zuster hield haar been stijf en eiste wat de Heilige Nicolais haar had opgedragen. Er was maar èèn oplossing; de grond geschikt  maken om er op te kunnen bouwen. Maar waar haal je zo èèn, twee, drie, grond weg. Alleen in de buurtschap Suydereinde was zandgrond te vinden, maar dat lag binnen de landpalen (grenzen )van de Campervenners. Dan moest er onderling een regeling worden getroffen om daar zand weg te graven. Maar de bewoners hadden deze landerijen door de jaren heen met heel veel zwoegen en zweet ingepolderd,  bouwrijp en watervrij gemaakt en dan zouden ze het nu maar zo afstaan! Dat was natuurlijk onbespreekbaar. Dan stonden ze nog liever hun geschonken kerkje weer af en konden de Osterwoeldenaren daar ter kerke gaan. De Adelijke Wijzen vergaderen diverse keren totdat op een dag er èèn met een praktische oplossing kwam. Het kwam in het kort hierop neer dat enkele stoere kerels in het diepe duister van de nacht de espels, (palen) een weinig zouden verzetten en dat ze dat enkele malen zouden herhalen tot er zoveel land naar het Gelre’s gebied was gehaald dat er voldoende zand voor de te bouwen kerk beschikbaar was. Twee als zodanig bekende, ijzersterke en ruigharige nachtelijke stropers werden in de arm genomen. Deze werden een aantal dukaten beloofd wanneer ze de klus zouden klaren. Zonder onoverkomelijke bezwaren werd deze simpele opdracht aanvaard. De eerste de beste stormachtige en diep donkere nacht trokken Bulsekjanz en Beerndhasien er op uit. De palen werden los gegraven en een aantal stappen verderop herplaatst. Eerst maar eens kijken hoe en of er ook door de boeren van het “Venne” op werd gereageerd. Het bleef evenwel stil en waarschijnlijk onopgemerkt. Na een maand gingen ze opnieuw en wederom werd de grens verlegd. Toen na enige tijd er geen reaktie kwam begon men met de afgraving en de verplaatsing van het zand naar de terp voor de kerk.

 

Er was al een behoorlijke partij grond verdwenen toen boer Ganszjaeger eens ging kijken wat daar allemaal achter zijn land gebeurde. Staande om zich heen kijkend trok hij binnen luttele minuten een stevig aangedrukte pijpekop gevuld met kauwtabak door het pijpegaatje en blies de rook gedachtenloos met kringetjes in de wind richting kerkdorp. Zette zijn pet eens iets naar voren om achter zijn oren te kunnen krabben. “Is mijn ingepolderde land nu kleiner geworden of verbeeld ik mij dat”?, zo vroeg hij zich af. Hij wandelde eens naar het land van zijn buurman, dat wat verder naar achteren liep. Het verschil is ongeveer hetzelfde. Boer Ganszjaeger  wandelde weer naar huis. Och, hij zal zich wel vergist hebben. Door die afgraving lijkt het natuurlijk zo en dan: “grond voor een kerk wordt toch niet gestolen”. Toch wandelde hij even langs buurman Buzepolle, z.g. voor een buurpraatje. In het gesprek werd ook de afgraving ter sprake gebracht. Deze spitste wel zijn oren maar reageerde domweg niet. Hij wist evenwel precies de scheiding van zijn land. ‘Zijn “paal” stond precies ‘midden’ tussen “twee Moeras-Olmen”, in “èèn rechtelijn” op gelijke afstand! In de schemering van de avond kuierde hij naar achteren en tot zijn stomme verbazing was het paaltje een heel eind verzet ten nadele van hem. En een grote partij grond van zijn ontgonnen land was reeds vertrokken richting Osterwoelde. Op hoge benen stapte hij terug en linia recta naar  buurman Ganszjaeger. En daar vertelde hij zijn ontdekking. Die reageerde met gefronste wenkbrauwen: “ik had wel een raar gevoel, maar een bewijs, nee, dat had ik niet”. De situatie werd heel serieus en diep door gespit. “Kom je een boer aan zijn land dan rijpt zijn verstand.”.

 

 Enkele stoere jonge mannen uit de buurtschap werd gevraagd of zij eventueel bereid waren om beurten enkele nachten te posten. Vier ijzersterke knapen melden zich vrijwillig en wilden best enkele nachten slaap opofferen om te posten en te zien of er ook onregelmatigheden gebeurden. Ze gingen paars gewijs zodat de andere twee een nachtje konden slapen. Na een aantal nachten tevergeefs te hebben gewacht besloten ze om de komende nacht met zijn vieren te gaan. Het weer was stormachtig en het was aards donker. Ook was alle beschikbare grond bijna verdwenen en een informant had gezien dat de terp nog een behoorlijke hoeveelheid  nodig had. Uit voorzorg namen ze enkele knuppels en een sterk touw mee. Toen de schemering overging in nachtelijk duister gingen ze op weg. Ter weerzijden van een paal stelden ze zich op. Verdekt achter wat struikgewas. Eventueel om van twee kanten aan te vallen. Niet om ze te verjagen, nee, om ze te grijpen en mee te nemen. De nacht verliep, even als voorgaande nachten, in alle rust behoudens het geruis van de stevige wind die door de bomen en struiken blies. Een enkele roep van een roofvogel en het geschreeuw van haar stuiptrekkende prooi overstemde de wind. Het wachten was tevergeefs, er meldde zich niemand. Wachten duurt lang en dus gingen ze maar naar elkaar toe want het was bijna tijd om terug te keren. Plotseling hoorden ze in de verte een waarschuwingsroep van een in haar slaap gestoorde reiger. Hun oren waren de zintuigen die hun de eerste informatie moesten geven. Het dierenrijk sprak haar eigen dialect. En omdat ze zich  èèn voelden met de natuur verstonden ze die taal redelijk. Enkele ogenblikken later en veel dichterbij, het gegakkel van een paar wildeganzen. Die slapen s’nachts in alle rust, maar bij onraad zijn het de beste waakhonden van de natuur. Dus moest er iets aan de hand zijn. Ze spitsten zogenaamd de oren als een haas en hun gefluister verstomde. Toen hoorden ze in de verte gekrak van takjes en gemompel van menselijke stemmen. Daar komt onraad..........

 

 

Mopperend en foeterend gingen die avond Beerndhasien en Bulsekjanz op weg om voor de laatste keer enkele palen te verzetten. Over hun schouder droegen ze elk een schop. Ze hadden nu al twee keer de (grens)palen verzet en nu moest het nog een keer, want ze kwamen weer zand te kort. Eigenlijk hadden ze er geen zin meer in, want het risico van ontdekt te worden werd als maar groter. De “Venners” zijn hard werkende landslieden en die zullen wel zo zoetjes aan door hebben wat er aan het handje is. Dat hun land bezittingen steeds kleiner worden zal hun wel zo zachtjesaan duidelijk worden. En dat ze tegenmaatregelen zouden nemen dat behoefde geen betoog. Bovendien moesten hun opdrachtgevers, de edele ridders en hun consorten, maar eens met de hun toegezegde gage over de brug komen. Eerst was het èèn nacht, vervolgens moest het voor hetzelfde geld nog een keer en nu bleken ze nog niet vergenoeg verplaatst te zijn. Ze wilden dan ook een toelage op hun meerdere werk en het verhoogde risico dat ze liepen. Maar de Heren hadden gezegd als ze niet gingen dan konden ze naar hun dukaten fluiten. Luidkeels pratend in geïrriteerde taal liepen ze nonchalant door het ruige gebied. Onverschillig stapten ze frank en vrolijk rechttoe op de palen af en zetten de schop in de grond om ze los te graven. Onder morrend gepruttel waren er snel twee verplaatst en nu de derde nog eventjes.........en dan...............was het definitief voorbij. Dan eisten ze eerst hun geld op.

 

 

 

 

De wachters lagen roerloos op hun buik toen er ogenschijnlijk twee menselijke figuren verschenen. Hun harten bonsden in hun keel en tegen de grond. Ze hoorden hoe ze bezig waren met de paal die het verst bij hun vandaan stond. De tweede paal was aanmerkelijk dichter bij en ze konden duidelijk twee gestalten onderscheiden. Als ze zo meteen de derde en laatste zouden verzetten, dan moest het gebeuren. Dan moesten ze gegrepen worden......      Het angstzweet druppelde als een klein herfstbuitje op de onderliggende grond. De spanning liep nog hogerop toen ze op korte afstand aan het laatste paaltje begonnen. Als een kat die haar prooi eerst besluipt en vervolgens vanuit een hinderlaag bespringt zo kropen zij naderbij om vervolgens hun prooi te bespringen. Het enige verschil was dat het gebeurde met enorm veel kabaal en brullend geschreeuw. Hun machtige stemgeluid overblufte hun zelf en dat van de vijand. Met zijn vieren sprongen ze tegelijk op en renden zwaaiend met hun knuppels op de gauwdieven af. Ze storten zich als èèn man op hen. Onder verschrikkelijk veel en luid geschreeuw en geschal ontstond er een enorm tumult die enige momenten  aanhield. Eèn van hen wist zich los te rukken en vluchtte er als een haas vandoor gevolgd door èèn van de vier ‘Venners’. Deze zag echter al gauw de onzin er van in en liet hem gaan, maar de andere werd gekneveld met het touw en moest mee naar het huis van boer Buzepolle. Zwijgend stapte hij gewillig mee. Daar aangekomen werd hij vast gebonden aan een ring in de muur. Toen het morgen werd, kwamen ook de andere grond eigenaren en wilden graag het fijne van hem weten. Maar: “Bulsekjanz zweeg in alle talen”. Stuk voor stuk vuurden ze hun vragen op hem af maar koppig hield hij zijn lippen stijf op elkaar. “Wat moet er nu gebeuren”?  vroeg men zich af. Ganszjaeger , die de meeste levenservaring had, en ook niet kleinzerig was uitgevallen, zei: “ We zetten hem aan de schandpaal, dan zal hij wel los komen”. Aan het langslopende pad van de landerijen werden twee diepe gaten gegraven, daarin werden twee palen geplaatst en goed met grond vast gezet. De afstand er tussen was zodanig dat hij er net tussen paste. Toen werd met veel tam tam Bulsekjanz gehaald en tussen de palen neergezet. Ganszjaeger stond klaar met twee smeedijzeren draadnagels en een hamer. Het hoofd werd goed vast gehouden en toen werd er door elk oorlelletje een drevel in iedere paal geslagen. Bulsekjanz schreeuwde als een varken dat gekramd werd. Dat moet in Osterwoelde gehoord zijn.  Daar stond hij nu, vastgenageld met zijn hoofd tussen twee schand palen. “Je blijft er maar net zolang staan tot je praten wil, hoor!. Zwaai maar een keer met je armen als je er aan toe bent”. Zo werd hem gezegd.Toen draaide iedereen zich om en wandelde binnenshuis waar men samen een sterk en koppig pintje eigen gebrouwen bier naar binnen goot. De schuimkraag  vulde royaal de baard en snorharen. Daarmee gingen ze naar de vrouwelijke aanwezigen en drukten smaakvol een weinig bierbruis op de tere wangetjes van elk hunner. Een traditie die gevolgd werd na een geslaagd resultaat. Het grote nieuws ging als een lopend vuurtje verder en iedereen kwam even kijken naar de genagelde. Deze voelde zich verre van happy. Want wat had hij eigenlijk misdaan? Moest hier niet èèn van de brute ridders te kijk worden gezet?

 

Ook de ‘grondgravers’ voor de kerk hadden inmiddels het gebeurde van de ontkomende vernomen. Ze beraadden onderling wat hun eventueel nog te doen stond. En ze beraamden plannen om hun kameraad te ontzetten. Ze werden ontembaar toen ze vernamen dat hun collega genageld aan de schandpaal, aan de openbare weg stond. Maar het ‘Edele’ volk trok zich, zoals gewoonlijk in zulke zaken, terug en hield zich van den domme. Zij wasten hun handen in onschuld. Zij hadden geen opdracht gegeven, het waren hun vrouwen en de parochianen.

 

Bulsekjanz kreeg het in de loop van de dag steeds benauwder. Hij werd moe van het staan en al die kijklustigen veroorzaakten kramp in zijn darmen. Het duurde dan ook niet lang of zijn onderste sluitspier ging open en het eten van de vorige avond ontsnapte met veel gepruttel. Onder hoongelach van de kijkers en opmerkingen uit de toeschouwers: “Hij sket in de broek” begon hij aan zijn laatste inspanning tegen zijn verzet. Uiteindelijk besloot hij toch maar zijn mond te openen. Met armgezwaai maakte hij dat te kennen. Enkele momenten later werden de nagels verwijderd en ging hij met doorboorde oorlellen mee naar de “verhoorruimte”. Daar vertelde hij alles, wie de opdrachtgevers waren en hoever en hoevaak ze de palen hadden verzet. Toen werd hem een sterke kop geitenmelk aangeboden en nadat hij die had opgedronken werd hij buiten de deur gezet. Na enkele dagen zwakte de opwinding onder de “Venners” wat af en keerde de rust enigszins weer. De eerstkomende zondag werd er na de mis besloten om de parochie van Campen er officieel van in kennis te stellen. Deze melden het voorval aan het kapittel van Deventer, die op haar beurt weer het Bisdom Utrecht informeerde. Bisschop Arend van Hoorne nam het voorval hoog op en stuurde een gerechtelijk schrijven naar de bestuurders van het Gelre.

 

 

“ Wij A.v.Hoorne, Bisschop van Utrecht. Ik heb vernomen van enkele zeer betrouwbare luiden en bestuurders van onze gestichten dat er met geweld en ten onrechte palen verkort zijn ten nadele van bewoners van het Campervenne en dat men deze grond heeft afgegraven voor het dorp Osterwoelde. Er is overleg geweest, maar Osterwoelde ontkent in alle toonaarden dat ze de palen hebben verzet. Maar de bewijzen zijn er. Daarom is er besloten om een eeuwiglijk durende scheiding te maken. Er zal een graven worden aangelegd die onverplaatsbaar is. Voor straf zal deze over Osterwoeldes grondgebied worden gegraven. Zodat het afgepikte land over de volle breedte en lengte ruimschoots terug zal worden verkregen.”

 

 

Aldus een schrijven uit 1378.