Kamperveen

 Bevestiging van de previleges door Karel V. 1549

 

 

( In het Campervenne’s vertaald.)

 

 

Karel, bi’j de genade van God, Roomse Keizer, Altied er over uut um et land te vermeerderen, Koning van Germanie, Castilie, Lyon, Granada, Aragon, Navarra, Napels, Sicilië, Majorca, Sardinië, Van de eilanden van Indië, en van alle vaste landen van de zee, Oceaan, heerhertog van Oostenrijk, hertog van Boergondie, Lotaringen, Brabant, Limburg, Luxemburg en Gelre, graaf van Vlaanderen Artois, Boergondie, grensgraaf van Henegouwen, Hollandt, Zeelandt, Venetië, Hagenouw, Namen en Zutphen, prins van Zweden, marctgrave van het Hilligenrijk, heer van Vrieslandt, Salland, Mechelen, van de stad, steden en landen van Utrecht, Overijssel en Groningen, dominator in Azië en Africa. Allemoale die disse letters zien en lezen: ”SALUUT”. Ik loate oe weet’n det wi’j ontvangen hebben een skrieven van alle arme drommels, inwoners en ingezetenen van Campervenne. Daorin vertel’n ze det vrogger heur veurolders uut Vriesland ekomen bint. Hun met toestemming van mien veurolders, de princen en de edele lied’n van disse landen, een oord en een hoek land hem toe ewezen bediekt en umme te bewonen. Un stuk broekland met veule moeras. Geleeg’n in de buurtte van Sallandt, bi’j een dorp Wilsem an de Iessel en te Zuud’n van onze stad Campen in Overiessel. Het draagt nou de name Campervene. Disse arme drommels hem ok veur de ummeliggende belanghebbenden det land in ediekt en gebruuksklaor emaakt umme et zelf te gebruuk’n. In ruil daor veur hem zie heel veule vri’j-heden ekregen. Zie hem eur vanof het begin det ze heur doar evestigd em met veule bli’jschap en zeer grote ijver in ezet umme doar eur eten bi’j mekare te kriegen. Vanof de tied det onze veurvaders, de bisschoppen Willebrantsz en Otten van Utrech. hoev’n zie gien belasting te betalen in welke vorm ok. Zoas tienden, koren, varkens of ganzen. Disse rechten hem ze al in een tied det er 12 Bisschoppen van Utrecht ewest em. Bischop Henrick skreef det in zien brief det et al vanof 1240 zo ewest is. Heer Willem herhaalt dit ok in een verzegelde brief van 1298.

 

Die slimme kerel van Buckhorst echter, Ridder Gijsbert wol stiekum die rechten ofschaffen en de bewoners van Campervene zowat de veer’n uittrekken. Ma det ging mooi niet deur. Bisschop Guijdo keek door achter en stak deur een stukkien veur in 1340. Hij maak’n em det bekent. Ma Ridder Gijsbert ok niet van gisteren hield disse brief in zien binnenzak. Hij mos toen veur et gerecht en hij verleur det. De Camperveners waar’n door mooi kloar mee. De Bischop Frederyck, geboor’n markgrave van Baden. Die ef et in 1399 ok nog weer vaste elegd. In die tied waar’n der ok al wat roofridders die door heftig in zaten te reuren, maar zonder succes. De Bisschop eult zien been stief. Maa de kasteelheer’n, altied uit um geld binnen te halen, bedachten van allelei trukies en soms lukken ze det ok nog. En as de Camperveners niet wilden betalen dan stuurden ze er hun uurlingen of soldoaten op of om zo toch nog wat binnen te halen. Det kwam de bisschop weer gewaar en die gooiden het veur een hele hoge rechter. Nl. Meester Reinier Bogerman van Dokkum, Dokter in de rechten.

 

Deze ef tot driemaal toe de Camperveners in bescherming genomen maar toen  ze et veur de vierde keer nog ies weer wilden proberen  leup em et heufd umme. Hij veroordeelde de rovers zelf tot terugge betalen van alles wat ze de ofgelopen vier jaor van de Camperveners hadden geïnd. Zijn oordeel was : Disse bewoners hebben enkele eeuwen evochten tegen weer, wind en water. Zie heb’m kaden, dieken, weteringen en sloten emaakt. Ok waar’n zie verplicht umme dammen, paden,wegen,sloten en weteringen te onderholden. Jaorlijks mossen zie 24 keer schouwe maken op de veurnaamste sloten. Ok hadd’n ze maa te zorgen det ze grond hadden umme gaten die in de dieken spuulden weer te dichten. En disse zwoare arbeid wurden uut evoerd  met hongerige halsen. Gien enkele bewoner of onderdanen van stad, land of dorp stak er een hand nao uut. Terwijl de grote ummelanden er heel veule profijt van hadden bi’j wateroverlast. Die hiele’n allemaole heur voeten dreuge. Schande zo sprak de rechter. Alle hooggeplaatsten kriegen van dit besluit bericht. De stadholder van Overiessel, de eerste en de onderdanen van Utrecht, de schulte van Campen en Campervenne, de drost van Iesselmuden, de rentmeester van Salland en verder alle hooge geplaatsten. Zie mutten alle bewoners van Campervenne in vrede laoten leef’n en met ruste laoten en er gien misbruuk van maken. Nou niet en in de toekomst ook niet.

 

 

Op disse oorkonde hem wi’j ons zegel eplakt in de stad Brussel de II dag van januario in et jaor onzes Heeren 1549.

 

De lijfspreuk van deze keizer luide: “PLUS OULTRE”. (Steeds maar verder.)

 

 

En dat hielp.......

 

 

Willem van Buckhorst, toenmalig Drost van IJsselmuiden, kreeg in 1552 bevel van de Graven van Aremberg dat Wilsum ten tijde dat de seendpenningen betaald moesten worden in de verdediging moest worden gelegd. Er was veel onruststokerij en het gezag rommelde. Buckhorst riep alle weerbare kerels van Campervenne des Sondags lestleden onder de kerckensprake op om naar Wilsum te komen en zich te melden toekomende vrydage s’morgens tot X ure, om daar op het geweer te worden gesteld.

 

Er gaet weder ene Claege naer die stede Campen.

 

Campen wapperde weer met het dokument van Kijzer Karel. Krachtens deze bevoorrechting konden zij niet verplicht worden om buiten hun palen krijgsdienst te verrichten. De Graven stelden den Drost hiervan in kennis en een ieder gaf zijn wapen af en keerde zich richting IJssel om het vertrouwde thuisland weer onder zijn voeten te voelen.

 

Midden de 80 jarige kampstrijd,  de kerkstrijd en de scheiding van Kerk en staat zijn de previlegien van Campervenne opgelost en kon men er (helaas) geen beroep meer op doen.

 

 

Privilege van Camperveen ( Uit het waterschapboek van Kamperveen, deel I.)

 

 

  Diverse Conflicten.

 

-------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Hoewel Herbert van Putten en zijn rechtlijnige nazaten een kopje kleiner waren gemaakt liep er ergens nog een bastaard rond. Deze Otto van Putten geboren uit een buitenechtelijke romance had de verraderlijke ridderstreken  van zijn vader geërfd. Na de verpletterende nederlaag van zijn vaderlijke stam ontpopte hij zich als een waardig opvolger. Op een of andere wijze kreeg hij het voor elkaar om het recht van het trotse familie wapen te voeren. Al moest er een duidelijk zichtbare schuine balk overheen lopen ten teken dat hij een onechte van Putten was.

In het jaar 1396 achtte hij zichzelf en zijn aangetrokken consorten machtig genoeg om enig gezag te laten uitstralen. Hij liep al enkele jaren rond met sterke plannen om zijn vernederde erfnaam te wreken. Zijn eerste daad stelde hij door eenzijdig de gesloten vrede tussen zijn stamvader en de stad Campen open te breken.

 

 Maar Campen trok hieruit haar conclussies en had op de grens met Campervenne een uitkijkpost gebouwd, genaamd de Coeborg, met een permanente bewaking tegen veerovers in de weiden rondom Campen.

 

Maar Campervenne was wederom als eerste aan de beurt. De rovers van dat Gelrese soort plukten in het geniep, onopgemerkt door de buitenwereld, de bewoners kaal als kippen. Van een redelijk bestaan was geen sprake meer. Ondraaglijk zwaar  waren de  lasten die hen werden opgelegd. En omdat niemand zich er mee bemoeide kwamen steeds meer Geldersen een kijkje nemen of er nog iets van hun gading te halen was. Dientengevolge werden ze steeds brutaler doordat ze weinig of geen weerstand ondervonden.

 

In 1427 trok de hertog van Gelre massaal ten strijde en roofde hele gebieden in en rond Sallant leeg. Ze staken 14 dorpen in brand en namen alle vee wat in de verre omtrek in de weiden liep mee. Ook Campervenne werd het slachtoffer. Berooid van alle have en goed sukkelden ze treurende over hun geplunderde landerijen.

 

Hoewel Herman van Buchhorst ambtsman van Campervenne was liet hij alles op zijn beloop en stelde zich zogenaamd neutraal op.

 

Een heel merkwaardig feit deed zich voor in 1432. In dat jaar sloot de opvolgende Graaf van Gelre, Heer Arnhold een verbond met Campervenne        (Ook met Campen en Zallick) over wederzijdse veiligheid. Hij ging zelfs heel ver met zijn bepalingen, zodat de erfgenamen er weifelend tegenover stonden. De oeroude vete tussen beide partijen moest ontworteld en geslecht worden. En bij nieuwe meningsverschillen mocht men elkaar niet beschadigen. Was dit een wolf in schaapskleren? Zo vroeg men zich vertwijfeld af.

 

De tijden waren roerig en het gezag ondermijnend. Het scheen dat iedereen tegen iedereen opstond en men probeerde daar ieder voor zich zoveel mogelijk munt uit te slaan. In 1489 voerde men een oorlogje tegen de Heer van Wisch en dat kostte onnoemelijk veel duiten. Men probeerde op allerlei manieren om geld boven water te krijgen. Men schreef een landelijke schatting uit. Campervenne werd aangeslagen voor 34 schilden...........!. De stedelijke buur werd weer te hulp geroepen en deze wapperde met de enkele maanden geleden ontvangen privilegiën en zo werd de toenmalige overheid de mond gesnoerd.

 

 

................Maar daarna, rond 1505, kregen ze het weer aan de stok en wel met de toenmalige bisschop van Utrecht, die nogal wat oorlogszuchtige praktijken nastreefde en daarvoor  had veel extra dukaten nodig om zijn krijgers te voorzien van de nodige soldij. Hij onderhield een sterk leger langs de grenzen van het Sticht Zodra hij de kans schoon zag wilde hij de brute Gelderse Graven mores leren. En dat zag er voor de bewoners minder florissant uit. Onbekend en onbewust van de heersende situatie op Campervenne stuurde hij via de scout een afvaardiging met de boodschap dat er extra heffingen zouden worden opgelegd. Helaas op een moment dat het de bewoners economisch minder goed ging, ja eigenlijk gezegd, zorgwekkend. In 1489 was de IJsseldijk bij Campen doorgebroken en had geheel Campervenne overspoeld. Dat veroorzaakte onnoemelijk veel schade en de daarop volgende oogsten waren ook niet om naar huis te schrijven. Ze zagen dan ook geen kans om deze extra opgelegde heffingen te betalen. Velen waren gevlucht voor de niets ontziende en alles verwoestende Gelderse barbaren. Vrijwel alle bewoners hadden Campervenne verlaten en hun toevlucht in Campen gezocht. Het gebied was vrijwel onbewoond. Campen beklaagde zich er over bij den Bisschop die zich toenmaals te Vollenhove bevond. Die verklaarde de heffingen teniet te willen doen maar het Ridderschap van Steden verklaarde dat het een landelijke schatting was en dat de voorrechten van Campervenne daar buiten vielen. Campen was het hier niet mee eens en wende zich tot de Domdeken te Utrecht Daarin benadrukten ze dat de privilegiën van Campervenne wel degelijk golden en dat ze vrijgesteld waren voor alle verdere schattingen behalve dan het bedegeld, de verckensschattinge en de coppelkoorn. Het scheen te hebben geholpen want men hoorde niets meer over de te vorderen heffingen. Maar hooggeplaatste en vooraanstaande edelen was het een doorn in het oog dat men dit rijk bevoorrechte stukje Oversticht niet kon uitmelken.

 

Jaarlijks hield de zogenaamde Seenddeken, in de volksmond dukatenpicker genoemd, zitting te Wilsum om de kerkelijke belastingen te innen. Iedere inwoner moest zijn verplichte kerkelijke penningen daar afdragen Dat gebeurde al eeuwenlang en wel op midvasten. Toen echter de oorlog in 1509, 1510 en 1511 woedde met de Geldersen is er waarschijnlijk geen seendzitting gehouden en omdat alle Campervenners waren gevlucht is er ook geen seendpenning betaald. Dat schoot de Bisschop in het verkeerde keelgat en zonder voorafgaande waarschuwing werden de bewoners in 1512 met een verbanvloek vernederd. Daarop had men in de verste verte niet gerekend.

 

Een afgezant reisde op zondag af naar het  plaatselijke kerkje aan de Leidijk dat nog in de steigers stond voor provisorische reparatie door de verwoesting van een paar jaar terug en trad op brute wijze naar binnen. Vele aanwezige parochianen keken verschrikt om en vroegen zich af wat deze onheilsbode te vertellen had. De afgezant stoorde zich niet aan de hoogmis, maar klom op onbeschofte wijze op een stoel waarvan hij eerst een bejaarde boer had afgedouwd en pakte zijn perkamenten banrol en ontrolde die. Toen riep hij met bulderende stem boven die der pastor uit: ‘In opdracht van de Bisschop Luister’: En toen las hij de verbannende vloek over de gehele parochie van Campervenne voor. Deze banboodschap wekte hevige beroering onder de aanwezigen, mede omdat ze midden onder de plechtige hoogmis werd voorgelezen........!  De dienstdoende priester moest zich van zijn gewaad ontdoen en voortijdig de dienst staken. De toehoorders verlieten met gebogen hoofden de kerk en dropen verslagen af. Vele bewoners legden hun hoofd in de schoot en wilden het bijltje er bij neer leggen en Campervenne verlaten. Dit was toch wel de druppel van de overlopende emmer.

 

Ook nu werden de Campenaren weer aangesproken en om hulp gevraagd. Deze waren goede maatjes met de plattelanders omdat vele van hun magistraten erven en leenrechten  hadden op Campervenne en zeker daarvan ook vruchten plukten. Ze hadden daardoor ook eigenbelangen bij een welvarend Campervenne.

 

An den Rentmeyster van Sallant voor de Campervenners.

 

 

Eerbare, vrome en wijze en bijzonder goede vriend. Also wij ander daags aan uwen liefden doen schrijven beroerende de buren van Campervenne, zo deden deselve uwe liefden ons weder ter antwoordt, zij om betaling des seenspennincks. Dezelfe buren geven ons nu te kennen dat zij derhalven in de  ban geslagen zijn omdat zij waarschijnlijk de jaarlijkse seendpenningen niet hadden voldaan. Wij hebbende u in onze gescrijven bekend doen worden dat zij bereid waren de openstaande schulde te betalen. Wij begeren van uwe vrome lieden te willen vergeven en van stonde aan uit de banne gedaan worden, opdat de godsdienst in deze heiliggen tyd niet verachterd worde. Door de oorlogzuchtige tijden waren niemand van de buren op Campervenne woonachtig. Wij concluderen dan ook dat zij daaraan niet schuldig zijn. Eventueel wildet wij persoonlijk over kom. Wij wachten op een beschreven antwoordt.

 

 

De bisschop heeft waarschijnlijk het dwaze van deze handelswijze ingezien en kort daarna werd de ban opgeheven.

 

Maar de ‘Olde Rentmeester’ Jan Mulert, hij was toen al geen rentemeester meer, had nog steeds problemen met Campervenne. Hoewel hij al buiten dienst was probeerde hij zijn opvolger te verwittigen dat Campervenne  onwettelijk gebruik maakte van verouderde voorrechten en alsnog precarie moesten betalen.

 

 Campen had destijd veel aanzien en macht en klom wederom in de pen. De arme boeren op Campervenne worden opnieuw vervolgd, nu door Jan Mulert, de olde rentmeester van Sallant aangaande de precarie. Als sy de waarheid wil bevinden: Campervenne is een arm en verdronken land, hetwelk des jaars twee of drie maal met water overloopt. Also dat haar beeskens jaar op jaar verdrinken en het land bederft en den scamelen oogst nauwelijks crijgen mogen. Ten andere liggen er de previlegien van hunne voorvaderen. Wij gelieven ons verzoek te honoreren.

 

 

In 1522 sloot Deventer en Zwolle vrede met Hertog Karel van Gelre. Deze voelde zich toen een machtig heer en plaatste zichzelf boven de bisschop van Utrecht

 

Karel had zware oorlogskosten te verwerken tengevolge daarvan legde hij grote schattingen op. Ook die van Campervenne werden ingevorderd. De ingezeten beriepen zich op hun armoede en de voorrechten die zij genoten. Ze weigerden ze dan ook op te brengen. Vele mannelijke ingelanden werden daarna gevangen genomen en weggevoerd. Schrik en angst beving de arme landbewoners die have en goed verlieten en dijken en landen onbeheerd achter zich lieten met alle gevaren van dien.

Campen was des duivels en klom wederom in de pen. Ditmaal aan: “Ad ducem Gelria, van den buren van Campervenne”. Met dit schrijven werd de vinger weer duidelijk op de zere plaats gelegd. Maar de Hertog stoorde zich er niet aan. Zijn uitdagende positie was er naar dat hij gewoonlijk niet naar de Paus of  Koning luisterde, laat staan naar Campen. Maar de afgevaardigden van Campen lieten ook niet over zich lopen en schreven opnieuw. Ze wezen er in deze brief op dat de Campervenners een grote verantwoordelijkheid droegen. Hoe die arme ingezetenen voortdurend een groot onderhoud van dijken hebben waardoor zij ook de achterliggende kerspellen, als Oosterwolde, Hattem, Sallick en Oldebroek, die daarvoor in onderhoud niets bijdragen, voor watersnood beschermden; zodat ook het behoud van die dijken van het hoogste gewicht was, terwijl de ingezetenen bij dergelijke handelswijze des Hertog’s deze zullen verwaarloozen.

 

Maar....... de Vorsten van Gelre waren Oost Indies doof.

 

In 1524 werden de sterkste mannen van Campervenner geprest om graafwerkzaamheden te verrichten in Genemuiden ter versterking van de daar opgeworpen verdedigings linie’s.

 

Maar op voorspraak van de Camper Magistraat met een verzoek tot ontheffing besloten de bevelhebbers der Gelderse soldaten om hen vrij te laten totdat de bekende Gelderse Landdrost Berend Hackfort zou zijn aangekomen. Campen vermoedde vrij zeker dat een beroep tegenover den drost  aangaande de privilegiën meer baat zou geven.

 

 

Men schreef:

 

“An den beveelsluyden toe Genemuyden voer Camperveen.

 

Eerbare, vrome, wijze en voorzienige heren. Wy hebben van den arme buren op Campervenne , Onze burger myers, ontfangen en verstaan ende vermeldende dat zij deselve vrij van diensten zijn en het graven konden verlaten tot de comst van  den eerbare en vromen lantdrosts. Maar onze buren zijn weer aangevallen over de te betalen schattingen. Maar ze zijn zo gans arm dat zij er geen raad me weten. Wij vragen Zijne exelentie  om de goedwilligheid te laten vinden en te bevoordelen dat de privilegiën opnieuw beschreven zouden worden. Enz.

 

En in 1549 bevestigde Keizer Karel het aloude privilegie der Campervenners door met zijn enorme voeste so op den taefel te slaen dat deze aan alle sijden kraekte....