Kamperveen

 Conflikt ‘Pastorijlanderijen.

 

 

 

 

Aan de gouverneur der provincie Overijssel.

 

 

Kamperveen, 9 augustus 1828.

 

 

De ondergetekende kerkvoogden van Kamperveen achten zich verplicht het volgende onder uw aandacht te brengen met het verzoek om raad en terechtwijzing.

 

In 1826 zijn de Pastorijlanden door het hoofd Administratie als domein beschouwd  en ter verkoop aangekondigd in Oktober 1826.

 

Omdat deze landerijen van groot belang zijn voor de gemeente is er bij de kerkvoogden de mondelinge afspraak gemaakt om zo mogelijk deze landerijen voor de hervormde gemeente aan te kopen ter verbetering van het kerkelijk fonds.  De president kerkvoogd heeft toen beloofd de belangen der gemeente te zullen behartigen.

 

Deze landerijen zijn toen evenwel niet verkocht omdat ze te hoog waren aangeslagen en dat, om de gemeente niet te benadelen, niemand er werk van heeft gemaakt. Indien, zonodig blijkt, kunnen wij verschillende getuigen opnoemen. Zo is het gebleven tot aan dit jaar waarin deze landerijen wederom ter veiling werden aangeboden op 4 juli laatstleden.

 

De ondergetekenden verklaren ronduit dat zij den president kerkvoogd hebben willen herinneren  aan  de voor twee jaar gemaakte afspraak om deze landerijen voor de gemeente te kopen, maat ze hebben dit niet gedaan om te voorkomen dat zij anders de indruk  zouden wekken, dat zij geen vertrouwen hadden in hun president kerkvoogd. En de president kerkvoogd had doen voorkomen dat hij de gemaakte afspraken zou nakomen.

 

In dit vertrouwen zijn we deerlijk teleurgesteld. Want op den 4 den juli hij heeft deze opgekocht voor de  som van fl. 2650,00, te betalen in twaalf jaar. Daarna heeft hij verklaart dat hij de landerijen voor zichzelf heeft gekocht en niet voor de Hervormde gemeente.

 

Hieruit vloeien naar ons oordeel grote nadelen voort voor de gemeente en groot zouden de voordelen zijn geweest als de president aan ons vertrouwen had beantwoordt. Wij menen dat deze zaak niet rechterlijk maar zedelijk is. Bij deze verklaren wij ons misnoegen, teleurstelling en  misbruiken ten nadele van onze gemeente onder uw ogen te brengen en met de vraag of een zodanige handelwijze geoorloofd is en kan bestaan met de zedelijke verplichting die er op ieder lid der kerkvoogden en die vooral op den president rust. Wij verklaren ronduit dat  als zo’n gedrag goedgekeurd  kan worden wij ons verplicht voelen om van ons lidmaatschap af te zien. Wij zijn eventueel bereid om voor Zijne Majesteit de Koning rekenschap af te leggen.

 

 

Leden des kerkvoogdij van Camperveen. H Sesink, J.v.Ittersum, A.F. Ruitenberg.

 

 

-------------------------------------------------------------------------------

 

9 augustus 1828

 

Aan de heer H.A.de Chalmot,

 

Burgemeester en als zodanig President kerkvoogd van de Herv. Gemeente van Kamperven.

 

 

Mij is heden het bijgevoegde adres van Kerkvoogden der Hervormde Gemeente van Kamperveen met opzicht tot de aankoop van de zogenaamde Pastorijlanden gezonden en ik verzoek u mij met de terug zending van dit stuk uw bericht daaromtrent mede te delen.

 

-----------------------------------------------------------------------------

 

12 augustus 1828.

 

 

Door uwe Excellentie in mijn hand gesteld zijnde; een adres van drie kerkvoogden dezer gemeente, waarin zij zich beklaagden over mijn handelingen ten opzichte van de aankoop van de Pastorijlanden. Abusievelijk hebben zij niet vermeld dat ik deze aankoop gemeenschappelijke heb gedaan met de heer G.J.Lankhorst. bij een openbare veiling van deze Pastorij landen.  Ik heb de eer daarover te berichten.

 

Aan de enen kant geeft het voor mij een zeer onaangenaam gevoel om rekenschap verschuldigd te zijn van een daad, die zonder ruggespraak van anderen in de openbaarheid is gekomen. Ik ben U Excellentie zeer dankbaar dat u mij in die gelegenheid  stelt om mijn gedrag, waarvan ik wordt beschuldigd, te verduidelijken. De aantijgingen in dit adres berusten op valse  gronden. Zeer waarschijnlijk zijn deze  klachten ingegeven door den zeer jongen predikant (Blijenberg) die nauwelijks enige maatschappelijke ervaring heeft.

 

Ik zal U, Excellentie, deze zaak zoals die twee jaar geleden  en ook voor kort heeft plaats gehad mededelen.

 

De voornoemde predikant had deze landerijen tot voor twee jaar tijdelijk in gebruik. De concessie bedroeg ¾ eeuw voor en som van Fl. 50 per jaar plus polderlasten  te betalen aan de domieinen. Het gouvernement beschouwde deze landerijen als domein en  en ze werden aangeslagen om verkocht te worden. De Predikant kwam deze zaak met mij bespreken. Ten eerste of er een mogelijkheid bestond om deze verkoop te voorkomen. En ik herinner mij zeer klaar dat ik toen heb gezegd dat er mijns inziens weinig aan te doen zou zijn. Ook heb ik gezegd  als het eventueel toch tot verkoop komt dat het niet kwaad zou zijn deze voor de gemeente te kopen als de prijs niet te hoog zou zijn en het Gouvernement  autorisatie zou verlenen.  Maar de tijd om zulks aan te vragen was mijns inziens te kort. En dat men zonder deze  toestemming geen goederen verkopen mocht. Dat het zelfs niet raadzaam was deze autorisatie te vragen omdat de kerkelijke gemeente noodlijdend was  door de stormramp van 1825. Men had immers van Zijne Majesteit de Koning onlangs Fl. 1000,-- subsidie ontvangen tot herstel van Pastorie, kerk en kerkhof. Men zou immers geen enkel bewijsstuk kunnen overleggen om de jaarlijkse koopschat te kunnen betalen. Ik gaf hem te rade en hoe eer hoe beter, om door de kerkeraad een regest aan  Zijne Majesteit te zenden en daarin te verzoeken, om de meerdere opbrengst der goederen gedeeltelijk te verstrekken tot vermeerdering van zijn traktement zodat dat op dezelfde voet kon worden voort gezet

 

Zo’n  adres is op mijnen raad aan Zijne majesteit verzonden en hoogst persoonlijk heeft deze daarop een besluit aan den kerkeraad terug gezonden. Het verzoek werd van de hand gewezen. Doch dat de kerkeraad werd vrij gelaten om bij finale verkoop der goedren een verzoek in te dienen bij  Zijne Majesteit tot vermeerdering van het bestaande traktement.

 

De goederen zijn toen geveild doch niet  gegund omdat de geraamde prijs aanmerkelijk hoger lag.

 

Ik ben zelf toen met den predikant en kerkvoogd  v. Ittersum op de verkoping vertegenwoordig geweest, niet om deszelve te kopen, maar uit belangstelling voor de gemeente, hoe de verkoop zou uitvallen. Omdat de gunning achterwege bleef en dus gunstig uitpakte zodat de predikant het heeft mogen behouden.

 

Dan in de loop van de maand Juni laatstleden zond mij de heer Spree opnieuw biljetten waarop vermeld  werd de verkoop van deze goederen. Daarbij het verzoek om deze in mijn gemeente op de gewone plaatsen aan te plakken. Mijne veldwachter kreeg direct orders en bracht ze ten uitvoer. Onder het oog van de predikant welke hij in zijn tuin ontmoette , gaf hij deze te kennen over de verkoop. Doch nog de predikant, noch  enige van de kerkvoogden die ik verschillende keren in de tussenliggende periode sprak, gaven mij in het minst te kennen om aan de aankoop van die goederen te denken.. (Zij mogten dat dan doen uit overgrote kiesheid, zoals zij voorgaven, doch die bij een buitenman als het op den beurs aan komt ver te zoeken is, gelaten hebben)

 

Twee dagen voor den verkoop deed de heer G.J.Lankhorst, lid van de Raad van de stad Kampen, bij mij een aanzoek en hij stelde mij voor om de goederen voor een redelijke prijs te kopen. Eventueel gemeenschappelijk. Ik heb toen nog de aanmerking gemaakt dat daar wel niet van zou  komen omdat de waarde te hoog was berekend en het een vergeefse reis zou worden. Toch heb ik het voorstel aangenomen. We hebben een maximum prijs afgesproken  om te gan en wel tot Fl. 3239,00. Het gevolg was dat wij 14 juli bij openbare veiling te samen voor de som van Fl. 2650 het hebben aangekocht.

 

Ziedaar Excellentie de zaak zoals zich die voor twee jaar en nu heeft toegedragen. In hoeverre nu de zedelijke verplichting, zoals de adressanten het gelieven te noemen, op een Burgemeester of President kerkvoogd rust, om als hij een voordelige koop in de gemeente gedaan heeft, af te staan verklaar ik niet te weten. Gesteld dat ik voor twee jaar al eens beloofd had, zoals zij doen voorkomen, (hetwelk een schandelijken leugen is) dan kon die belofte toch niet verder strekken dan tot na de afloop van de veiling. En het had mij nu dan vrijgestaan hieromtrent na welgevallen te handelen. Tenzij er opnieuw over gesproken was en ik opnieuw mijn woord had gegeven

 

Het adres is door iemand anders en  zeer waarschijnlijk met een vergroot handschrift, geschreven door predikant Blijenberg. Deze heeft sedert langere tijd onenigheden tussen  diverse ingezetenen der gemeente teweeg gebracht. Gedurende 18 jaar dat ik hoofd van het bestuur ben zijn deze onenigheden niet zo erg geweest. De ergernis is sedert het besluit van GS van 13 mei 1825 waarbij hij in het ongelijk werd gesteld ten aanzien van het onderhouden van vier weeskinderen als maar toegenomen. Hij heeft dit toen ruim een jaar tegen gehouden.  Zijn doelstelling was om deze ten laste van de gemeente kas te brengen. Daardoor de ingezetenen aanmerkelijk te bezwaren. Daarna heeft hij den huichelaar willen spelen door het gemeente bestuur in een miskleun uit naam van den  kerkeraad een brief te sturen.......nader uitpluizen.

 

 

De eerste ondertekenaar is de koetsier van wijlen de heer Bentinck van Wittenstein. Een eerste voorvechter wanneer eigenbelang in het spel komt en die dan ook door den predikant als eerste machine is gebruikt. Deze man die zich goed kan behelpen vervoegde zich  afgelopen jaar bij den commissie voor den noodlijdenden. Er heerste ziekte in deze gemeente, waarvan ik de eer had president te zijn. Hij verzocht ondersteuning voor een ingezetene van Nunspeet die bij hem gelogeerd was. De commissie heeft dat op goede gronden geweigerd. Op zaterdag dezen kwam hij bij mij voor een certificaat voor de Graaf voor Rechteren. Bij die gelegenheid sprak hij over de aankoop van de landerijen en zij hij tegen mij in tegenwoordigheid van twee mensen. “Gij hebt mij verleden jaar op discutabele grond geweigerd steun voor een zieke te verlenen nu zal ik u wel vinden en naar den  Gouverneur gaan en u aldaar aanklagen.

 

De tweede ondertekenaar is ook assessor der Gemeente en bovendien mijn naaste buurman. Voorzover bekend was dit een braaf man en die ik tot een dusdanige daad niet in staat achtte. Of hij heeft getekend zonder het aquest te lezen of hij is schandelijk overgehaald. Dat laatste bleek toen ik hedenmorgen nauwelijks buiten was. Hij kwam bij mij en zei dat hij afgelopen zaterdag iets getekend had waarvan hij berouw had. H.Sesink was bij hem gekomen met het adres waarvan hij tevoren niets wist. Hij had het voorgelezen en verzocht het te tekenen. Ik heb verklaart dat ik van deze belofte nooit had gehoord, dat hij diie goederen voor de gemeente zou kopen. Sesink had daarop geantwoord dat hij getuigen genoeg had en dat hij als hij een eerlijk man was en trouw wilde blijven aan zijn afgelegde eed hij het moest tekenen. Ik heb mij toen laten overhalen. Hij zei verder ook dat hij het wenste hetgeen hij gedaan had te kunnen herstellen. Mijn antwoord daarop was dat er geen andere mogelijkheid was dan een nieuwe verklaring te geven. Hetwelk hij gaarne wilde. Hij heeft mij toen verzocht er een te willen voorschrijven. Ik heb nevenstaande certificaat toen opgesteld welke hij heeft gelezen en ondertekend. Naderhand heeft hij mij verklaard dit eventueel met een eed te willen bevestigen. Er was geen zegel voorhanden maar indien gewent de door Zijne Excellentie, kan dit alsnog worden verzonden.

 

De derde ondertekenaar Arnoldus Flips Ruitenberg,  Diaken en als zodanig kerkvoogd, heeft een geheel valse verklaring afgelegd.. Van het gebeurde van twee jaren geleden kon hij niets weten omdat hij pas op 29 december 1827 tot kerkvoogd is benoemd. Het bewijs hiervan kan worden gevonden in het notulen boek welke ik zonder uw verzoek meestuur. Hieruit blijkt dat er over de aankoop van de Pastorijlanden nooit is onderhandeld met den kerkvoogdij. Wanneer er evenwel toch van zulks sprake was geweest dat ik dan zeer voorzichtig zou zijn omdat men met buitenlieden te doen heeft.  Ik zou nooit iets dergelijks doen op een mondelinge belofte maar alleen wanneer ik als gemachtigde zou worden  aangesteld.

 

En hiermede  vermeen ik aan  de extensie te hebben voldaan en heb  de eer met hoogachting te zijn. De burgemeester der Gemeente Kamperveen H.A.de Chalmot.

 

 

 

 

(J.H. de Chalmot was een zeer vooraanstaand drukker in Kampen. Een persoon des aan ziens. De burgemeester van Kamperveen  en tevens President kerkvoogd stamde uit dit geslacht.  J.H. leefde van 1735-1801. Hij had de laatste jaren van zijn leven een buiten op Kamperveen. Waar? Misschien naast  Jan Engbert.v.Ittersum? Die woonde op Grevenrit)

 

 

 

Kamperveen, 12 augustus 1828.

 

 

Verklaar ik, Jan Engbert  v. Ittersum,  Assessor en Kerkvoogd, bij deze dat op zaterdag morgen den 9e augustus ten mijnen huize is gekomen Hendrik Sesink, mede kerkvoogd. die mij een adres heeft voorgelezen gericht aan den gouverneur. Daarin kwam onder ander voor dat de President Kerkvoogd voor twee jaar zou hebben gezegd dat de Pastorij goederen verkocht zouden worden en dat hij die goederen voor de gemeente of kerkelijke administratie wilde kopen. Dat ik daarop aan Sesink gezegd heb: dat ik zulks nimmer had gehoord  en dat ik ook het adres niet wilde ondertekenen. Sesink antwoordde daarop dat hij getuigen genoeg had en dat ik volgens eed en plicht, verplicht was als kerkvoogd te ondertekenen. Ik heb mij toen laten overhalen.

 

Gaarne  had ik gewild dat de gemeente die goederen voor den verkochten prijs had verkregen. Dat zou voordelig zijn geweest.

 

Verder verklaar ik dat de heer H. A, de Chalmot, Burgemeester en President Kerkvoogd nimmer in mijn vertegenwoordigheid gezegd heeft dat hij de goederen voor de gemeente zou kopen. Dat ik zelf bij de verkoping met voornoemde heer en met Predikant  H. Blijenberg vertegenwoordig ben geweest. Dat er toen niet het minste overleg heeft plaats gehad om deszelve te kopen. Maar om den afloop van de verkoping te zien. Ik verklaar al het geen in voornoemd adres beledigend is geweest voor H. A. de Chalmot  bij deze in te trekken en dit  door mij niet is gemeend.

 

Kamperveen, 12 augustus 1828.

 

 J. E v. Ittersum.

 

-------------------------------------------------------------------------------------

 

 

Den 22 augustus 1828.

 

 

De Gouverneur.

 

 

Gelezen hebbende een adres van H.Sesink,  J.E. v. Ittersum en en F. H. Ruitenberg als kervoogden van de Hervormde gemeente van Kamperveen. Zij geven daarin te kennen, dat de Pastorijlanden van die gemeente in juni 1826 door de administratie der domeinen ter verkoop zijn aangeslagen.

 

Door de kerkvoogdij zou bij mondelinge afsprak bepaald zijn, dat zo mogelijk die landerijen voor het kerkelijk fonds zouden worden aangekocht. Dat  de President Kerkvoogd toen beloofd zou hebben in deze de belangen der gemeente te willen behartigen.

 

Dat de landerijen toen niet verkocht zijn, maar dit jaar weer ter verkoop zijn aangeslagen. De kerkvoogden meenden op de voor twee jaar gemaakte afspraak te kunnen blijven vertrouwen. De President  Kerkvoogd heeft laatstleden  de goederen gekocht voor een som van fl . 2650,--,  in twaalf jaar te betalen. Maar verklaarde toen, dat hij deze niet voor de gemeente maar voor zichzelf heeft gekocht. Hierdoor zou hij misbruik hebben gemaakt van het in  hem  gestelde vertrouwen van de kerkvoogden.. Zij beschouwden deze daad als niet rechterlijk doch als zedelijk. Ze wilden deze handelwijze onder de aandacht brengen van den Gouverneur. Daarbij verklaarden zij dat als dit gedrag goedgekeurd zou worden zij zichzelf verplicht zouden voelen hun lidmaatschap op te zeggen en zulks ter kennis van Zijne Majesteit de Koning te brengen en daarvoor eventueel rekenschap af te leggen.

 

Gelezen het hieromtrent ingewonnen bericht van den Burgemeester van Kamperveen als President Kerkvoogd daarbij de loop en de toedracht der voormelde zaak mededelende met daarbij de opmerking dat niet hij alleen maar met de heer Lankhorst mede koper van bedoelde goederen is geworden.

 

Overwegende  dat de derde ondertekenaar van het adres,  A. F. Ruitenberg eerst in december 1827  als kerkvoogd is benoemd kan hij over het voor twee jaar voorgevallene geen getuigenis afleggen,

 

De tweede ondertekenaar,  J. E. v. Ittersum,  heeft zijn  gedane klagte,  volgens een aan den gouverneur overgelegde verklaring, gerehabiliteerd, als zijnde te zijn overgehaald.

 

Overwegende dat volgens het register van het verhandelde bij kerkvoogden nimmer een behoorlijke lastgeving op hunnen president tot de bedoelde  aankoop is verstrekt hetgeen in  zodanig geval noodzakelijk zou moeten geschieden.

 

Overwegende dat de adressanten bij hun klagte de handeling van hun  President Kerkvoogd uit het oogpunt van zedelijke verplichting en voor gene rechtelijke beoordeling vatbaar te beschouwen.

 

Overwegende dat dezelve evenmin tot een administratieve beoordeling aanleiding kan geven, vermits gene bewijzen omtrent de gepaste verplichting van den president kerkvoogd aanwezig zijn.

 

Gelet  op art. 64 der kerkelijke fondsen en de kosten van den Eredienst bij de hervormde gemeenten in Overijssel  gearresteerd bij koninklijk besluit van den 2e juli 1820 waarbij een bepaling voorkomt ten aanzien der leden der gemeente welke zonder enige voldoende, bij dat reglement opgenoemde redenen, de posten van kerkvoogd weigeren te aanvaarden, of die tussentijds dezelve willekeurig verlaten.

 

Geeft bij deze aan de adressanten, onder opmerking van al het vorenstaande te kennen, dat hun voorstel voor gene administratieve  beschikking is en het den gouverneur onaangenaam is dat door zodanige voorvallen, de goede verstandhouding welke jaren lang onder het bestuur van den burgemeester bestaan heeft verbroken was. Die zijn ijver en zorg voor dezelve ingezetenen bij den watervloed van 1825 en de heersende ziekte in 1827 heeft betoond, als nu. door welke tussenkomst dan ook zou worden verbroken.

 

 

 Afschriften aan alle betrokkenen te doe toekomen.