Kamperveen

 Brandweer.

 

 

Tot eind 1600 duurde het voordat de mensen daadwerkelijk iets tegen een brandende woning gingen doen. Dat klinkt misschien erg vreemd, maar voor die tijd zag men een brand dikwijls als “een straf Gods” en dat had men te aanvaarden. Vrijwel alle boerderijen waren in die tijd van hout gebouwd en het uitbreken van brand was vrijwel altijd rampzalig. Boerderijen waren niet zelden tot de nok gevuld met hooi en stro. En een schoorsteen vond men een te kostbare en overbodige luxe; en dit terzijde, daar moest ook nog eens belasting over betaald worden. Het zogenaamde vuurstedengeld. (Betalen naar het aantal schoorstenen.) Men volstond meestal met een open gat in het dak waardoor de rook naar buiten werd afgevoerd.

 

De schouten van Campervenne deden wel hun uiterste best om schoorstenen te adviseren bij het bouwen maar er waren er maar weinig die er gehoor aan gaven.

 

Wel had men de plicht bij het ontdekken van brand alarm te slaan. Meestal riep men luidkeels “BRAND”!! En vervolgens diende men de ‘handen uit de mouwen te steken’. Het blussen op zich was een wildemans boel. Men sloeg met bezems en vuurschoppen op de vuurhaard. En de bekende van hout gemaakte doorgeef emmertjes van af de sloot tot de brandhaard deed menigeen ineen zakken van spierpijn. Na enkele minuten werden deze loodzwaar doordat het water in het hout trok. Van aanzienlijke verbetering waren de leren emmers. Deze waren veel lichter en het water kon daardoor ook vanaf grotere aftstand de vuurhaard ingeworpen worden.

 

 

Jan v.d. Heiden.

Jan v.d.Heiden werd geboren in 1637. Hij was kunstschilder van beroep maar had als hobby uitvinden. De eerste mechanisch spuit betond uit een pomp in een bak die ook weer gevuld moest worden met wateremmertjes. En de spuitmond was vast aan de pomp bevestigd. Daardoor moest deze zo kort mogelijk bij de brandhaard worden geplaatst. En niet zelden gebeurde het dat de spuit zelf slachtoffer werd van de rode haan. De eerste grote verbetering was het gebruik van een leren waterslang met aan het eind de spuitmond. Toen verving hij het aandragen van water door een tweede pomp die het water in de voorraadbak pompte. Vervolgens werd de brandspuit weer verbeterd met een aanzuig systeem. Al met al ontstond er toen een bruikbare brandspuit die het bluswater in de vuurzee kon spuiten.

 

 

In 1896 besloot de gemeente Campervenne tot aanschaffing van een originele van der Heiden brandspuit. Gemaakt door de gebr.v. Bergen uit Heiligerlee. Voordien waren de hulpmiddelen bij de bestrijding van branden de voorheen genoemde "leren wateremmertjes en vijf kwalitatief vakkundig gemaakte brandhaken". Ook hier gold de slogan "Nadat het kalf verdronken is dempt men de put". De aanschaf was het gevolg van een omvangrijke brand. Maar èèn spuit voor geheel Kamperveen werkte natuurlijk alleen als de brand naast de locatie van de spuit uitbrak....!  In februari 1899 woede een hevige brand bij veehouder W.v.d.Berg. De brandspuit werd dicht bij de vuurhaard neergezet om zo effectief mogelijk te werken. Maar het vuur greep zo snel om zich heen dat aan blussen niet meer te denken viel, voordat de slang was gelegd en er gepompt kon worden, vatte de pomp vlam. Onder de ogen van de vluchtende brandweermannen, die daarna op afstand toekeken, verbrandde de gehele karbrandspuit. Enkele van hen probeerden nog met het oude vertrouwde systeem de spuit te redden door met emmers water te blussen. Echter tevergeefs.  Alles ging verloren. Triest was dat bij deze brand ook het 15 jarige dienstmeisje, Geertje van de Vegte, om het leven kwam. Nog in het zelfde jaar werden drie handbediende kruiwagenspuiten aangeschaft. Eèn voor De Roskam, èèn voor Zuideinde en èèn voor De Zande. Als stalling aan De Zande werd een huisje op de dijk van J.Last aangekocht. Deze buurt brandweer had voor de tweede wereldoorlog de beschikking over een  z.g. kruiwagen-pomp, Een kruiwagen met daarop gemonteerd een pomp met twee pomp-armen. Twee gekoppelde zuig/perspompen verbonden aan een windketel waarin het water werd gepompt. De lucht boven in deze ketel werd samen geperst en het water werd onder gelijkmatige druk opgestuwd. Aan deze windketel werd de brandslang gekoppeld die aan het eind voorzien was van een spuitkop. Aan beide zijden kon er gepompt worden door vier personeelsleden van de brandweer. Voor het goede ritme zorgde de brandmeester met de pompcommando's. Elke pompslag gaf een spuitje water en was de afstand vrij groot dan was het erg moeilijk om aan het eind er nog water uit te persen. Al met al was het pompen een heel vermoeiend karwei, en er moest geregeld gewisseld worden. Toch was het een geweldige verbetering ten opzichte van het emmertjes doorgeven.

 

In 1948 werd in de stalling aan de Koeluchterdijk de spuit vervangen door een draagbare motorspuit. Een centrifugaalpomp aangedreven door een benzinemotor. Alles in een handkarretje op houten wielen. Deze moest door de brandweerlieden naar de brandhaard getrokken of geduwd worden. De weg over De Zande was in die tijd nog verhard met kleine klinkers met de nodige valkuilen en hobbels. Was de brandhaard verderop dan ging men achterop de enige vrachtwagen met geopende laatklep zitten en hield de kar stevig vast. De bestuurder van de vrachtwagen keek veel in de spiegel of alles nog wel achter hem aan hobbelde. En zo kwam men ter plaatse van de brand. Was de auto niet aanwezig, dan moest er iets geïmproviseerd worden. Paard voor de sleepkar of indien het in de buurt van de "kazerne" was dan duwen. De spuitgasten waren allen vrijwilligers. Deze werden bij een brandmelding opgeroepen door de brandmeester. Omdat vrijwel niemand telefonisch bereikbaar was, had hij een z.g. koperen "brandhoorn" ter beschikking. Hij blies dan, bij brand,  uit volle borst "de Brandmars". Allen snelden  op lichtvoetige klompen richting verzamelpunt en dan richting brand. Ieder had zo zijn eigen taak. Het uitrollen van de brandslangen was een routine karwei. Slechts enkelen beheersen deze techniek. Ook het aan elkaar koppelen gaf dikwijls de nodige problemen, vooral als er gehaast gewerkt moest worden . Alle bajonetsluitingen pasten nl. niet in elkaar omdat de slangen van verschillend fabrikaat waren... Daar was vakkennis voor nodig. De machinist bediende de motor met centrifugaalpomp, zorgde voor de inhoud van de benzine tank en startte de motor. Het starten gebeurde met een koord met aan de ene zijde een knoop en aan de andere een houten handvat. Het koord moest over een schijf worden gewonnen en dan maar trekken. De repeteer starter was nog niet uitgevonden. De plaats van sloten, kanalen en kolken met ruim voldoende water moesten de brandweerlieden uit het hoofd leren. Was er geen water dan trof men een grote blamage, gevolgd door schimpende opmerkingen van de aanwezige toeschouwers. Machinist en spuitgast stonden met elkaar in verbinding door hand gebaren. Was de motor op toeren en voldoende warm dan werd de handchoke gesloten en kon er water in de pomp worden gegoten met een emmertje en trechter. Nadat deze vol was ging de trechter er af en werd de kraan dicht gedraaid. Het sein "Wateraanzuigen" werd dan gegeven. Gaf de manometer voldoende druk aan dan kreeg de spuitgast, aan het eind van de gekoppelde slangen, het sein: "Daar komt het water!". Deze zette dan de kraan van de spuitmond open en het water zag men aan het opbollen van de platte slang richting spuitmond racen. Enkele ogenblikken later kon er geblust worden. Al met al een hele studie voor koeboeren. Gelukkig woonde er een landbouwsmid die tot eerste machinist werd benoemd. Nadat er voldoende vrijwilligers waren gerund en deze hun opleiding hadden voltooid werd er een demonstratie gegeven voor de bewoners. Ook de pers werd uitgenodigd en deze was die middag ook aanwezig. Kamperveen had indertijd een eigen correspondent voor de plaatselijke krant. Een bijbaantje van een aannemer gevestigd aan de Hogeweg. Na ontvangst van de vele belangstellenden ging men gezamenlijk naar de locatie: "Uitvliet", gelegen naast de IJsbaan  "Adsum". Op deze zeer hobbelige landweg, verhard door enorme puinblokken, werd alles in stelling gebracht. Iedereen stond op afstand toe te zien, maar de pers stond zoals altijd met de neus vooraan. Vele toepasselijke brandweer kreten kwamen vanuit de toeschouwers over de vrijwilligers. Na het starten en warmdraaien van de motor, wat enigszins omslachtig gebeurde om zoveel mogelijk indruk te maken, want de brandweerlieden waren eigenlijk best een beetje trots op deze geweldige blusser voor "De Koelucht",  trok de machinist de gashandel zover open dat de druk op de manometer iets meer aangaf dan het toegestane maximale. Maar voor een keer kon dat geen kwaad. En toen ging het sein "water" naar spuitgast: van der Stouwe. Deze gaf te kennen dat hij klaar was. Het water kwam met een enorme snelheid en kracht door de slang richting spuitmond. De spuitgast, totaal verrast door de enorme druk, ging bijna van zijn benen met het gevolg dat de controle over de spuitrichting volledig zoek was. Het toeval wilde nu dat de enorme blusstraal rechtstreeks krantenman ging. Deze werd volledig omver gespoten en rolde als een rollade over de Uitvliet. Er werd toen direct gas terug genomen maar helaas de fout was niet meer te herstellen.  Kleddernat en uitgeblust, zonder potlood en met doordrenkt papier, kroop hij een tijdje later weer in de benen. Drijfnat droop hij af en verdween. Er is helaas nooit een persbericht van de opening verschenen. Waarschijnlijk was zijn  reserve kladblok ook niet meer beschrijfbaar en zijn geheugen ook te week. Bijzonder jammer. Maar de overige aanwezigen hebben genoten van deze geweldige demonstratie. Na een aantal jaren werden er zogenaamde brandkranen in putjes op de waterleiding aangebracht. Een passend koppelstuk met een snelsluiting bevestigd was wel een verbetering. De slangen werden rechtstreeks op de druk van de waterleiding aangesloten. Om de tweehonderd meter was een brandput en zo kon men vrijwel de gehele De Zande bereiken. Voor een brand bij Kanis aan de Zalkerdijk waren er net te weinig slangen zodat deze buiten het bereik viel. Een hooiberg brand, bij v.Rechteren, veroorzaakt door hooibroei was de eerste echte brand die geblust moest worden. In een mum van tijd waren er de vrijwilligers en enkele minuten later werd er gespoten. Hoewel de hooiberg geheel verloren ging bleven andere gebouwen behouden. Toch een erg nuttige klus. Het nablussen duurde verder de gehele dag en ook de er op volgende nacht had men om beurten wacht. Omdat het overtollige hooi onbruikbaar was als veevoeder moest het worden afgevoerd. Dit gebeurde met hooiwagens. Vele wagens transporteerden het hooi naar de loswal, tegenover de smederij van Visscher en daar werd het op de oever van de Hang gedeponeerd om verder verbrand te worden. Doordat sommige wagens nogal snel reden kreeg het smeulende hooi weer zuurstof door de wapperende wind zodat diverse wagens als brandende fakkels over de straat reden. Al met al een ludiek schouwspel, passend in de toenmalige tijd. Naderhand kwam de modernisering en werd de plaatselijk brandweer opgeheven. De taak werd overgenomen door de brandweer van IJsselmuiden. Op het Zuideinde stond de brandspuit in de oude school gestationeerd. Wat thans de Ger.Kerk is. Brandmeester was toentertijd Evert van Bettien- Fikse Het ritueel was in alle buurtschappen gelijk. Evenals tegenwoordig rukte ook de politie uit. Deze had als standplaats De Zande. Was er een brandje aan de Hogeweg of Zuideinde dan moest er op een af andere wijze een bericht naar de veldwachter. Maar naast Veldwachter was hij adviseur van de burgemeester, gemeente bode en om zijn salaris wat op te krikken kluste hij bij 't leven. Hij verzorgde de gemeentelijke mededelingen die hij Zondags voor de aanvang van de kerkdiensten afkondigde, ook bezorgde hij wel de post. Was hij deurwaarder en moest hij zorgen dat de gemeentelijke belastingen geïnd werden. Hij had toezicht bij begrafenissen en controleerde het veefonds. Door al deze bijbaantjes was de kans niet ondenkbaar dat hij op surveillance was en moest gewaarschuwd worden. Iemand te paard of een wandelende voorbijganger zorde daar dan voor. Maar zag hij een rookpluim dan haastte hij zich naar de plek des onheils om daar assistentie te verlenen. Het resultaat was meestal dat het zout kwam als het ei op is.

 

 

Ramplamplam, Ramplamplam,

 

Doar kump de brandweer an,

 

Anderhalf uur later, gef de spuite water,

 

Nooit derek, want dink is altied lek.....

 

 

Gedicht van Jan van Riemsdijk.