Kamperveen

 Aelmarre.

 

 

 

Met een zacht briesje waaide de volgende legende over het geheimzinnige moeras.

 

 

Ook in dialect.     Zie onderaan dit verhaal.

 

 

 

Als huidige bewoners van het Kamperveense platteland, haar ingeburgerde leefgemeenschap en de polderstructuur kunnen wij ons hiervan niet de geringste voorstelling vormen, maar we kunnen er ook niet helemaal omheen.

 

 

 

Denemarken was destijds, even als nu nog het geval is, een gebied met meren, plassen, lagunes en moerassen met daartussen rotspartijen, vastere en vaste gronden, eilandjes enz. In een van deze diepere landinwaarts gelegen zeearmen onderverdeeld in grote en kleine lagunes en rotspartijen leefde toentertijd een enigszins terug getrokken patricische familie met een heel eigenzinnig soort van beschaving. Een dynastie met een mengeling van koud en warm bloed, die nergens anders ter wereld voorkwam en nog enig en onaangetast in haar soort was. Helaas zijn ze uitgestorven net zo als menig prehistorisch dier. Daar heersten strenge normen en zeden en aan hun protocol werd zeer strak de hand gehouden. Uitspattingen waren uit de boze en werden bestraft met niet malse eigentijdse maatregelen. En die konden barbaarse vormen aannemen. De Denen noemden dit het ‘machtige waterrijk’ van de zeenimphen. De troonopvolgster was altijd een “zeemeermin”. Een wezen met een begaafdheid die torenhoog boven het normale uitstak. Die vele malen intelligenter was dan de hoogst  ontwikkelde landbewoner en een kracht  bezat die alle verstandelijke wezens ver boven het theewater ging. Het lichaam boven hun middel was dat van een schone jonkvrouw met heel lang blond golvend haar en haar onderlichaam was die van een enorme vis met schubben en vinnen.

 

 

 

 

Aan het hoofd stond de minnenkoningin. Ze werden beschermd en beveiligd door een fenomenale lijfwacht gevormd door een enorme armada van dolfijnen. Die hadden ze niet zomaar gekozen, nee, het waren op intelligentie geselecteerde zeedieren. Binnen hun eigen leefomgeving hadden de zeeminnen, binnen hun perken, toch wel een behoorlijke vrijheid. Maar de toegangskanalen werden hermetisch afgesloten door wachtposten van dolfijnen.

 

 

 

 

 

 

 

 

In de herfst en winter ging er wel eens een gedeelte van de minnenfamilie, begeleid door hun lijfwacht, een trektocht maken. Zo’n uitstapje voerde hen naar de uitgestrekte wateren van de Oceanus-Germanicus (Noordzee). En dan gebeurde het een enkele keer dat ze een groep “Noorse Vikingen” tegen kwamen en dat waren nou niet hun aller beste vrienden. Daar zat heel veel oud zeer, een onoplosbare oude rivalen vete. Deze lieden maakten namelijk aanspraak, verkregen volgens hun eigen zeggen door erfrecht van de zeegod Oceanos, op de alleen heerschappij van de wind en het water op Germanicus. Dat bestreden de Meerminnen in hoge mate, want zij waren het, zo redeneerden zij, die deze rechten door de eeuwen heen hadden verworven van hun zeegodin Rana. Hun verhouding lag in de sfeer van haat en nijd. Zo’n open zee confrontatie leidde vrijwel altijd tot erg veel tumult. Het gevolg was dat  de rivaliserende partijen lieten zien hoeveel macht ze wel hadden. De ene keer bliezen de Vikingen de wind aan tot orkaan kracht en een ander maal waren het de mereminnen die hun kunsten met het water vertoonden. Waren de elementen wind en water ongehoorzaam aan èèn van deze partijen dan ontstaken ze in briesende woede. Hoge vloedgolven en zware stormen waren dan de gevolgen. Menig visser uit die tijd kan daarover vertellen. Deze probeerden dan ook altijd om beide partijen te vriend te houden.

 

 

 

Zoals bij vrijwel elke lijfwacht voorkomt waren er ook onder de dolfijnen een paar die voor een redelijk prijsje een buitenstaander wel een dienstje wilden bewijzen. Drie jonge, volwassen mannelijke walrussen hadden er best een paar duiten voor over om eens kennis te kunnen maken met een paar lieftallige jonge zeemeerminnen. Ze kregen een oude dolfijn, een verwoed verzamelaar van ivoren voorwerpen, zover dat hij bereid was een vinnetje te lichten voor een puntgave walrustand. Die ontbrak namelijk nog aan zijn unieke verzameling. Hij vertelde, op een geheime ontmoetingsplaats, de walrussen de plek waar de meerminnetjes zomers altijd lagen te zonnen en via welk toegangskanaal ze daar konden komen.

 

 

 

Op een prachtige zonnige zomerdag gingen de drie walrussen via de geheime kreek onder de rotswand door, de oude dolfijn keek eventjes naar een overvliegende Jan van Gent en de walrussen zwommen naar de aangewezen plek. Daar gingen ze gedrieën lekker languit, op een stenen plateau liggen. Tegen de middag, toen de zon hoog aan het firmament stond, hoorden ze in de verte gegiechel. Ze keken op en ja hoor daar kwamen enkele ‘meermin-princesjes’ aanzwemmen. Deze gingen rechtstreeks naar hun stekkie en vleiden zich daar heel charmant in de zon. Eèn van hen stootte de ander tegen het geschubde lichaam en maakte een knikkende beweging richting de Walrussen. Ze keken allemaal heel voorzichtig die kant op en fluisterden: “ Dat zijn walrusjongens”. “Hoe komen die hier eigenlijk?” Dat is voor hen toch streng verboden gebied. O-wee als ze gezien worden.....?, dan worden ze gelijk afgevoerd en zal hun straf wel heel erg zwaar uitvallen”. Maar op hun zon-rotsterras, waar ze veelal hele middagen doorbrachten, was nimmer ook maar de minste afwisseling noch vertier. Totaal niets te beleven en nu lagen daar zomaar drie prachtige jonge walrussen met glanzende ivoren tanden en lange goudkleurige snorharen en een kastanje bruine, spiegelend glanzende huid. Eèn van hen zei: “Ik wou best eens met mijn wang langs die snorharen van zo’n rus strelen, dat lijkt mij een overheerlijk gevoel”. Ook de anderen waren wel in voor een avontuurtje.

 

 

 

         Eèn van de walrussen had een sierlijke schelp op zijn voorvin gelegd en wierp deze met een slingerende zwaai midden tussen de minnen. Deze schrokken zich een schubje, maar zagen als spoedig in dat dit bedoelt was al een contact seintje. Even later vertrok de schelp weer retour. Het duurde dan ook niet lang of de russen rolden richting de minnen. En toen werd het weldra dollen, gevolgd door rollen. Deze stoei partijtjes werden voort gezet in gezamenlijke bezoekjes aan spleten, plassen en andere geheimzinnige plekjes van het hun romantische speelwater. De middag was wel heel snel voorbij en na het afscheid vertrokken ze ieder weer naar hun eigen gebied.

 

 

 

Na een lange periode van rust werd er tot ieders verbazing, weer eens een jong  meerminnnetje geboren. Dat was echt reden om een uitbundig feestje te bouwen, temeer omdat het geboorte  aantal de laatste tijd opmerkelijk laag was. Ze maakten zich al een beetje zorgen over het uitsterven van hun geslacht. Het jonge zee-telgje kreeg de prachtige naam “Aelmarre”.  Ze groeide heel voorspoedig op en bleek een fors uit de kluiten gewassen individu. Maar toen ze halfwassen geworden was begon men in het imperium achterbaks te roddelen. Het leek wel of ze een afwijking had. De enorme vreugde van het eerste uur sloeg om in twijfelende argwaan. Ze had al lang de leeftijd dat er schubjes op haar vissenstaart moesten verschijnen. Kenners ontdekten echter een zachte beharing. Na nog en korte periode werd het duidelijk; de onderkant van haar lichaam was die van een........ “walrus”. Toen kreeg ze gelijk een stempel opgedrukt: dit is een “onechtminne” kind. Dat werd door de staatsrechtelijke adviseurs niet geaccepteerd en dus werd er een plan gesmeed haar op een nette manier uit de monarchie te laten verdwijnen. Toen ze volwassen geworden was en in staat kon worden geacht om voor zichzelf te zorgen werden hun plannen ten uitvoer gebracht. Op een zonnige zomer dag met een lichte bries werd ze op de rug van een brede dolfijn gezet en onder begeleiding van een groot aantal dolfijnen zwommen ze het vorstinnendom uit. Uren en uren zwommen ze met grote snelheid in westelijke richting tot ze bij een groot zandstrand aankwamen met duinruggen op de achtergrond. Aelmarre vond dit uitje een heel leuk tochtje. Zover was ze nog nooit weggewest. De leider van de school zei fluisterend tegen zijn medehelpers: “dit lijkt mij een uitzonderlijke plaats voor haar” en toen werd besloten om haar daar op het strand te dumpen. “Aelmarre”, zo zei men tegen haar: “ Hier achter die hoge zandruggen moet een enorm mooi meren- en plassen gebied liggen zou jij dat eens voor ons willen bekijken. Jij kunt veel handiger tegen die zandduinen op klimmen dan wij en vervolgens kun je ons vertellen hoe het er daar uitziet. Misschien is het wel een toekomstige woonoord voor enkele van onze groepsgenoten. Ze liet zich van de dolfijnen rug afglijden op het strand. Langzaam kroop ze op handen en staart tegen het mulle zilverzand van de duinen op. Eenmaal boven zag ze een onoverzichtelijk gebied van vele meren en eilandjes begroeid met bomen en planten. Het maakte een geweldige en onvergetelijke indruk op haar. Ze klom naar een nog hogere duintop voor een nog beter overzicht. Inmiddels waren de dolfijnen heel snel ondergedoken en keerden met spoed terug........ . Toen ze alles overzien had wilde ze terug naar haar begeleiders, maar waar waren die?  Ze zag ze nergens meer. Ze zouden haar hier toch niet alleen achter gelaten hebben, zo vroeg ze zich af.? Ze keek de zee eens spiedend over, ging op het uiterste puntje van heer staartvin staan en in de verte zag ze alle dolfijnen juist een luchttuimeling maken terwijl ze met hun staarten ten afscheid zwaaiden, althans zo leek het haar. “Het zal toch niet waar zijn”? Mistroostig zakte ze daar eenzaam en alleen boven op een duintop ineen. Eerst keek ze heel verdrietig en zwaar teleurgesteld om zich heen terwijl de tranen uit haar ogen sijpelden. Anderzijds ontstak ze in hevige woede over deze laffe daad. Ze sloeg zo hevig met haar staart door het duinzand dat er een mini zandstorm opstak. Toen ze na uren schokkend snikken weer enigszins tot bedaren was gekomen, kwam ze tot de conclusie dat het een voorop gezet plan moet zijn geweest. Ze besloot toen maar om zich in haar lot te schikken en daalde, om zich heen speurend, langzaam naar haar nieuwe domein af. Ze zwom eens door een poeltje en enkele kreken, maar die waren er zo talrijk, dat ze volkomen van slag raakte. Gelukkig was er voldoende eten; vis en planten groeiden er in overvloed. Maar dat water, daar kon ze maar niet aan wennen. Dat smaakte toch zo viezig zoet, dat kon ze de eerste dagen niet door haar keel krijgen. Na enkele dagen te hebben rondgezworven kwam ze een groot soort vis tegen, het bleek een steur te zijn. Eerst zwommen ze in een weide boog om elkaar heen, maar langzaam werd het cirkeltje kleiner en kleiner. En toen raakten ze  met elkaar aan de klets. De steur kende het hele gebied op zijn duimpje en vertelde er de mooiste en spannendste verhalen over en dat stelde haar enigszins op haar gemak. Het “Flevo-Lacus” noemde hij het. Aelmarre ging toen eerst een tijdlang op verkenning en het duurde jaren voordat ze voldoende kennis van het grote onoverzichtelijk gebied had. Ze kwam toen ook tot een andere conclusie; namelijk dat zij het machtigste wezen was van het gehele Flevo-Lacus. En dat zou ze ook laten merken de komende tijd. Zo koos ze zich een heel mooi bebost eiland tot domicilie en van daaruit opereerde, en dicteerde ze het gehele gebied. Grote scholen vis die volgens haar in verkeerde plassen zwommen verdreef ze naar andere en ook de vervaarlijke waterwolven, die huis hielden op bepaalde eilanden verjoeg ze met een paar grote zwiepers van haar machtige staart. En zo begon “Aelmarre” aan het inrichten van het Flevo-Lacus.

 

 

 

 

 

 

Op een prachtige nazomer dag ontdekte ze een zanderige plaat, die door de zeer lage waterstand droog gevallen was, met daarop een enorme hoeveelheid mossel- en schelpachtige dieren. Deze waren voor haar totaal onbekend. Ze raapte er een paar op en proefde ze heel voorzichtig. Dat is nog eens een delicatesse, heerlijk, zoiets had ze nog nimmer over haar tong gehad. Smikkelen was het de eerste dagen, ze kon er maar niet genoeg van krijgen. Ze at maar door en vooral die kalkachtige omhulsels waren heerlijk knisperig. Evenwel na vele dagen eten kreeg ze krampen en pijn in haar lijf. Wel eten en geen ontlasting dat geeft op den duur problemen. De krampen en de pijnen werden hoe langer hoe heviger, ja ze kreeg het er zelfs benauwd van en voelde zich ellendig. Ze kwam dan ook niet meer van haar eilandje af. Ten einderaad besloot ze om maar eens water te gaan drinken en wel zoveel als ze op kon. Dat gaf een rumoerig geborrel in haar lijf en de druk liep hoger en hoger op. Toen begon ze aan een enorme krachtsinspanning van al haar spieren om met persen de verstopping op te heffen. Uiteindelijk spoot de prop met een enorme straalstroom los. Het hele eilandje trilde en schudde, net een kleine aardbeving. Het omringende water spoot tot grote hoogte op en veroorzaakte achter haar een geweldige diepte in de plas en een eind verderop, toen de onstuimige natuur tot rust was gekomen, had zich midden in het meer, een nieuw eiland gevormd. De samenstelling ervan bestond uit zand vermengd met kalkachtige ontlasting. Toen het na enige tijd was opgedroogd had zich daar een kalkrots gevormd van groot formaat. Dit rotseiland kreeg van haar de naam Erck. (Later Urk genoemd).

 

 

 

 

 

 

 

         Na een aantal eeuwen begonnen vanuit verschillende kleine nederzettingen vissers met hun fuiken de waterrijke visgronden te bevissen. Ook de gebroeders Hanegreve uit Bronnup waren uitgedijd tot beroepsvissers die hun vak uitstekend verstonden. Ze waren in het bezit van grote netten. Ze gingen dan ook steeds verder de Flevo-Lacus op. s’Morgens heel vroeg voeren ze met hun boten de haven uit om na een lange dag s’avonds laat terug te keren. Hun vangsten waren doorgaans heel goed, evenals hun verdiensten. Ze besloten dan ook om een grotere boot te laten bouwen op de werf van Klompjanszzeiltje en ze bestelden ook nog even een kuilnet, dat was voor die tijd een bezit om andere vissers de ogen uit te steken. Toen de investeringen in gebruik werden genomen waren ze dan ook koningsvissers. Ze verlegden hun viswater steeds verder om zo gebieden te bevissen die voor andere vissers onbereikbaar waren. Al gauw werd de nieuw ontstane situatie aan de praktijk getoetst en men besloot om een andere dagindeling te maken. De ene dag uitvaren en de netten uitzetten en de volgende dag terug om de vangst binnen te halen. Zo bleven de netten een nacht overstaan. Dit had ook weer tot gevolg dat ze andere soorten vissen vingen, vis die alleen s’nachts zwom en die erg gewild was bij de handel en een heel goede prijs opbracht. En ze lieten de andere vissers ook stiekem voelen dat zij “de echte” vissers waren..

 

 

 

         “Aelmarre’s” gewoonte was dat ze alleen s’nachts haar eten bij elkaar verzamelde. Zo gebeurde het een keer dat ze zich in haar tijd vergist had en veel te laat aan de maaltijd tocht begon. Haar snelste manier om zich te verplaatsen was: “Lucht happen, onderduiken en zwemmen net zo lang tot ze ademnoot kreeg en dan weer even boven het wateroppervlak uit voor een nieuwe hap zuurstof. Bij de zoveelste diepe duik zwom ze precies in het vangnet van de gebroeders Hanegreve. “ Wat is dit hier nou?” Jaren leg ik dit parcours af zonder de minste hindernissen of problemen en nu ineens de weg versperd? Welke visser zou mij dat geflikt hebben? Ze draaide zich om en wilde terug keren maar helaas ze zat totaal verward in het net. Wat ze ook probeerde het lukte haar niet om er uit te ontsnappen. De staartharen gingen steeds meer overeind staan en haar humeur zakte ver beneden het waterpeil. “Diegenen die me dit geflikt hebben die zullen dat gewaar worden”!. Haar innerlijke levensvocht kookte over. Maar Aelmarre raakte steeds meer verward in de netten en met inspanning van al haar krachten kon ze zo nu en dan nog net het hoofd even boven water krijgen om te ademen.

 

 

 

         Nog voor het krieken van de dag voeren de gebroeders Hanegreve met hun helpers uit voor het binnen halen van hun netten. Ter plekke aangekomen stroopten ze hun mouwen op en begonnen met vereende krachten het net lichten. “Wat er nou aan de hand is weet ik niet”, bromde de grote Hanegreve. Het net is bijna niet te tillen. “Allemaal vis en nog eens vis” voorspelde de kleine Hane. Toen ze na veel getrek en gezwoeg het net half in de boot hadden verscheen het hoofd van Aelmarre boven het water. Verlamd van schrik lieten ze allemaal tegelijk het net los.  “Dat...dat....i..s.....he..’t....”Groene Wijf”, stotterde èèn van hen. Lijkbleek  keken ze elkaar aan. Dat brengt wis en zeker veel ongeluk en narigheid over ons. Dat hadden ze van vissers uit andere nederzettingen  wel eens gehoord. Niemand van hen durfde een vin te verroeren. Versuft zaten ze op de bankjes van hun boot te trillen. “Weg ons nieuwe dure net.........!, weg onze kostbare boten....!” In doodsangst bleven ze maar roerloos voor zich uit staren......... Toen hoorden ze een heel zwak en smekend stemmetje uit de diepte. “Haal me alstublieft naar boven, ik doe jullie helemaal geen kwaad. Dat is allemaal roddel en kwaad sprekerij van afgunstige vissers. Als jullie mij hieruit halen, dan zal ik als beloning voor jullie alle vis naar èèn bepaalde plek dirigeren en dan heb je ze zo voor het opscheppen”. Na lang treuzelen stond Grote Hanegreve op en zei: “Laten we het maar doen, haar stem klinkt heel geloofwaardig. En zonder vis thuis komen, dat kunnen we voor onze collega-vissers ook niet maken. Dan worden we ook met hoon gelach begroet”. Toen sprong iedereen op en met vereende krachten werd de kuil gelicht en Aelmarre uit de mazen bevrijd. “Jullie allemaal heel erg bedankt en zet nou alstublieft hier geen net meer neer want ik moet hier dagelijks langs. Zo! en nu zal ik er voor zorgen dat alle hier aanwezige vis voor jullie is”. Ze zwom een stukje bij de boot weg, zwaaide een keer met haar staart ten afscheid en nadat ze heel diep had geïnhaleerd verdween ze onder water. Ze dook echter kaarsrecht naar de bodem pakte met beide handen een oude boomwortel stevig vast en begon met haar recht opstaande staart kurketrekkende bewegingen te maken. Ze draaide met al haar krachten die ze ontwikkelen kon. Eerst ontstond er een draaikolk en vervolgens een dwarrelhoos( windhoos) met een gigantisch grote slurf. Water, modder, bagger en vis, alles werd opgezogen en verdween in een inktzwarte wolk die zich boven hen ontwikkelde tot een enorme bui. Planten slierten, ja zelfs het net werd opgezogen. Het werd als maar duisterder en duisterder, Hevige bliksemschichten  schoten door de kolkende wolkenmassa. Ja het hemelvuur zette hun vissershuiten in een vurige gloed rondom de mast en het tuig, het helmsvuur toverde een spookachtig verschijnsel in hun ogen. Zelfs hun trotse vlag leek wel te branden zonder dat hij evenwel verteerde. Langzaam kwam de grote waterhoos in hun richting drijven en enkele momenten later fladderden de schepelingen als aangeschoten  ganzen door het luchtruim, ja zelfs hun boten werden mee opgezogen in de inktzwarte bui. Toen de waterpoel eindelijk helemaal droog was liet Aelmarre van de doorstane emotie ook nog een behoorlijk windje. Dat briesje zette de bui in een heftige beroering en deze dreef langzaam af. Even ten zuiden van Bronnup ontlaadde de bui zich. Het stortregende daar water en  modder, zodat het hele gebied opgehoogd werd met blubber. Gevolgd door een regen van allerhande soorten vis, zodat de gehele omgeving bezaaid lag met spartelende witvis. Toen kwakten ook de Hanegreve ’s stuk voor stuk naar beneden, gevolgd door hun net en hun boten. Ze spartelden als moddervissen tussen hun soortgenoten. Onherkenbaar door de bagger kropen ze, nadat ze hun versuffing enigszins te boven waren, op hun kont en keken dizzy om zich heen. In een ronde cirkel lagen ze her en der verspreid midden tussen het zilver van de visschubben. Voorzichtig kropen ze naar elkaar toe. Toen zei als eerste de kleine Greve, terwijl hij de modder uit zijn mond spuwde: “De Groene Minne heeft haar woord gehouden, we hebben de vis hier voor het oppakken”. Daar werd wijselijk door niemand op gereageerd, want wie weet wat ze nog meer voor ons in petto heeft. Toen de bui voorbij begon te drijven klaarde de lucht op en haalde men wat rustiger adem. Evenlater braken de eerste gouden zonnestralen door. De grote Hanegreve ging eens staan en keek rondom zich. Een zee van zilverkleurige, in het zonlicht blinkende, spartelende vissen was het enige wat hij zag. Nadat hij zijn ogen nog eens een goede schoonmaakbeurt had gegeven, zag hij contouren van een gehucht “Ik geloof dat ik daar in de verte ons dorpje zie”, zei hij. De anderen keken ook eens en ja wis en zeker, dat is Bronnup en niet eens zo ver weg. Opgelucht haalden ze adem. In ieder geval een strohalm waar ze zich aan vast konden houden. Na uitvoerig overleg besloten ze om alles achter te laten en te proberen of ze de thuishaven over land konden bereiken. Nadat ze een stevige wilgen-stok van een struik hadden gebroken begonnen ze aan hun hachelijke onderneming. De voorste prikte met de stok of de bodem stevig genoeg was om er over te lopen en of de watergeulen te doorwaden waren. Via zandruggen en waterkreken bereikten ze uiteindelijk na een barre tocht de vis-haven. Daar stonden al veel vissers en familie op de schipbreukelingen te wachten. Nadat ze hun belevenissen met kleur en verve hadden verteld, kwamen de commentaren los. Iemand zei: “Ik had jullie toch al eens gewaarschuwd” en anderen gniffelden van de binnenpret over de hooghartigheid van de Hanegreve’s. Volksverhalen en belevenissen tierden welig in die tijd en iedereen wilde het naadje van de kous weten. Uiteidelijk verdween de oploop en droop elk weer af naar zijn onderkomen.

 

 

 

         Na een periode van sterk drogend weer met veel zon en een abnormale lage waterstand werd er een plan gemaakt om het visnet en de boten te bergen. Het moeras ten zuiden van Bronnep vertoonde èèn grote droge, gebarsten modderachtige vlakte, met hier en daar een ontluikend plantje. De zand plateau’s en ruggen waren droog gevallen en ook de verschillende rivierarmpjes waren nu duidelijk te onderkennen. Alle bewoners die destijds beschikbaar waren gingen mee en het lukte hun na veel inspanning de boten in een watergeul te krijgen en ook het net werd geborgen. En zo kwamen ze uiteindelijk weer thuis. Dit waren de eerste mensen die hun voet op de bodem van het huidige Campervenne hadden gezet en getuige waren van de allereerste afzettingen van modder, bagger en veen, wat later zou leiden tot het gebied wat thans Campervenne wordt genoemd.

 

 

 

 

 

 

         Aelmarre hield er een dictatoriale status op na. Ze bestuurde met een vrouwelijk hand het gehele meren gebied. Ze regeerde met zwiepende staart en dirigeerde een ieder haar persoonlijke wil op. Elke bewoner, zowel landdier, reptiel of vis, had bijzonder veel ontzag voor haar alles overheersende achterhand. Dit bracht wel met zich mee dat ze zich nogal eens heel erg eenzaam voelde. Iedereen meed zoveel mogelijk contact met haar. Sociaal leefde ze buiten de gehele samenleving van het grote meren gebied. En daar had ze wel eens moeite mee. Maar haar karakter liet enige toenadering in het geheel niet toe. Toch verlangde ze weleens  naar wat meer contact met de andere bewoners, maar was anderzijds bang dat haar leidende positie en daardoor haar gezicht verloren zou gaan. Verveling beheerste dikwijls haar leven en dat kon wel eens enige depressiviteit bij haar opwekken.

 

 

 

         Zo besloot ze op een keer toch maar eens een andere bewoner te benaderen en te proberen die voor haar te winnen. Maar bij nadering zochten de bewoners van de lacus anoniem en rap hun schuilplaats op. Want een oplawaai van haar staart daar had het niemand op begrepen. Op een zonnige middag zwom ze naar de schuilplaats van Walle de Narwal. Een nogal jong en levenslustig dier. En kanjer van een vis. Die had een geheim verborgen plaatsje ergens diep onder overhangende takken van een dicht begroeide struik helemaal achter in een waterbekken van een rustig stroompje. Ze wist wel zo’n beetje wanneer hij zijn dagelijkse rondje zwom. Tijdens zijn afwezigheid besloot zij om vlak daarbij eens lekker te gaan luieren. Even voor dat de zon onderging kwam Walle ‘thuis’. Die had nergens erg in en vleide zich lang uitgestrekt en zeer genoegelijk en tevreden op de verharde bodem. “Hee....’Walle’!, woon jij hier”? Klonk het opeens. “Dat wist ik helemaal niet, wat een leuke plek, zeg. Hoe heb je die gevonden? En wat een rust, door niemand wordt je hier gestoord, alleen door mij maar dat vind je toch niet erg, wel”? En zo praatte ze maar door. Walle kreeg geen enkele kans om er een woord tussen te voegen, maar lag wel bibberend op de bodem met als gevolg dat opdwarrelende zandwolkjes haar gedeeltelijk aan het oog onttrokken. Uiteindelijk kwam er over zijn tong een pieperig stemmetje: “ Nee, hoor! Ik vindt een bezoekje ook wel eens leuk. Een beetje variatie in het dagelijks bestaan geeft inspiratie voor een nieuwe dag”. “Heb je er bezwaar tegen dat ik zo nu en dan eens een enkel keertje langs kom”? Vroeg Aelmarre. “Nee hoor, dat vind ik zelfs wel aardig van je”. Want, zo dacht deze, een beetje goede maatjes met de zeemeermin, dat kan ook eigenlijk geen kwaad. Maar het duurde niet zo erg lang of Aelmarre kwam steeds vaker en er werden zelfs al kleine afspraakjes voor uitstapjes gemaakt. Toen zei Aelmarre op een keer: “Ik heb wel eens trek om een grote zwemtocht te maken, bijvoorbeeld de rivier de Ysala op en dan tegenstrooms”.

 

 

 

Na een gedegen voorbereiding vertrok op een morgen het tweetal richting monding ‘de Ysala’( IJssel). Ze moesten wel even zoeken want de Ysala had meerder kleine uitmondingen in het stroom gebied van haar delta. “Hier moet het zijn” zei Walle, want er staat een sterke stroom en daar moeten we tegenop. En zo zwommen  ze gezamenlijk een hele morgen stroom opwaarts tot ze er moe van werden. Ergens op een zanderige oever aan de binnen bocht, waar vrijwel geen stroom stond, besloten ze om een rustje te nemen. (Dat moet ongeveer in de buurt geweest zijn van het latere Sallicke.) Toen realiseerde Aelmarre zich dat Walle een vis was en dat ze niet op het droge zand kon leven. Hoe los ik dat probleem nou op, want samen naast elkaar uitrusten in het zonnetje op een warm zandje dat had toch wel haar voorkeur. Na heel veel afgekeurde voorstellen werd plotseling het ei uitgevonden. Aelmarre ging op de rand van het strand liggen met een stukje van haar staart in en onder water, terwijl Walle zijn achterwerk op het strand vleide en zo zijn hoofd onder water kon houden. Dat was een ludieke oplossing en ze rolden dan ook steeds korter op elkaar aan. Op het laatst lagen ze lekker tegen elkaar van de rust te genieten. Aelmarre begon toen eens heel voorzichtig met haar handje het achterlijf van Walle te strelen, maar deze was daar in het geheel niet van gediend. Ze had immers al een tijdje een scharreltje met een schone Narwal en dan paste vreemd gaan helemaal niet. Maar dat durfde ze niet te vertellen. Dus speelde ze het spelletje maar een beetje mee, in de hoop dat zijn vlammetje dat niet te weten zou komen.

 

 

 

         Onder een grote bremstruik op enige afstand bevond zich een nieuwsgierige rivierkrab die het zonnige tafereeltje gadesloeg. Hij genoot er kennelijk heel erg van. Na een korte periode kon hij zijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen en ging hij, gedeeltelijk door, over en onder het zand, er voorzichtig zijdelings op af. Zulke rare badgasten had hij hier nog nooit ontmoet. Maar die ene, die spekrug, dat leek hem wel een smakelijk hapje. Aangekomen rook hij eens aan het vissenlijf en de geur beviel hem goed. Toen knipte hij met zijn twee messcherpe scharen zomaar een stuk vlees uit ‘Walle’s’ rug. Deze wist niet wat hem overkwam. De pijn sneed hem de ademhaling af. “ Lelijke Marre”, schoot het door zijn brein, valse smeerpoets, dacht ik het al niet, je bent zo onbetrouwbaar als een vriendelijke vos. Zijn reactie was een heftige reflex. Met een enorme zwieper van zijn staart gaf ze Aelmarre een keiharde lel in het gezicht. Deze wist ook al niet wat haar overkwam en kronkelde versuft enige malen over het warme zand. Walle wist wel wat ze moest doen. Weg wezen en wel zo snel mogelijk. Ze schoot als een snoek het water in en zwom op topsnelheid stroomafwaarts, zonder om te zien wat er achter hem gebeurde. Het eerste het beste zijarmpje van de Ysala zwom ze in en via allerlei stroompjes, kreekjes en plasjes zocht ze zo snel mogelijk het meren gebied van Aelmarre op en dan zo rap mogelijk naar zijn vriendinnetje om zich daar te verbergen. Aelmarre zat enige tijd versuft op het strandje. Haar rechteroog zwol op en verdween achter een zwarte  puist. En haar gezicht veranderde in dat van een piraten generaal. Langzamerhand kwam ze weer bij haar positieven. Ze keek eens rondom zich heen. “Waar is Walle”? vroeg ze zich af, die is hem natuurlijk zo snel mogelijk gesmeerd. Maar betaald zetten dat zal ik hem. Ik ga hem zoeken en wel direct. Ze liet zich te water en zwom met het linkeroog schuin vooruit, ook stroomafwaarts. Toen ze voorbij de zijarm van de Ysala zwom ontdekte ze daar veel troebel en roerig modder water. Ze keerde zich om en zag dat alles vers ontstaan was. Hier moet ze zich ergens verbergen, was haar conclusie. Ze zwom de rivierarm op maar ontdekte alleen maar sporen en nog eens sporen die als maar verder gingen.. Inmiddels was haar humeur er niet beter op geworden en het sloeg geleidelijk om in, op zijn zachts gezegd, verborgen kwaadheid. Ze wrong zich met steeds grotere krachten door de smalle stroompjes en de geweldige waterstuwing overspoelde de wallen en veroorzaakte dikwijls ware modderfontijnen. Ze was niet meer te temmen en haar passage  liet een enorme structuur veranderingen aan het landschap na. Toen ze uiteindelijk haar meren gebied bereikte zwom ze gelijk naar Walle’s territorium, maar die was daar niet. Nadat ze een tijdje op hem gewacht had en Walle niet kwam opdagen droop ze af en ging gedesillusioneerd naar haar eigen eilandje.

 

 

 

         De terugtocht van Walle en Aelmarre  verliep voor zover als is na tegaan ongeveer waar tegenwoordig de Koeluchter Hang begint via het Onderdijks naar de oude IJssel en vervolgens door de Enk en de Reeve naar het meer Flevo Lacus. Dit meer verloor steeds meer haar officiële naam. Het werd door vissers in hun onderlinge gesprekken steeds meer het meer van Aelmarre, of ‘Almarie’, genoemd. Het latere ‘Almere’. En zo ontstond er ten zuiden van Campen een aftakking van de Ysala en vormde daar diverse water en land structuren die weer met de ontwikkeling van Campervenne te maken hadden.

 

 

 

 

 

 

         Eeuwen oude volksverhalen van Urker visser vertellen over deze gebeurtenissen. En wanneer de lucht betrok en er veel wind te verwachten was zongen ze menigmaal onderstaand lied op hun visschuitje.

 

 

 

 

 

 

“”Wanneer de meeremin

 

 

 

Haar zoete stem doet horen,

 

 

 

Dan neemt de schipper in

 

 

 

Zijn zeiltje van te voren".

 

 

 

 

 

 

 

 

 

         De drie meerminnen die indertijd het spelletje gespeeld hadden met de walrussen waren inmiddels ingedeeld bij de groep “bejaarden”. Wel hadden ze onderling nog heel veel contact. En zoals dat dikwijls gaat op hoge leeftijd, worden vroegere avonturen weer met veel verve boven water gehaald. Zo werden ook de belevenissen met de walrussen door hen breed uitgemeten. Toen zei de moeder van Aelmarre: “Ik zou haar nog wel eens graag eenmaal terug willen zien om te kijken hoe het met haar gegaan en wat er van haar geworden is”. Het werd het gesprek van de dag en uiteindelijk werden enkele oude dolfijnen, die destijds mee waren geweest, geraadpleegd. Die wisten het zich nog te herinneren als de dag van gisteren en ook de plaats waar ze haar achter gelaten hadden. Uiteindelijk werd hun verteld wat ze van plan waren en of ze daaraan mee wilden werken. Enthousiast waren die evenwel niet, maar stemden er tenslotte toch mee in. Ze waarschuwden evenwel voor mogelijk heel veel tumult. De meerminnen sloegen die waarschuwing geheel in de wind en zagen hun grootste wens al in vervulling gaan. Op een rustige herfstdag zwommen de drie meerminnen de waterpoort uit omringt door een legertje dolfijnen. Na een bar lange tocht over de Nortliche See arriveerden ze op de plek waar destijds Aelmarre was gedumpt. Ze ontdekten daar een riviermonding tussen de Zandheuvels en besloten er stroomopwaarts te gaan. De dolfijnen moesten de kar trekken en voorop zwemmen. Maar dat viel het illustere gezelschap bar tegen. Ze raakten verzeild tussen oneindig veel plassen, kreken, meren en eilandjes. Zoeken leek een onmogelijke taak. Zelfs de dolfijnen die een kei waren in het opvangen en lokaliseren van signalen raakten totaal in de war. Uiteindelijk kwamen ze een monsterachtig dier tegen en ze besloten die om informatie te vragen. Maar die weigerde pertinent, want als Aelmarre gewaar word dat hij de plaats van haar huiseiland aan anderen had verklapt, waren zijn levensdagen geteld. Want hij was een oude vlam van de meermin en dat was toendertijd op een fiasco uitgelopen. Maar de dolfijnen hielden niet op, ze zagen geen andere oplossing. Toen werd het oude dier in een grote kring van dolfijnen ingesloten en zwaar onder druk gezet. Het kringetje werd steeds kleiner gemaakt, zodat deze geen kant meer op kon. Dat was een tactiek die ze wel vaker toepasten. De narwal kreeg het steeds benauwder en èèn van de dolfijnen zette zijn snuit al eens onder het lichaam en wierp hem een eindje omhoog boven het wateroppervlak uit. Ja er dreigde zelf levensgevaar voor het oude dier en uiteindelijk bezweek hij onder de aanhoudende druk. Toen zei hij: Goed, ik zal jullie de weg wijzen onder die voorwaarde dat ik meer dan voldoende tijd heb om mijn eigen veilige schuilplaats te bereiken. Dat werd op een akkoordje gegooid. Toen zwom hij voor hen uit naar het Aelmarre eiland. Op een redelijke afstand stopte hij en wees hun de plaats. Daarna vertrok hij razend snel, want Aelmarre kennende, vertelde zijn instinct hem dat dit wel eens niet al te prettig zou kunnen aflopen. De indringers hielden een diepgaande bespreking hoe ze dit zouden aanpakken en ze besloten toen dat de dolfijnen op een behoorlijke afstand zouden wachten. De twee overige meerminnen zouden zich schuilhouden achter het eilandje en moeder-min zou haar benaderen. De posities werden ingenomen en moeder kroop heel voorzichtig het Aelmarre-eilandje op.  Na wat rondneuzen ontdekte ze Aelmarre. “Machtig wat een fors figuur, wat een joekel van een meermin”, daar schrok ze wel even van. Toen besloot ze toch maar om contact te zoeken. Ze verborg zich zogenaamd achter een struik en riep voorzichtig: “Aelmarre, ben jij hier ergens?” Aelmarre, die in diepe rust verzonken was, schrok wakker en richtte zich op. “Hoorde ik daar niet mijn naam roepen?” of vergis ik mij hierin. Even later weer dezelfde stem. “Ja, hier ben ik, wie is daar?” zei ze. “Hier is je moeder, die is op zoek naar haar kind”. Even later zaten ze tegenover elkaar, maar de conversatie verliep stroef. Aelmarre was nog lang niet vergeten hoe ze uit haar familiekring werd gezet. “Hoe heb je mij hier eigenlijk gevonden?” vroeg ze. “Met behulp van mijn lijfwacht” zei de meerminmoeder. “Met behulp van de.......dolfijnen, die gemene bandieten, die barbaren die mij die poets hebben gebakken. Daar heb ik nog iets mee af te rekenen”. Haar hart ging bijna stilstaan, haar ogen spoten vuur, ja zelfs het donzige haar van haar onderlichaam werd stekelig. Toen ook nog de zweetdruppeltjes op haar voorhoofd verschenen werd het de oude meermin duidelijk dat ze maar beter kon vertrekken. “Waar zijn die lijfwachten van jou ergens”? vroeg ze, terwijl ze zich zo hoog mogelijk oprichtte en om zich heen keek. Het antwoord wachtte ze niet eens af want ze had ze al ontdekt. Als een briesende leeuw stortte ze zich in het water richting de lijfwacht. Eèn van de dolfijnen die wachtdienst had, had de ontstane situatie snel door en riep: “Vluchten, daar komt Aelmarre”! Ze groepeerden zich zo snel als ze konden en vluchten richting Nortliche-See. Maar Aelmarre’s oude spieren bundelden zich nog eenmaal. Langzaam maar zeker haalde ze de dolfijnen in. “Er aan, dat gaan jullie, allemaal”, schreeuwde ze luit. Door de enorme krachten die vrij kwamen tijdens de achtervolging ontstonden er huizenhoge golven die de hoogste eilanden overspoelden. Alles was in paniek. In de buurt van de duinen was ze de lijfwachten tot op een haar na genaderd. Die stoven toen plotseling allemaal een kant op en “vlogen” dwars door de duinzanden van de kust om zo snel mogelijk de open zee te bereiken. Eenmaal buitengaats waren zij veilig, althans dat dachten ze. Maar Aemarre dacht daar evenwel anders over. Een enorme vloedgolf voor zich uit duwend, die de kleine zwemopeningen van de dolfijnen uitspoelden tot grote stroomgaten, zwom ook zij de zee op. De dolfijnen gingen direct rechtsaf richting hun eigen thuishaven.

 

 

 

         Maar waar de familie niet op gerekend had waren de Vikingen. Eèn van hen was hun stiekem gevolgd tijdens de heenreis en had dat doorgegeven aan zijn collega’s. Een grote macht van Vikingen wachtte het arme gezelschap op, want er viel nog iets af te rekenen. Ze zwommen regelrecht in een hinderlaag. Weldra ontstond er een in omvang teonemende zeeslag waar ook Aelmarre tussen verzeild raakte. Ook haar moeder met haar vriendinnen konden er niet aan ontkomen. Daar heeft zich toen een strijd afgespeeld die geschiedenis heeft geschreven door haar gevolgen. Er ontwikkelde zich een Noordwesterstorm van orkaan kracht en die beukte de kusten van de aanliggende landen. Het hoog opgezweepte water spoelde met grote kracht door de zojuist ontstane duindoorbraken en hele stukken zeeweringen spoelden weg.  Het was de aanzet voor het ontstaan van de waddeneilanden. En zo ontstonden er meerder  open verbinding met het er achter gelegen merengebied. Het brakke water van de grote zee drong het hele gebied binnen en ook de getijden werking van eb en vloed, met al zijn stromingen had onvoorstelbare gevolgen. Het meer van Aelmarre veranderde heel geleidelijk en de geboorte van de Suderzee was begonnen.

 

 

 

Hoe de zeeslag is afgelopen is nimmer ontrafeld en van Aelmarre is helaas ook nooit meer iets vernomen. Aldus deze legende van stokoude vissers die menigmaal aan de kade’s van haventjes is verteld.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   Aelmarre.

 

 

 

 

Dialect.

 

 

 

 

 

 

Wi´j as hedendaagse bewoners van et legeland van Campervenne, met zien ingebörgerde eigenhoordigheed'n en typiese poldervörm'n kunn'n oons hiervan niet de minste veustelling vörm'n, ma an de andere kante kunnn wij der ok niet helemaole umhene.

 

 

 

 

 

 

Denemärk'n was in die tied, eev'n as trouwens nou nog, een land inet veule meern, plass'n, legunus en moerassen. Doortuss'n in laag'n allelei rosts'n en stienn, vast land en hoge en lege eilandties. In iene van die zee-narms, die diepe in et land leup, daor leev'n in die tied een terugge etrökk'n petricise femilie met een wel heel eigenaordig soort ienkennigheid. Een dynestie met een mengelmoes van kold en warm bloed die anders närg'ns op de weeld veukwam'n en ok nog raszuver en onbedörven in zien soort was. Helaas bint ze nou uut estörv'n net zo as al die veur-werldleke beesten. In die leev-gemeenschap bestund'n ärg strenge nörmn en zedelijke gewoont'n en an det protocol mocht niet etörnd wörn. Uutspatting's waar'n uut de boze en wurn estraft met niet malse eig'ntiedse foltering'n. Die kon'n baerbaarse vorm`n annemen. De umwoon'nde lui nuumd'n dit et machtige waterriek van de zeenimphen. Hun troonopvolgster was altied een "zeemereminne'. Zo'n weez'n had een vestand en slimmegheid in zien kop det toor'n hoge uutstak boven alle andere levende have. Zie waar'n veule maolen leper dan de best ontwikkelde landbewoner en ok bezaat'n ze en kracht die alle vestandelifte weez'ns värre boven eur theewater gung. Eur liev was boov'n eur middel as det van un skone jonkvrouwe met ärg lank blond en golvend hoor en de onderkante was as et achtereinde van een enorm grote vis met schubb'n en vinnen. An et heufd stund de minnekoninginne. Zie wörn bewaakt en beschärmd deur een abnormaal grote liefwacht bestaonde uut een armada van dolfienen. Die add'n ze niet zoma ekeuz'n, nee eur, det waar'n op eur lepegheid uutgezöchte zeebewoners In hun eig'n leefgebied hadden de zeeminnen een beheurlijke vrijheid al göld'n er an de andere kante zwaore beparking'n. Ma alle waterweggies buten eur domein wurn hermetisch of esleut'n deur postende dolfienen In de härfst en winter gung er wel ies een grupien van de minnenfemilie, begeleid deur hun kiefwacht, een trektöchien maak´n. Zo'n uutstappien gung meestal nao de uutgestrekte waters van de OceanusGermanicus (Noordzee). Een enkele keer gebeur'n et det ze een stellegien Noorse Vikingen teeg'n ut lief zwömm'n. Ze konden niet al te best met mekäre opschiet'n. Daor zat een boel old zeer van vrogger, een onoplösbare bitter pruuv'nde vete. Disse lui beweerd'n namelek det zie anspraoke hadden ekreegn, zoas ze zelf zeeg'n uut een ärfenisse van de zeegod Oceanos, umme de baas te speul'n over de wind en et water van et Germanicus. Det betwist'n de minnen bi´j oge en bij lege. Hun zeegoddinne Ranay had un det heel lange eleed'n allemaole beloofd. Haat en nied stund golvenhoge tussen hun in. Zo'n confrontatie in lös water leiden haoste altied tot ärg veule tumult, Beid'n woll'n ze dan laot'n zien wat ze allemaole wel in hun mars hadden. De iene keer bleuz'n de Vikingen de wind an tot orkanische kracht en een andermaol vetoond'n de minnen hun keunst'n met det water. Woll'n de element'n, zoas wind en water niet luuster'n nao iene van disse soort'n dan wurn ze veschrikkelijk helleg en ontstak'n ze in briesende woede. De gevolg'n leut'n niet lange op eur wacht'n. Huuz'n hoge vloedgolv'n en zwaore störms had det tot gevolg. De meeste viskes uut die tied konn'n deurover machtege verhaal'n vetell'n. Die prebeerden dan ok altied beide peteien te vrinde te holl'n.

 

 

 

 

 

 

Zoas bij vrijwel alle liefwacht'n wel veurkump waar'n ur ok onder die dolfienen een paar die veur een schappelijk kedochien een butenstaonder wel een goed diensien woll'n bewiez'n. Drie jonge, zo goed as volwassen walruskeels hadd'n er best wat veurover umme ies kennes te kun'n maak'n met een paar lieftallige jonge zeemereminnen. Zie kreeg'n een olde dolfien, een spaoder van alles wat van ivoor was, zovärre det ie wel een vinnegien wol licht'n veur een puntgave walrus-slagtand. Die had ie nog niet bij zien zeldzame vezamelinge. Hij vetell'n, op een geheim plasien, an de walrussen de plekke waor as de meerminnigies s'zomes altied laag'n te zunn'n en hoe ze daor kond'n koom'n. Op een ieselige mooie zunnege zomerdag gung'n de drie walrussen nao de geheime kreke en deuk'n onder de rotswand deur, de olde dolflene keek effenties nao een overvliegnde Jan van Gent, en toen zwömm'n ze naor de an eweez'n plekke. Daor gung'n ze alle drie lekker languut op een plattoo van stien ligg'n. Tegen de middag, toen de zunne heel hoge an de lucht stund, heur'n zie in de varte gechiegel. De achterste beurn zien köppien iets op en keek over de rugge van de andere twee ene. Ja eur, daor koom'n enkele skone princessies anzwemm'n, fluuster'n ie de anderen in et ore. Zie zwöm'n rechtstreeks naor hun stekkien en vleien heur heel charmant in de zunne. lene van heur stoot'n de andere teeg'n eur onderlief an en knikk'n in de richting van de Walrussen. Ze lonksten allemaole een bietten ongemerkt die kante op en fluusterd'n mekare in et ore: "Det bint Walrusjonges". Hoe koom'n die hier eigenlijk?" "Det mag in de vaste värte niet". "0 wai mien, as de dolfiennen ze zien". Dan wurn ze metiene in de lörv'n epakt en de straffe die ze kriegn is minder mals as een jonge herik. Ma op hun terassien, lekker in et zunnegien, waor ze hele middaag'n deurbrachten, was nooit enege ofwisseling of vetier. Helal niks te beleevn en nou laag'n daor zo ma drie schitterende jonge russ'n met spiegelende ivoor'n tand'n en prachtige lange goldkleurige snörhaoren en een kestanje brune, glanzend vel. lene van hun zei: "lk wol best ies met mien wange langes die snörrehaor'n van zo'n rus streel'n, det liekt mien een bij´zunder lekker prikkelend gevuul. En ok de anderen waar'n wel te porren veur een geintien.

 

 

 

Iene van de russen had een sierlijk schelpien op zien veurvinne elegd en gooi'n die met een slingerende zwaai'je midden tussen de min'n Die schrukk'n heur een schubbegien, ma eff n later drung et tot hun deur det et de bedoeling was as een kontakt seintien. Et duur'n dan ok niet lange of et schelpien zeil'n terugge. Toen de russen venaam'n det alles gesmeerd leup told'n ze richting de minn'n. Het wurn doll'n eblaozen en det wurn weer opevolgd deur rolleboll'n. Disse stoeipetijgies gung'n over in gezamelijke bezukies an romantische spleet'n, plass'n en andere geheimzinnege plekkies van ut leuke speulwater. De middag was rap veurbij en nao een onvegetelijk ofscheid gung iederene weer nao zien eig'n huselijke gebied.

 

 

 

 

 

 

Nao een lange tied van rust wurn er tot grote vebazing van iederene, een jong meerminnegien eboorn. Det was een reed'n umme een uutbundig fesien te vier'n want de leste tied kwam'n der ma weinig op de weer'ld. Zie hadd'n heur al wel ies zörg'n emaakt over et uutstärv'n van heur geslacht. Et jonge telgien kreeg de machtig mooie name van Aelmärre. Zie gru-ien as kool en et bleek een fors uut de kloet'n ewass'n jonk. Teeg'n de tied det ze halfwass'n was begunnn ze in et imperium achterbaks te roddel'n. Et leek wel det ze un afwieking had. De mirakele lol van et eerste uur sleug umme in twiefelende argwaan. Zie had allange de leeftied det er schubbegies op heur staart mossen veschien'n. Slimmeriks vunden daor echter een zachte behaoring. Nao een korte tied wurn et ze dudelijk; de onderkante van heur lief was die van een juust walrus!. Metiene kreeg ze op eur achterwark een stempel edrukt. "Disse

 

 

 

minne is een onechte". Det wurn deur de staotrechtelijke raodgevers niet eneum'n. En dus wurn er een plan esmeed um heur op een fesoenlijke meniere uut de monerchie te looz'n. Toen ze groot ewurn was en in staot bleek veur heurzelf te zörg'n wurn hun plann'n uut evoerd. Op een zunnege zomerdag met een licht-briesien uut et Noorden wurn ze op de rugge van een brede dolfien ezet en onder begeleiding van een grote groep dolfienen zwömm'n ze et vörstinnendom uut. Uur nao uur zwömm'n ze zo ad as ze konnen naor et westen, totdet ze bij een groot zandstrand ankwaam´n met machtig hoge zandbult'n op de achtergrond. Aelmärre vund det uutstappien een leuk töchien. Zovarre was ze nog nooit van huus ewest.

 

 

 

De anvoerder van de scholle fluister'n teeg'n zien maot'n: " dit liekt mien een geschikt plekkien veur heur" en toen veul et besluut umme heur daor op et strand te dump'n. "Aelmarre", zo preuten ze tegen heur. " Hier achter die hoge zandbult'n mutt'n bijzunder mooie waterplass'n liggn, zol ie die ies veur oons willen bekiek´n?" "Ie kunt veule handiger teeg'n det zand opkroep'n as wij en dan kuj oons mooi vetell'n hoe et er door uut ziet". "Misschien is et wel geschikt veur enkele van oonze soortgenoten umme door in de toekomst te gaon woon'n'. Zie leut heur effen later van de rugge van heur dolfiene ofglieren

 

 

 

en lag toen op et spiegelende strand. Langzaam kreup ze op heur hand'n en staat tegen et rulle zulverzand van de zogenuurnde dunen op. Eenmaole boov'n zag zie grote uutgestrekte waterplassn waorin veule grote en kleine eilandties lagen allemaole begruuit met hoge boom´n en struuk'n. Et maak'n een machtege diepe en nooit meer tevegeet'n indruk op heur. Zie klum nao een nog hogere toppe umme alles nog beter te kunn'n bekiek'n. Intuss'n waar'n de dolfienen heel rap onder edeukn enzwömm'n zo hard as konden terugge.Toen zie alles bekeek'n had wol ze terugge nao heur dolfienties, ma waor waar'n die now? Ze zag ze närgens meer. Zie zoll'n heur hier toch zo ma niet helemaole alleneg achter laot'n, zo vreug ze eur of Zie keek ies speur'nd over de Oceanus, gung op et uterste puntien van heur

 

 

 

staatvinne staon en zag helemaole in de värte alle dolfienen juust een luchttoemelink maak'n tewijl ze met heur staat'n zwaaid'n asof ze ofscheld naam'n althans, zo leek et heur. " Ma det kan toch niet waor weez'n?" Mistroosteg en helemaole van de kate zakk'n zie, midd'n op zo'n zandkop in mekäre. Vesuft keek ze ies rondumme heur ene. Vedrieteg en zwaor teleur esteld siepeld'n de traon'n uut heur oog'n.Van de andere kante wurn ze ontzettend kwaod over disse laffe daod. Zie sleug zo had met heur staat deur et zand det er een klein zandstörmpien opstak.Uur'n nao schokk´nd snikk'n kwam ze weer wat tot bedaar'n. Zie kreeg toen zachiesan deur det et een ofespreuk'n plannegien ewest mos weezn. Zie besleut toe ma umme in eur lot te schikk'n en daal'n en daal'n, goed umme eur enekiekend, langzaam of nao heur

 

 

 

ni'je waterland. Zie zwöm ies deur poelegies en krekies, nou die waar'n der zoveule, det ze volkoom’n in  de warre raakn, ien geluk had ze, der was eten zat; vis en plant'n gruuid'n er in overvloed. Ma det water, daor kon ze ma niet an wenn'n, det smaak'n toch zo viezeg zute. De eerste daag'n kon ze det ma niet deur heur kele krieg'n. Naodet ze een paar dagen had rond ezwörv'n, zwöm ze teeg'n een kanjer van een vis an. Het bleek een steur te weez'n. De boge die ze eerst umme mekare hene zwömm'n was eerst wied, ma et cirkeltien wurn steeds kleiner en kleiner. Et leste raak'n ze met mekare an de klets. De steur kenn'n et hele gebied op zien duumpien en wus er mooie en spannende verhaal'n over te vetell'n. Det alles stell'n heur enegzins op heur gemak. Hij num'n et ut 'Flevo-Lacus'. Aelmäerre gung de eerste tied

 

 

 

alles is naoder bekiek'n en et duur'n enkele jaor'n veurdet ze alles ies wus van et overzienlijke gebied. Et was eur ok dudelijk ewurn det zie et stärkste weez'n was van et hele Flevo-Lacus. En det zol ze de koom'nde tied ok laot'n mark'n. Zie keus een bijzunder mooi begruuid eilandtien uut tot heur domijn. Door vandaon operer'n en dikteer'n zie alles en iederene. Grote scholl'n vis die volgens eur in vekeerde poel'n zwömm'n vejeug ze nao andere en ok de hele gevaorlijke wilde waterwolv'n die huus heul’n op veschillende veld'n vejeug ze met een paar grote zwiepers van eur machtig stärke staat. En zo begun Aelmärre an de inrichting van het Flevo-Lacus.

 

 

 

Op een zeldzaam mooie naozomerdag vund zie een zanderege plate, die deur de heel lege waterstand dreuge evall'n was. Daorop ondekk'n zie een hoop mossel- en schelpachtige beessies. Die kenn'n ze helemaole niet. Zie pakk'n der ies een paar op en pruuv'n ze heel vezichteg. 'Det is now echt ies iets lekkers, mmmm...., zo-iets had ze nog nooit over heur tonge laoten gaon. Det was de eerste dag´n smikkel'n eblaoz'n, zie kon ur ma niet genog van krieg'n. Zie at ma en zie at ma deur, veural die kalkachtege holle hulsies waar'n knispereg bros. Enkele daag'n nao al det gesnoep kreeg ze last van pienlijke scheuten deur heur lief. Wel snoep'n en niet poepn dan bij wat te wacht'n. Heur ingewand'n kwaam'n hoe langer hoe meer in opstand. Zie kreeg ut steeds benauwder en vuul'n heur lamlendeg. Zie kwam haost niet meer van heur eilandtien of. Teslotte besleut ze umme van det zute water te gaon drinken en zie slörpen zoveule as ze ma op kon naor binnen. Daor kwarn netuurlijk veule trammelant van. Alles in heur boek begun te borrelen en de druk leup op, hoger en hoger. Effen daomao kwaam'n de eerste wee'en in heur boekspier'n gevolgd deur krampachtig pärsen. Kot daorop spuit'n de proppe, een ieselege stärke staolstroom, lös. Alles trill'n en schudd'n, net een kleine aardbevung. Et achterling'de water kolk'n in de heugte en der ontstund een hele diepe kolke. En een stukklen värderop, waor de neture tot ruste was ekoom'n, vurm zich toen zoma een eilandtien. De bodum bestund uut zand vemengd met kalkachtige ontlasting. Nao körte tied toen alles op-edreugd was had zich daor zoma een harde kalkrotse evörmd. Aelmarre nuum'n dit poep eiländtien Erck. (Later Urk)

 

 

 

Nao veule j aor'n begunn'n vanuut veschillende kleine gehuchies viskers met hun foekn de waterrieke visgrond'n te beviss'n. Ok zo de breurs Haenegreve uut Bronnup waar'n zowiet egruuid det ze leev'n konnen van et vissen. Disse lui vestund'n hun beroep uutstek'nd. Zie hadd'n een stuk of wat grote nett'n en gung'n ok als ma varder et Flevo-Lacus op.

 

 

 

s'Murgens as et nog nauweleks schemereg was voer'n zie met hun boot'n al uut en nao een lange dag kwaam'n ze s'aovonds late wee thuus. Deur de regel vöng'n zie goed en ok de vedienst'n waar'n niet onaordeg. Zie besleut'n dan ok umme een grotere praome (boot) te laot'n bouw'n op de wärf van Klumpjanszeiltien. Tegelieke besteld'n ze ok ma een groter koelnette, det was veur die tied een bezit umme andere viskers de oog'n uut te steek'n. Toen ze alle nijeged'n allemaole in gebruuk hadd'n eneum'n hadd'n ze mekare ekroond tot echte koningviskers. Zie velegd'n heur viswater alsmaar värder van huus umme door te viss'n waor as andere viskers niet kond'n koom'n. Ma de wärkerijen maak'n heur dudelijk det et zo niet langer gung, de daagn waar'n te kört. Zo besleut'n ze umme de iene dag uut te vaaen en de nett'n te zett'n ummedan de volgende dag terugge te koom'n en de vangst binnn te haal'n. Zo bleev'n de foek'n iene nacht overstaon. Et gevolg hiervan was det ze naost de gewone vis ok andere vissoort'n vung'n. Zokke nachtviss'n, zoas zie ze nuum'n, waar'n nogal ewild en bracht'n een beste pries op. Stiekem leut'n ze alle andere viskers vuul'n det zie "de echte" viskers waar'n.

 

 

 

Aelmärre's gewoonte was det ze alleneg in de nacht heur kössien opscharrel'n. Zo kon et een keer gebeur'n det ze in edommeld was en veul te late an heur maoltocht begon. De rapste meniere umme op te schiet'n was: lucht happ'n, onderduukn en zolange zwemm'n tot de lucht in heur long'n niks meer deut. Dan de kop effen weer boov'n et wateroppervak uutsteek'n veur een värse hap. Net nao zo'n nije hap lucht en een diepe duuk skeut ze pedoes in et koelnette van de breurs Haennegreve. "Wat overkump mien now?" "Jaorenlank zwem ik deur disse geule zonder enege indernisse of muuilijkheid en nou is disse kreke iniens vespärd". "Welk vissenmannechien zol mien det eflikt ern?" Zie dreeien heur umme en wol terugge gaon, ma zie zat helemaole veward in et nette. Wat ze ok prebeer'n et lukk'n heur niet umme der uut te koom'n. Heur staathoor'n gungen als ma meer rechtop staon en heur humeur zakken värre onder et waterpeil. "Degene die mien die poetse ebakken ef die zull'n det an de weet koom'n". Heur binneste bloedvocht kook'n over. Ma Aelmärre raak'n alma meer vewärd in et nette en met de grootste muuite kon ze heur kop zo now en dan net eff n boov'n water kriegn umme wat lucht te happ'n.

 

 

 

Nog veur et kriek'n van de dag voer'n de breurs Haenegreve met hun manschapp'n uut veur et binnen haal'n van de nett'n. Op de plekke an ekoomn streupt'n zie de mauw'n op en begunn'n met vereende krachten de foeke te licht'n. "Wat as oons nou boov'n de kop hangt daor snap ik niks van" gromm'n de grote Greve, "Et nette is niet te sleep'n". 'Allemaole vis en nog ies vis vis", veuspellen de kleine Haene. Toen ze eindelijk nao de zoveulste körte schoft, met veule gezwoeg et halve nette in de praome hadd'n etrökk'n kwam de kop van Aelmärre boov'n et water uut. Velamd en vestiefd van schrik leut'n ze allemaole tegelieke de foeke lös. "Det ... det .... i..s..et ... t' Grune Wief '. Stamellen der iene van ullie. Liekbleek keek'n ze mekare an. Wis en waorachteg brengt det veule naregheid en ongeluk over oons. Det wussn ze van viskers uut andere plekkies. Gieniene haal'n ut in zien kop umme wat te zegg'n of umme een vinne te vereur'n. Vesuft en totaal uut hun doen zaat'n ze op de relings van de boot te trillen. "Weg oonze nije dure foek'n         !, Na de moane oonze kostbare boot´n …! zo spoken et deur hun kop. In doodsangst bleev'n ze ma reurloos veur heur uut staar'n. Effen daorao heur'n ze een heel zwak en beneep'n stemmechien van onderwater weg. "Haal mien asteblief naor boov'n, ik doe jullie helemaole gien kwaod. Det is allemaole roddelerari'je van ofgeunstige viskers. Ai saam'p mien hier uut haal'n, dan za'k as vegoeding alle vis nao een bepaolde plekke driev´n en daor ei ze dan zo veur et opschepp'n. Nao lange getreuzel en veule ärgwaan stund de grote Haenegreve op en zei: "laot'n wij et toch ma doen, de kleure van heur stemme gef mien wel vetrouw'n". An de andere kante zonder vis thuus koom'n, det kow veur oonze maot'n ok

 

 

 

niet waormaak'n. Dan kow der op reken'n det wij met bär veule hoonlol wurn begroet". Lederiene sprung in de bien'n en met al heur kracht'n wurn et nette binn'n ehaald en eempies later wurn Aelmärre uut de maaz'n lös emaakt. "Oeloe allemaole bedankt, en zet nou asteblief hier gien nette weer neer want ik gao hier alle daag'n langes. Zo, en now zak der veur zörg'n dej alle hier rondzwemmende viss´n zonder foeke kunt vang'n en det die dan veur oeloe bint". Glunder'nd keek'n ze mekäre an en volg’n et grune wief hoe die det gung doen. Die zwörn een stukkien van de boot weg, zwaaien een keer met heur blink'nde staat as ofscheidsgroet, haal'n toen twee keer achter mekäre heel diepe aosum umme daomao onder water te vedwien'n. Zie deuk echter keersrecht naor de bood'm, pakk'n met heur twee hand n een n´olde boomwörtel vaste en met heur rechtop staonde staat begun zie körketrekkende beweging'n te maak'n. Zie deut det met alles wat ze nog over had en det was gien klein bietien. Eerst ontstund er een simpel dreikolkien en eff n daornao een dwarrelhoze (windhoos) met een uutzunderleke grote en lange slörf. Water, modder, bagger en vis, alles wurn opezeug'n en vedween in een roetzwarte wolke die boov'n eur kop begun te gruien en uutdije'n tot een machtege bui-e. Allerhande planten slierten, ja, zelfs et nette fladder'n de lucht in. Et wurn als ma duusterder en donkerder. Et duur'n niet zo gek lange of weerlichtflitsen scheut'n links en rechts deur de kook'nde en kolk'nde massa. De brand'nde wolk'n zett'n hun viskersschute in een vurege gloed. En rondumme de mast en et tuug, toov'ren et helmsvuur een spookachteg veschiensel in hun ogen. Ja, zelfs heur trotse vlagge leek wel te vlamm'n zonder det e veteerd wurn. Tärgend langzaam trök de enorme waterhose heur kante op en toen .... Eempies later kreeg disse vat opheur en fladder'n de schepeling'n as angescheut'n ganz'n deur et zwärk, ja zelfs hun boot vedween in die roetzwarte lucht. Uuteindelijk toen de poele helemaole dreuge was leut Aelmärre van de deurstaone angst en inspanning nog een knap windtien. Det briesien zett'n de bujje nog meer op zien kop en met die reuregheid dreef ze langzaam of. Effen an de Zuud kante van Bronnup ontlaadn zie heur veurraod. Et störtregende door water en modder, zo hefteg dat alles bedekt en opeheugd wurn met blubber. Det wurn op evolgd deur een reeg'n van allerhande soorten vis, de hele umtrek lag bezeid met spartelende witvis. Toen kwakt'n ok de Haenegreve's achter mekare naor beneed'n, evolgd deur heur boot. Zie sparteld'n as modderviss'n tuss'n hun soortgenoot'n. Niet te herkenn'n deur de bagger, kreup'n ze, naodet ze wat van de schrik bekoom'n waar'n, op hun konte en keek'n dizzy umme heur hene. In een ronde kringe laag'n ze overal vespreid midd'n tuss'n et zulver van de visschubb'n. Heel veuzichteg kreup'n ze nao mekare toe.De kleine Greve deut as eerste zien mond lös en tewijl le de modder uut spij'n, zei ie: " Die Grune Minne hef eur woord ehöllen, hier ew de vis veur et opschepp'n. Wieselijk gaf hierop gieniene wat terugge, want wie kan et weet'n wat ze nog meer veur oons in petto ef. Toen de bui'je veurbij begun te driev'n klaord'n de lucht wat op en iederiene haal'n wat rusteger aossem. Körte tied later braak´n de eerste gold'n zunne straol'n deur. De grote Haenegreve kreup in de bien'n en keek ies veuzichteg umme um ene. Een zee, zag e, een zee van zulverkleurege, in et zunnelicht blinkende, spartelende viss'n, det was et ienege wat ie zag. Naodet e zien ogen ies een grote schoonmaakbeurte e geev'n had, zag ie de umtrek spiegel'n van een gehucht. "lk geleuve det ik door in de värte oons dörpien zie ligg'n", zei ie. Zien lotgenoot’n keek´n ok les en ja wis en zeker heur, det is oons plaasien en niet ies zo värre weg. Nao alle deustaone emosies een strohalm umme heur weer an vaste te hollen. Opgelucht wurn er weer aosem ehaald. Nao onderling en breedvoereg overleggen wurn er besleuten umme alles achter te laoten en te preberen of ze de thuushaav'n over land kond'n bereik'n. Naodet ze een dikke wilge-stok van een struke of ebreuk'n hadd'n begunn'n ze an hun hacheleke kruustocht. Die veurop leup prikk'n met de stok in de bood'm umme te onderzuukn of die stärk genog was umme hun te draagn en of ze deur de geulen met water kond'n waad'n. Via zandbult'n en scholle kreek'n bereikt'n ze nao een barboze tocht hun vishaav'n.Daor stund'n al veule viskers en femilie op de schipbreukeling'n te wacht'n Naodet ze al hun belevenissen met veule kleur en värve beschilderd hadd´n, zoas viskers det alleen  kond'n, hadden veteld, kwaam'n de spotteri'jen veur et voetlicht. Sommege, van vet glimmende viswiev'n, schreeuwden tegen heur: "Eig'n schuld, muj ok ma naor oons Iuusteren. vake genog he'w ullie veteld det er zo'n vals gedrocht rondzwum. En eev'n zovake wurn wij uut elach'n." Andere umstanders gnifeld'n van de binnenlol over de Haenegreve's vanwege det heur harte zo hoge zat. Spannende volksverhaal'n en uutzunderlijke beleveniss'n tierd'n weleg in die tied en netuurlijk wol iederiene et nötien van de kouse weet'n. Uuteindelijk dreup iederiene of en vedween de volksoploop.

 

 

 

 

 

 

Na een tied van stärk dreugend weer met veule zunne en ok nog een lege stand van et water wum er een plan esmeed umme et visgerei en de boot te bargn. Et moeras an de Zuudkante van Bronnup was iene grote dreuge, ebarst'n moddervlakte. Hier en door ontluuk'n al wel een planntien. De zandplaten waren dreuge evallen en ok koj alle waterarmpies dudelijk zien. Alle beschikbare lui gungen met en et lukken hun met veule muuite, de praome in een watergeule te slepen en ok et visnette ebörgen.