Kamperveen

  Atzen Struckstra.

 

(Sage)

 

 

Atzen Struukstra, met zijn pas aangekoppelde vrouw, stonden bij het restant van wat enkele dagen geleden nog hun optrekje plus bedrijfje was geweest. Een vroege herfststorm met heel veel wateroverlast had er voor gezorgd dat alleen een hoopje ellende de plek nog markeerde. Daar waren ze verleden jaar samen begonnen. Een pittoresk woninkje hadden ze met behulp van hun familie en vrienden opgetrokken. Daarachter een eenvoudig stalletje voor het weinige vee wat ze bezaten. Zo waren ze samen aan een nieuwe en veel belovende toekomst begonnen.

 

 

 

          Hij bukte zich een beetje, haalde zijn hand uit zijn boksezak en trok voorzichtig aan een stoelpoot, terwijl hij de andere maar in zijn zak hield. Instinctief .......“Eens zien of de rest er nog aan vast zit, maar helaas het was alleen de poot die tevoorschijn kwam”. Verder schopte hij eens links en rechts om zich heen of hij nog iets bruikbaars kon ontdekken. Zijn vrouw zakte moedeloos door de knieën en ging met haar achterste op het restant van een dakspant zitten. Met gebogen rug, haar ellebogen steunend op haar knieën en haar hoofd rustend in haar handpalmen,staarde ze door het vele oogvocht, in een contourachtige onscherpe toekomst. Het was met recht ‘diepe stilte na de storm’.  Voetje voor voetje zocht hij, over de wankele restanten, een doelloze en dwalende koers. Met een onzekere gang over de brokstukken, dwaalde hij rond om daarna zwijgend naast zijn jonge vrouw neer te zijgen. Bijzonder voorzichtig strekte hij zijn arm en sloeg die heel behoedzaam om haar schouder.  ‘Elkander lief te hebben in voor en tegenspoed.......’  was het enige wat hij zich op dat moment nog van hun trouwdag kon herinneren. Minuten lang zaten ze zwijgzaam naast elkaar tot een familie lid langs kwam om poolshoogte te nemen.

 

 

 

 

Zonder op te zien: “Jullie hebben ons gewaarschuwd”! Was het sombere, monotone geluid wat na de alles zeggende stilte, moeizaam uit Atzens mond kwam. Iedereen zei: ” Dit is geen plek om te wonen, hier ben je en speelbal van de natuur en die is mensonvriendelijk en alles verwoestend, hoe lief haar gezicht bij tijd en wijle ook is”.  Maar oompje gaf als antwoord: “ Jullie zijn er allebei nog, maar Ymke van even verderop heeft naast zijn huis en aard ook nog zijn enigste kind moeten prijs geven........”. Atzens ogen keken na een tijdje staren, zijdelings omhoog en daarna naar zijn vrouw. Zwijgend stonden ze beide op. Hun beider harten hadden alle woorden uit hun mond getrokken. Doelloos zochten ze naar iets waarvan ze wisten dat het onvindbaar was.

 

 

 

Het duurde enkele weken voordat er een punt achter de onafgemaakte regel werd gezet. De puinhopen verlaten zonder om te zien was de moeilijkste weg die een mens kan gaan. Edoch ‘doe wel en zie niet om’.

 

 

 

         Atzen en Ymke met hun vrouwen belegden lange gesprekken. Eèn ding was hun duidelijk. Herstarten op dezelfde plek was voor hun beide onmogelijk. Ze wilden zo snel mogelijk van deze barre gebeurtenis verlost zijn en er zo min mogelijk aan herinnerd worden. Er was hun al eens verteld dat er aan de monding van de Ysala nog wel ruimte was met veel kleinere kans op verwoestende vloeden. Daar lagen goede landbouw gronden en hoge zandruggen waar het aanmerkelijk veiliger was. En wat hadden ze nog te verliezen? Helemaal niets toch. Het enigste was ze nog hadden waren de kleffe kleren die ze droegen. Uiteindelijk was hun besluit om definitief weg te trekken en dan maar zien waar hun schip opnieuw zou stranden.

 

 

 

Over schepen gesproken; even verderop waren enkele oude vissers scheepjes aangespoeld. Als we die nou eens wat oplappen en we varen daarmee naar het land waar bomen met gouden appels groeien, dat zou een mogelijkheid zijn. De mannen bekeken de restanten van de sloepen eens en begonnen ze op te kalefateren. Omdat ze hun have en goed allemaal kwijt waren werden ze eerst provisorisch hersteld zodat ze er ook in konden bivakkeren. Tegen het voorjaar hadden ze hun zaakjes zover voor elkaar, dat volgens hun eigen inzicht, de schuiten ‘zeewaardig’ waren. De vrouwen hadden voor het aller noodzakelijkste proviand gezorgd en toen het weer en de wind zich van de goede kant lieten zien besloten ze zich in te schepen om uit te varen. De vrouw van Ymke stamde uit een vissers familie en had enige ervaring met ‘zeezeilen’.  Ze duwden de bootjes het ‘haventje’ uit en toen ze buitengaats waren werden enige aan elkaar genaaide lappen stof in de mast gehesen, dat moesten de zeilen voorstellen. Maar ze leken wel piraten schepen met dreigende vlaggen gesierd met doodskoppen. Met een stevig briesje in de ‘zeilen’  dreven ze in Zuidelijke richting. Het was een prachtige dag en ze genoten allen van het avontuurlijke tochtje. De stemming aan boord steeg met het rijzen van de zon.Toen ze echter zover waren dat ze alleen maar water om zich heen zagen, kregen ze het stuk voor stuk toch wel benauwd. Wat zou de natuur nu weer met hun voor hebben? Was het wonder mooie weer soms het bedriegelijke gezicht van de kwade draak?  Ze wilden er niet aan denken. Toen de schemering viel en de wind ging liggen en de donkere nacht er op volgde durfde geen van allen te gaan slapen....... Maar toch, ook de spaarzame gesprekken verstomden. Tot hun geluk zwakte de wind af en viel deze in een diepe slaap. De volgende morgen bij het krieken van de dag zagen ze aan de verre horizon land. Daar gloorde hoop. Helaas de wind bleef slapen en hun scheepjes dreven gewillig met de zwakke stroom mee, en natuurlijk de verkeerde richting uit. Machteloos en zonder enig uitzicht dobberden ze op het weidse sop. De zeiltjes hingen als nat wasgoed aan de lijn. En weer werd het avond en weer werd het nacht en weer werd het morgen. Maar nu waaide er een lekker briesje. En zowaar zagen ze in de verte enkele vissersbootjes. Ze probeerden de koers zo aan te houden om ze te benaderen, maar helaas  deze zetten hun eigen koers naar de visgronden uit, zodat ze weer helemaal op zichzelf waren aangewezen. Laat in de middag bereikten ze de kust. Tot hun grote verbazing bemerkten ze een inham met uitstromend water. Dat moed dus een rivier monding zijn. Al laverend bereikten ze nog net voor het invallen van de duisternis een kleine nederzetting van enkele huisjes. Ze meerden daar af en togen op onderzoek uit. Toen ze uiteindelijk enkele mensen zagen en deze benaderden, konden ze er maar heel moeilijk mee praten. Ze verstonden elkaar vrijwel niet. Het leek wel of ze in een ander land voet aan wal hadden gezet. Uiteindelijk begrepen ze, met geluiden en gebaren sprekend, dat ze in het delta gebied van de Ysala waren beland en dat een uurtje gaans verderop de stad Campen lag. De dag erop bereikten ze Campen, een stad aan de rivier. Ze werden al voortijdig door de kadekuieraars herkend dat het geen Camper vissers waren, maar vreemde schuiten die de rivier opvaarden. Toen ze voor anker gingen dromden vele nieuwsgierige bewoners tezamen op de kade. Wat zou dat voor een gespuis wezen. Men had nog nooit zulke schamele en krakkemikkige bootjes in de buurt gezien. Toen deze berooide Friezen hun bedoelingen kenbaar maakten kregen ze toestemming van de kadewachter om de haven binnen te varen. De schout werd ervan in kennis gesteld en deze ontbood ze voor een gesprek. Er werd een soort tolk geroepen die de moeilijk begrijpbare klanken van deze vreemdelingen zo duidelijk mogelijk overbracht, want ook toen kende men al spionage met leep bedachte trucjes. De scout concludeerde dat het viertal in arrenmoede verkeerde en verwees hun door naar de plaatselijke parochie. De geestelijke leider ontbood ze op hun consistorie en voerde een diepgaand gesprek met hen. Dit resulteerde in een advisering dat er ten zuiden van de stad  nog een uitgestrekt veengebied lag wat nog onbewoond was. Eigenlijk was het een stukje niemandsland. Daar was nog door geen enkeling aanspraak opgemaakt en daar lagen misschien kansen voor het opstarten van een nieuw bestaan. Wel kregen ze de voorwaarde mee, dat, als ze zich daar gingen vestigden zij zich moesten aansluiten bij de Camper parochie. De beide mannen kregen ieder een rijpaard aangeboden voor een verkenningstocht en de vrouwen werden tijdelijk als een soort onderpand, ondergebracht en ingesloten in een klooster. Enkele dagen later, toen het weer gunstig was, trokken ze het uitgestrekte veengebied in. Het werd een tocht met ongekende hindernissen. In deze ongerepte natuur zonder paden en met heel veel watermassa’s,  moerassen, struiken en bomen, probeerden ze zich een weg te banen. Eigenlijk volgden ze simpelweg het spoor dat hun paarden voor hen uitzochten. Want dierlijk instinct is vele malen betrouwbaarden dan menselijk inzicht. Het was waden door ondiep en diep water met vaste en drassige bodem. Ook trof men enkele goed  begaanbare  hogere zandruggen aan. Hele gedeelten moesten afgelegd worden door dicht begroeid,  vrijwel onbegaand kreupelhout en hogere bebossing. De ene na de andere, vrijwel onneembare hindernis, stapelde zich op. Het optimisme aan het begin van de tocht veranderde dan ook al vrij snel in pessimisme. Maar pionieren betekende strijden tegen het uitzichtloze. Maar dit uitgestrekte gebied had de mens niets te bieden. “Er is hier alleen maar te leven als ons een dichte vacht en vier poten waren gegeven”, merkte een van hen op. Ruimte was er genoeg en de voedselrijkdom van dit gebied bood goede kansen. Maar een plek voor een eventuele nederzetting was onvindbaar. Teleurgesteld besloten ze dan ook al gauw om  onverrichte zake terug te keren. Tijdens hun terug tocht kozen ze een meer Noordelijke route. Ze probeerden het eens wat dichter langs de Suyderzee, hoewel die “Zee” , die naam deed hen bij het minste of geringste huiveren. Ze hadden hun hoop al opgegeven toen ze even verderop een soort heuvelrugje ontdekten. Het leek een oase in de woestijn, of was het weer een luchtspiegeling? Na een kort overleg namen ze de moeite om deze streek eens nader te observeren. Ze weken van het pad, wat hun paarden volgden en zetten koers naar het hoger gelegen gebied. Eenmaal op de plek aangekomen liepen de viervoeters naar het hoogste punt. Daar werd gestopt en sprongen de ‘ruiters van hun paard’. Die hadden trouwens ook wel even wat rust verdiend, want tot nu toe waren ze onafgebroken onder het zadel geweest. Ze keken beide eens nieuwsgierig rondom zich heen en het hoger gelegen gedeelte was aanmerkelijk groter dan ze eerst gedacht hadden. Ze haalden de rugzak te voorschijn en lieten zich op een omgewaaide boomstam zakken om eerst eens wat te nuttigen. De paarden werden ook even losgelaten zodat ze het meegenomen hooi konden eten en wat konden drenken. Maar vol van verbazing zagen ze hoe de dieren intens gingen grazen en hun buiken vulden. Het aan twee hoopjes neer gelegde hooi, voor ieder paard èèn, lieten ze onaangeroerd, ze gunden het zelf geen blik waardig. Atzen en Ymke keken elkaar eens even aan en het werd hen al snel duidelijk dat het gras wat er groeide van goede kwaliteit moest zijn. Men besloot dan ook weldra om eens een rondje te lopen. Met de duimen achter hun vesten  kuierden ze links en rechts, al schoppend en hakkend in de bodem om te zien hoe de ondergrond er uit zag. Ze constateerden dat het een oeroude zandrug moest zijn met een uitstekende, vaste bodem. Aangesloten lag een uitgestrekt gebied van aangeslibde klei op de veenlaag. Toen ze bij de paarden terug kwamen stonden deze nog bijkans op de zelfde plek te eten. Die aten zich, zogenaamd staande zat. En dat was een voorteken wat op kwaliteit van het gegroeide wees. Het was het eerste positieve wat ze tot nu toe ontdekt hadden. Toen ze daar zo met zijn tweetjes stonden te dubben over de situatie kwamen ze wel tot de ontdekking dat ze ongeveer een half uur gaans van de vaste en begaanbare hoogten van de Veluwe verwijderd waren. Eigenlijk was het een geïsoleerd eiland midden in het moeras. Ze waren hier totaal op zich zelf aangewezen. Ze probeerden ook sporen te ontdekken van waterstanden en niveau hoogten. Wat stond hen hier te wachten bij storm en hoge vloeden? Misschien hetzelfde als de plek waar ze waren weggespoeld. In hun hoofd stak een briesje op en veroorzaakte nog al wat deining onder des schedel. Ze stonden voor een levens groot dilemma. Vanuit het Zuid-Westen glimlachte een vriendelijk stralend zonnetje hen toe en scheen hen met open armen te ontvangen, maar toen ze zich omkeerden verscheen er in het Noord-Oosten een inktzwarte bui aan de hemel en heel in de verte hoorden ze het gerommel van de donder. Het was alsof het Westen hen toe riep: ‘Kom gerust. Alstublieft, dit is het land van jullie toekomst’! Terwijl vanuit het Oosten een zware, grommende basstem hen dreigend waarschuwde: ‘Doe dit nu niet, dit is onze speeltuin en wij dulden hier geen indringers’. Beurtelings keken ze naar de zon  en de alsmaar verder opdringende  bui. Het onheil werd alsmaar dreigender en het vuur van de zwaarden van Donar kletterde en flitste over het Venne. Moeilijker en moeilijker werd hun keuze. Toen ze tenslotte de paarden bestegen om te vertrekken verscheen er in die inktzwarte lucht een ongekend prachtige regenboog, deze werd als maar kleurrijker en kleurrijker tot ze van einder tot einder een halve cirkelboog vormde. Het wel alsof die hen duidelijk wilde maken: ‘Het hele gebied wat ik omarm, is voor jullie bestemd en daar ben je veilig’. ‘Ik ben jullie waakhond en zorg er voor dat jullie niet nogmaals worden weggespoeld’!

 

 

 

Laat in de avond bereikten ze Campen weer. Daar zochten ze hun vrouwen op. De volgende morgen melden ze zich weer bij de parochie van Campen. Daar vertelde men de opgedane ervaringen. Men wist evenwel niet zeker of dit gebied ook bij hun bisdom behoorde of dat het bestuurlijk onder Gelre viel. Na lang wikken en wegen werd  besloten dat de Kamper parochie contact zou opnemen met het Bisdom Utrecht. Utrecht oordeelde vrij snel en positief. De toenmalige Bischop, Godefridus van Rhenen, zag zijn kans schoon om dit gebied in cultuur te brengen en zo zijn machtspositie te versterken. Wanneer de kolonisten zich een goed bestaan konden verwerven, kon hij ze schattingen opleggen. Een tiende van de oogst was een mooie aanvulling. Verder had hij lak aan de van Gelre,s. Hij stelde de pioniers dan ook bijzondere gunstige voorwaarden als ze zich daar vestigden. Deze Friezen stemden, na onderling overleg er mee in en vertrokken midzomer met hun vrouwen naar het Camper-venne. Naar het door hen ontdekte zanderige plekje. Ze noemden het “Bargen”, later ‘De Heuvels’. Ergens in de buurt van de huidige Leidijk.  Ze werden geholpen door een aantal kloosterlingen die hen hielpen met het vervoer en het bouwen van hun eerste hutjes. Daarna begonnen ze aan de enorme klus om dit zomperige moeras- en bosachtige gebied te ontginnen. Natuurlijk waren het heel sobere leef omstandigheden die er gesteld konden worden en hun eerste verblijven waren dan ook deels boven- en ondergronds. Een soort schuilhutten bedekt met plaggen. Enigszins vergelijkbaar met dierenholen. Van daaruit werden de eerste jaren de activiteiten uitgevoerd. Hun gezinnen werden uitgebreid en jong en oud,  man en vrouw werden bij het arbeidsproces betrokken. Van zon’s opkomst tot zon’s ondergang was men in de weer. Men diende volledig in hun eigen onderhoud te voorzien. De leefomstandigheden waren natuurlijk bikkelhard, veelal bar en buiig boos en niet zelden erbarmelijk. Hun lijfspreuk was: “Wie deze beproeving overleefd, Hoe overleef ik”. Hun levensritme golfde: “struikelend vallen, kruipend verder gaan. Vervolgens weer proberen de benen er onder te krijgen”. Jagen, vissen en boeren dat waren hun werkzaamheden. Maar eeuwen lang heersten de "elementen" over dit gebied en dulden generlei inmenging. Water, wind en wolken maakten de dienst uit en gaven zich niet zomaar gewonnen. Wat na jaren was opgebouwd, betaald met donkerbloed, pekelig zweet en plenzende tranen moest dikwijls binnen enkele dagen  weer worden prijs gegeven aan de elementen. Om dan de draad weer op te pakken, daar was meer dan alleen moed voor nodig. De eerste decennia werden ze enorm gesteund door de Utrechtse bisschoppen. Ze werden zelfs beloond met enige financiële steun. Ook werden ze geholpen bij het aanleggen van waterkeringen, zoals verhogingen, kaden en dijken. Dit alles in ruil voor de ontginning van dit gebied. Na jaren van activiteiten kwamen er toch simpele vorderingen en ontstond er een meer leefbaarder situatie.

 

 

 

 

 

 

Toen de toch wel opgevijzelde verhalen van dit unieke volkje met haar ontembare ontginnings honger Utrecht bereikten, was de toenmalige bisschop daar ook bijzonder trots op.

 

 

 

In 1255 legde Bisschop Hendrick van Vyanden de eerste steen voor de Domkerk. Tijdens de toen gehouden spiets, ter ere van die steen, voor de hoogwaardige aanwezigen kwam daar onder ander de volgende passage in zijn toespraak naar voren:

 

 

 

 

 

 

“Ettelicke iarren voer desse tyt synnen ettelicke schamelle huysluden vuyt Vreslant omtrent van Campen, op een wylt onbevredet moerich landt ghecoemmen, wellicke nu dat Campervenne worde ghenoemt, und hebben dye voers. dat landt myt grauen ende anderre swaren arbeyt, van onlant toe lande ghemaket onderstaen, und was doe gans onffrucbaer, und dye luden, dye den arbeyt deden, warren gans arrem, und alsoe tot ghine schattinghe offte bede contribuerende, soe heff hoer doe dye byscop van Uttert, heer Henderick van Vyenden, preueleghen gegheuen, dat sye vordt an oik tot ghinne schattinghe offte bede solden gheuen off contribuerren, , und daer en beneffens nyet gheholden den herre van den lande myt eenighe tocht, wyder dan op dye bepallinghe van horre landen, toe vollighen; dan solden hem allenne dye tynden van dye selliue anghemakede landen gheuen, allent nae lut seghel und. breuen, dye de voerbenoemde byscop den voerscreuen huysluyden, woe volliget, daer off gaff:”

 

 

 

 

 

 

Vrij vertaald:

 

 

 

         Enige jaren voor deze tijd zijn enkele schamele bewoners uit Friesland in de omgeving van Campen gaan wonen. Op een onherbergzaam moerassig land. Men noemt dit Campervenne. Men heeft dat land met graven en zeer zware arbeid van onland tot land gemaakt. Voorheen was het gans onvruchtbaar. Evenwel men was zo arm dat ze geacht werden dat ze geen schatting of bedegeld konden betalen.Zo heeft deze bisschop van Utrecht, Hendrik van Vianden, deze bewoners bepaalde vrijstellingen gegeven. Ook hoefden ze geen dienstplicht te verrichten alleen ter verdediging van hun eigen landerijen.

 

 

 

 

 

 

Via de kerkelijke steunpunten Vollenhove en Wilsum bereikten het ondertsaande previlege de pioniers van Campervenne.

 

 

 

 

 

 

“Henderick van Goedes ghenade byscop van Uttert ontbyden allen ghelouighen, dye dessen breff sullen syen, salichheyt. Soe wy verstaen hebben uyt dat vertellen van ffrommen luden, dat ettelicke armen uyt Vreslant in Sallant welleer synnen ghecoemen in eenighe morrighe plassen, onbehert, dye ghementelick het venne worde ghenomt, geheleghen in een hoek van Sallant bv een dorrip, well eer gehhetten Wylsen, und bv dye stadt van Campen, omme aldaer toe wonnen ende dat toe bouwen; ende dat bv des herren ende der edelluden consent, wellicke arme luden van beghin an sye daer synnen ghecoemen mytter wonne, bv tyden des erwerdighen vaders, herren Wyllebrant ende herren Otto, byscoppen van Uttert, onsse voeruaders, hent op dessen teghenwordighen dach, und hebben altyt sullicke vryheyden ghebruket, dat sv van alle schattynghe ende swarichheyden, daer onsse anderre onderdanen mede beswart worden, als schattinghen van beden, schattinghen van verrickken und schattinghen, dye men ghementelick cappelle noemt, waer syee alle van vry  synt ghewest, noch synnen sye oik tot eenighe wapenen offte  rostinghe wyder dan op dve bepallinghe van orren ackeren gheroepen ghewest, dan hebben alle iaere horre tynden, ende voir dye smalle tynden, heff een yder huys in den hyllighen Deuenter munte ghegheuen, dye ghementellick coellen pennighen ghenomt worden; daer en boeuen betallen sv den byscop noch toe tynsse op sonte Merten, van yder houe landes off manssie 5 schillinghen Deuenter muntte, ende voer een halue 30 pennighen, alsoe dye mest bouwede dye gaff mest, dye luttell bouwede dye gaff wennieb, und soe veel houe of halliue hoffe, of een acker 2 of 3 coffte, gaf voer dat lant soe voelle tyns dye dat selliue ontffónct als daer of betalt worde, wellicke constitutie landtwynninghe ghenoemt worde , und een yder mochte sulx syn kynderen eruen; waeromme wy om medelyden ende tot een exempell, dye wy hebben tot onssen ondersaten, ende voer  onssen naecoemelinghen, wyllen wy, und dat by raedt onssen ghetrouwen, dat dye selliue arme Iuden desse vrvheyden, dye tot noch toe blydelick hebben ghebrucket, gheuen voer, an onsse tyt dve selliue toe ghebrucken. Hyer warren ouer en an her Hermen van Vorst, her Henderick van Essen, heer Johan van Deuenter, her Henderick Ouer den Berrick ende volle mer anderen. Omme dat nymant bosses, dat gude werrick sall wederroepen, hebben wy dessen breff myt onsse -seghel beseghelt. Gegeuen toe Vollenhoe, anno 1260, opter onnosselen dach."

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Zo ontwikkelde zich de prille samenleving in het gebied Campervenne.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In de achterliggende decennia hadden de noordelingen, lees Friezen,  wel eens contacten gehad met de pionierende collega’s in het Hollanderveen. Maar de karakters en de taal van Hollanders en Friezen waren tegenpolen. Ook was het in hun nadeel dat deze Hollanders zich niet hadden aansloten bij de Camper parochie. De Friezen stonden met hun duimen achter hun vesten op de smalle kae’s verwonderd te kijken naar die kaarsrechte sloten die de Hollanders hadden gegraven. Het ‘waarom’, was heel lang een discussie punt. Maar uiteindelijk zagen ze er ook de voordelen wel van in. Namelijk een veel betere doorstroming en daardoor een snellere afvoer van overtollig water en een betere beheersing ervan. Al kauwend overlegden ze over de opgedane informatie.

 

 

 

 Zij hadden tot dan toe alleen terpen op hogere gronden aangelegd maar een structurele aanpak van waterafvoer kenden ze niet. Ze groeven meestal een diepe greppel naar de dichtstbijzijnde plas en de vrij gekomen grond werd dan voor hun terpje gebruikt.

 

 

 

Er werd een heel winter lang gepraat over het Hollander-akker systeem. En de toenmalige baanbrekers zagen er steeds meer voordeel in. Uiteindelijk bespraken ze hun grootse plannen met de leiders van de Camper parochie. In het kort kwamen hun voorstellen hier op neer. Een grafte (wetering) graven rondom alle bestaande nederzettingen. Van de vrij gekomen grond een grondwal (kade) opwerpen ter bescherming tegen hoog water. Vervolgens rechte sloten graven van de ene grafte naar de tegenover gelegen grafte op een afstand van 100 el uit elkaar. Zo ontstond er in hun ogen een goed systeem om het geheel aanzienlijk te verbeteren en een leefbare polder te creëren. De Camper magistraten hebben zich behoorlijk achter de oren moeten krabben. Zoiets hadden ze nog nooit bij de hand gehad. En ze zagen er een zwaar hoofd in. Wie moet zo’n gigantisch groot karwei klaren? Daar stond wel tegenover dat ze met kerels te maken hadden die van wanten wisten en al heel wat lering hadden vergaard. In het verleden hadden ze links en rechts rake klappen geïncasseerd en even zovele tegenslagen overwonnen. Wat hadden ze in een eeuw tijd al niet gepresteerd. Onvoorstelbaar. Een paar positieve bestuurders namen het besluit om contact op te nemen met de toenmalige bisschop Willebrandt van Utrecht die binnenkort  het land van Vollenhove met een bezoek zou vereren.

 

 

 

Na die ontmoeting waarbij de vertegenwoordigers van de Camper bestuurders de plannen van de Campervenners aan hun landsheer hadden voorgelegd reageerde deze gelaten positief. Hem was evenwel allang ter ore gekomen wat die Campervenners in de voorbije jaren hadden gepresteerd en daar had hij enorme bewondering voor. Wat deze mensen met hun inzicht en ijver voor elkaar hadden gekregen was onbegrijpelijk. Vaklieden waren het waar de gehele maatschappij iets aan had. Die verdienden steun, ja veel steun. Ook het mislukken van de Hollanderveners kwam zijdelings ter sprake. Maar de bisschop hield zich vooralsnog van den domme. Maar toen deze weer in Utrecht zetelde was Campervenne weer vergeten. Evenwel toen hem ter ore kwam dat de zoveelste storm Campervenne geteisterd had. Pakte hij de draad weer op en stelde rigoureuze plannen op die hij zijn onderdanen liet uitwerken. Hij voelde zich een beetje schuldig. En zo kwamen de spectaculaire privilegiën tot stand. Zeldzame voorrechten die vrijwel nimmer waren verleend. Ze bestonden voornamelijk uit.

 

 

 

 

 

 

“Volledige vrijstelling tot betaling van beden en schattingen. (Belastingen). Gevrijwaard om diensten voor anderen te verrichten. Ze werden vrijgesteld van militaire dienstplicht buiten hun palen (grenzen), behoudens ter verdediging van hun eigen gebied. En er werden vele tientallen leenmannen van elders ter beschikking gesteld om hen te helpen bij het graven van graften (weteringen) en het leggen van kaden. Ook het graven van de rechte sloten zoals ze zich hadden voorgesteld werd volbracht met behulp van buitenstaanders.”

 

 

 

 

 

 

In ruil daarvoor moesten zij de veenlanden  en woeste velden bebouwen. Daarvan moesten ze jaarlijks thienden opbrengen voor de Bisschop.  Voor de Heilige Synode van Wilsem  moest jaarlijks per huis 4 penningen worden afgedragen. De zogenaamde smalle thienden. Voor St.Marten, dat is de kerk van Utrecht, voor elk erf 5 stuivers en voor een half erf 30 penningen, alles in Deventer munt. De Campervenners waren de koning te rijk en na enkele tientallen jaren lag er de Leiwal, daarop volgende de Noordwendinge, de Winterkae (Hogekae = later Hogeweg) en de Zuidwendinge. Ook het slaghen (sloten) stelsel werd daarna aangepakt volgens het Hollander systeem en binnen afzienbare tijd gerealiseerd. En zo ontstond het huidige binnenland. Een polder die redelijk bewoonbaar was, althans zo werd verondersteld. Alle gebied wat was gelegen binnen de opgeworpen kade’s vormde het toenmalige Campervenne.

 

 

 

 De Friese Camperveners legden vervolgens beslag op de vrij komende ackers van de zogenoemde Hollanderhusen en bewerkten die zo goed als het in hun vermogen lag. En zo werden ze bij Campervenne ingelijfd. De Hollander Huizen vervielen op den duur en alleen de Hollander akkers doen ons nog herinneren aan deze nederzetting.