Kamperveen.Woest en Ledig

Kamperveen was woest en ledig.

 

 

1-Campervenne was woest ende ledig.

 

 

 

 

 

Het gebied gelegen even ten Zuiden van Kampen was voorheen een stukje "puurnatuur", zoals wij dat thans zo romantisch mooi kunnen inlijsten. De realiteit verteld ons dat het zich ergens bevond binnen het Delta gebied van de rivier "De lJssel", In de middeleeuwen de Ysala genoemd, die het stroomwater via haar vele zijarmen afvoerde naar het voormalige plassen en merengebied, de z.g. Flevo meren, de voorlopers der Zuiderzee. Een machtig en niets ontziende, eigenzinnige waterstroom. Hoe moeten wij ons dit alles voorstellen? Waar hield de IJssel op en waar begonnen de Flevo-Plassen? Waterbekkens, geulen en stromingen enerzijds en zandduinen, moerassen, veen, modder en klei afzettingen stonden daar tegenover. Bomen, struiken en planten groeiden op de hogere gedeelten. Waterplanten vonden de aansluiting met het water en bedekten een groot deel van deze landstreek. Op de droge velden huisden de kleinere landdieren die zich daar bijzonder goed thuis voelden. De watervogels hadden een rijk gebied tot hun beschikking terwijl de vissen en de amfibieën ook de nodige voorzieningen hadden voor een weelderige samenleving. Een scherp begrensde afscheiding tussen water en land was er eigenlijk niet. Dit vond zijn oorzaak in de instabiliteit. Wat het ene jaar water was, tekende het daarop volgende jaar zich af als zandduin. Poelen, plassen, zandruggen en laagvlakten wisselden meerdere keren van gedaante. Een oerwoud aan diversiteiten kende men er. Daar de natuur vrijspel had, was de wisselwerking in het landschap buitengewoon groot. Het water beheerste en bepaalde. Aan de ene zijde was het de IJsseldelta en aan de andere kant waren het de Flevo-plassen. Na het ontstaan en het uitdijen van de Zuiderzee (rond 1200) vermengde het brakke zeewater zich met het zoete rivierwater. Dit had weer tot gevolg dat er een enorme verscheidenheid aan flora en fauna ontstond. De IJssel was destijds onbedijkt en loosde haar stroomwater op een natuurlijke wijze. Dat wil zeggen via haar eigen gekozen beddingen en niet zoals we haar nu kennen, prachtig gekanaliseerd. Van de diverse aftakkingen die het overtollige stroomwater afvoerden bevonden zich er ook enkele aan de zuidzijde van Kampen. Deze begonnen ongeveer vanaf het huidige Hattem en Zalk en liepen richting Zuiderzee. Een ervan splitste zich af ter hoogte van Wilsum en volgde zijn weg via het Onderdijks, het Onland, de Enk, naar het Drontermeer. Dit water stroomde over dat gedeelte van Kamperveen wat men nu het 'Buitenland' noemt. Deze rivierarm liep ongeveer tussen het huidige "De Roskam" en De Zwartendijk richting Zuiderzee. De Enck is daarvan een restant en het kon wel eens een verbinding hebben gehad met de Hang bij de Koelucht. Het Kamperveense "Buitenland" stond in die tijd in open verbinding met de Zuiderzee. Zoiets als we nu "uiterwaarden” noemen. Zoals zoveel rivierdelta's bestonden ook deze armen uit tientallen spontaan gevormde grote en kleine eilandjes omspoeld door stroomwatergeulen. Daartussen bevonden zich hele zompige moerasgebieden en bebossingen. Er kwamen ook enkele beekjes van het zandplateau vanaf de Veluwe die via Campervenne hun water naar de IJssel of een van haar armen naar de zee loosden. De restanten van de latere Riette zijn daar nog een stukje erfgoed van. Hun loop ging midden door het Buitenland richting Bronnup(Brunnepe.) In die periode herkende men het nog ongeboren Campervenne als een uitzonderlijk stukje naamloos laaglandig oerwoud temidden van open plassen. Het water baande zich veelal een eigenweg door de alsmaar weer opnieuw gevormde geulen. Bij overvloedig afvoer ontstonden er weer nieuwe structuren. B.v. bij hoogwater van boven, of bij hevige N.W.stormen. In een latere episode kende men eb en vloed, de z.g. getijden werking die een niet onbelangrijke invloed hebben gehad op het totale gebied. Dat gaf een niveau verschil van ongeveer 25 cm in de waterstand. Hieruit blijkt dat het delta gebied, waarbinnen Campervenne zich bevond,voortdurend aan stromingen onderhevig was en dat het water zelden stilstond. Het was dan ook erg moeilijk om vaste grond onder de voeten te krijgen en nog belangrijker, ook te houden. Daartegenover stond dat het ook zeer vruchtbare gebieden kende. Het voedingrijke slik spoelde dikwijls over de lagere landerijen en wat er achter bleef bevorderde de vruchtbaarheid heel sterk. De thans dieper liggende veenlagen, met een dikte van plusminus 2m, zijn duizenden jaren geleden gevormd. Turfveen vormde zich met een snelheid van zo ongeveer 1 cm. per eeuw in stil water. De oppervlakte begroeide met een laag veenmos en wollegras. Veenmos bezit de eigenschap dat het van boven aangroeit en vanonder afsterft. Het sluit het onderliggende water luchtdicht af zodat er geen zuurstof meer aanwezig is. Het afgestorven materiaal aan de onderzijde zakte naar de bodem en vormde daar veen. Dit hele proces heeft zich voltrokken toen de zeespiegel nog vele meters lager lag en de veengebieden vrijwel nooit werden overspoeld met stroomwater. Het proces van het daarop gevormde klei laagje heeft zich vele eeuwen later voltrokken door overstromingen van de Ysala en de Suidersee. Het was deze weelderige groei die sommige pioniers deed besluiten om het hier eens te gaan proberen.