Kamperveen

 

 Stroperij.

 

 

         Onaanspreekbaar en wezenloos zat Henrick Beertsz op een oude afgehakte boomstronk, een stukje achter zijn huisje. Zijn ogen stonden star en strak; ze waren droog omdat hij al lange tijd niet had geknipoogd. Zijn tong was een uitgedroogd lapje wat nutteloos een beetje zijwaarts uit zijn mond hing. De bruine tabakszever liep door zijn sikkebaardje. Zwijgend tuurde hij nu al uren voor zich uit over de uitgestrekte waterpartijen van zijn zilverkleurige oogappel, ‘de Enck’. Het enorme plassen gebied waarmee hij zijn leven deelde en waaraan hij een huisje had gebouwd. Een leuk, eenvoudig optrekje. Daar woonde hij nu al jaren met zijn gezinnetje. Een fijne buurt, die Roscam. Het is maar een gehuchtje, te weerspiegelen met èèn groot gezin. Gezamenlijk hadden ze daar een goed bestaan. Hij was daar op de wereld gezet en opgegroeid, hij kende het gebied van binnen en van buiten, ja, zelfs boven en onder  het water. Naast wat (klein)vee onderhield hij zijn gezinnetje met jagen en vissen. Dat was zijn lust en zijn leven. Een aangeboren gave. Ja, hij peuterde zelfs nog wat vooruit. Jaren had hij dit werk gedaan en zijn vangsten waren altijd goed. Veel vis zwom er rond en ook de jachtbuit bracht redelijk veel op. En nu zomaar dit. Hij snapte er helemaal niets van. Hij kon het nog steeds niet verwerken.

 

‘Kom je nu eindelijk eens koffie drinken en is het ook niet de hoogste tijd om de bedstee op te zoeken?’, riep zijn vrouw vanuit de deuropening. Een momentje later probeerde hij op te staan, maar vre-se-lijk, wat was hij stram en stijf. Het leek wel of alles vastgeroest zat. Kreunend, net als de deur van zijn huisje, schuifelde hij naar binnen. ‘Hier, een warme kop koffie!’, riep Gaaije zijn vrouw. Dat zal je wel weer opkikkeren. De eerste slok was hartverwarmend en bracht zijn bloed weer wat in beweging. Hoofdschuddend vroeg hij een poosje later zich af: ”Hoe kon het marke bestuur dat nou doen. Alle visrechten van de gehele Enck aan èèn en dezelfde persoon verhuren. Niemand anders mocht er nu meer vissen, ook hij niet. Grotere straf hadden ze hem niet kunnen opleggen. Ze hadden nota bene ‘hem’, hem zelfs niet eens gevraagd om mee te doen. En als ze het hem wel hadden gevraagd, nou ja, dan nog kon hij zo wie zo de pacht niet opbrengen. Als hij nou maar een klein stukje had gekregen dan had hij daar zijn fuiken nog kunnen zetten. Maar niets van dat alles. Straks wordt ook de jacht nog verhuurd en dan heeft hij helemaal geen brood meer voor zijn gezin. Zwijgzaam kroop hij in zijn bedstee. Daar wachtte hem een woelige en onrustige nacht. De slaap was heel...., maar dan ook heel ver weg, het leek wel of die ook aan een ander was verhuurd. Heel geleidelijk en met tergende hoofdpijn verdween de ‘geschiedenis’ en maakt plaats voor een kortzichtig blikje in de nabije toekomst. Wat moest hij nu? Op een houtje bijten leek hem het minste. Zijn sterke spieren laten rusten evenmin. Toen het ochtend begon te worden zag hij de contouren van het muurbordje aan het voeteneind van de bedstede. Hij wist heel goed wat daar stond te lezen. Maar hij wachtte voor hij rechtop ging zitten totdat het zo licht werd dat hij de spreuk duidelijk kon lezen. “De tijd, brengt de wijsheid”.  Die morgen was Henrick al weer een heel andere kerel als toen hem de tijding werd bezorgd over belening van de Enck. Misschien zo piekerde hij kon hij wel een stukje viswater onderhuren. Of.....of.... hij kon......., nee ..., nee..., dat paste niet bij hem, een man met een kaarsrechte rug. Maar er ‘(h)eerlijk’ een beetje bij gaan s-t-r-o-p-e-n.... zou dat.... Midden in de nacht kwam hier toch niemand. Hij voelde de spanning al in zijn lichaam tintelen. Zijn hart klopte sneller. Hij kende de viswaters op zijn duimpje en wist ook heel goed waar en wanneer er vis te vangen viel. De kans dat hij gesnapt zou worden schatte hij heel klein in en wat dan nog, een kleine boete was ook nog wel op te brengen. Trouwens hij mocht overal komen om te jagen dat was ook in zijn voordeel. Vervolgens lag ook zijn visboot in een zijarmpje van de Enck vlak achter zijn huisje wat zijn eigendom was. Hij behoefde maar een klein eindje te varen om op zijn favoriete stekje te komen waar heel veel vis rondzwom. Langzaam begonnen zijn hersenspinsels vastere vormen aan te nemen en kwam er lijn in zijn gedachten. Ook zijn opgewekte humeur kwam veel sneller terug dan Gaaije had verwacht. Eigenlijk snapte ze dat niet zo goed want een oplossing had ze nog niet van hem gehoord. Voorlopig kon hij nog even vissen want de verhuur ging pas in met Sunte Maarten. Uiteraard waren er meerdere vissers die uit moesten zien naar andere visgronden en die waren ook geen van alle goed te spreken over de ontstane situatie.

 

Geleidelijk aan verplaatste Henrick zijn vistijden van de vroege morgen naar de late avond. Het moest natuurlijk niemand opvallen en zijn grote geheim bewaarde hij diep weggestopt onder zijn boerenkiel. Hij ging, zoals hij vrijuit rondvertelde, maar over op wat jacht. Proberen te maken wat er nog van te maken viel. Een eindje achter zijn huisje begon hij met de aanleg van een soort eendenvangkooi. Evenwel juist naast een plek waar de vis graag vertoefde. Als straks de eenden de vis maar niet verjoegen, want dan viste hij weer achter zijn net. Hij moest dat allemaal goed doordacht en heel vakkundig opbouwen.

 

In de vroege herfst begon hij wilgentwijgen te snijden als materieel voor de eendenkooi. In een wijde boog rondom zijn erfje hakte hij al het bruikbare hout van de wilgenkoppen en verzamelde het op de plek waar hij de kooi wilde bouwen. Ook begon hij weldra de rietvelden te bewerken om bijtijds daar wat schermen van te kunnen maken. Een buurman had al eens langs zijn neusweg gevraagd of hij bang was voor een streng wintertje. “Och een beetje voorraad kan gaan kwaad” had hij geantwoord. En zo begonnen zijn goed gefundeerde plannen vormen te krijgen. Eerst vlechtte hij van de wilgentenen op maat gemaakte vlekens. Die kan ik straks zo in elkaar zetten. Toen hij er zo dagelijks aan werkte begon er in zijn brein een heel bijzonder plan op te borrelen. ‘Als hij dat nu eens voor elkaar kon krijgen, dan was de kous voor hem helemaal af’. Met verloop van tijd begon hij met de opbouw van de kooi. Hij werkte als een bever aan haar dam. Maar het was toch wat minder eenvoudig als hij zich had voorgesteld. En het moet ook nog werken ook, anders had hij voor niets zijn spierkracht verbruikt. ‘Maar die de boog niet spant ziet geen enkele pijl doeltreffen’. Hij zette eerst de gemaakte vlekens langs weerszijden van het water en op het eind bouwde hij de vangkooi voor eenden. Dat lukte aardig. Maar nu was hij zover dat er eerst drie voet bagger van de bodem verwijderd moest worden en dat was niet niks. De brede sloot moest over een behoorlijke lengte worden uitgebaggerd met een z.g. moddernet en dat koste meer dagen dan hij berekend had. Afgebrand dook hij ‘s avonds de bedstee in. Maar de volgende ochtend was hij weer paraat. Nu moest het water afgedamd worden en leeggeschept zodat hij een tweede bodem van vlechtwerk kon aanbrengen. Daaronder moesten dan de fuiken kunnen worden gezet. En dat alles moest gebeuren zonder dat er een buurman of iemand anders kwam kijken. Het mocht totaal geen argwaan wekken want als zijn geheime constructie ontdekt werd, was hij zo de pineut en viel alles in duigen. Ja zelfs als er ook maar de minste of geringste geruchten rond gingen van wat hij uitvoerde was het al mis. Dan kon hij het beter gelijk in de krant laten zetten.

 

 Op een mooie nevelige morgen, heel vroeg begon hij z.g. te hozen en voordat de zon hoog aan de hemel stond had hij de ‘eendenkooi’ leeg geschept. Ziezo, die is mooi droog. En nu de tenen schermen heel rap geplaatst en dan was hij snel klaar. Maar eerst even uitblazen van alle inspanning. Henrick liet zich op èèn knie op grond zakken en zijn achterwerk steunde op de hak van de klomp. Hij veegde met de mouw de zweetdruppeltjes van zijn voorhoofd. Vervolgens pakte hij zijn koperen tabaksdoos en begon deze op te poetsen over de broekspijp. Toen deze glom als het Encker water opende hij het deksel en nam een stevige portie pruimtabak. Terwijl hij cirkelvormig bruin gekleurd speeksel in een cirkeltje rondom zich heen spuwde, droomden zijn gedachten in een ochtenddroom over de plassen waar in de verte ruziënde eenden aan het kabaal maken waren.  Plotsklaps begon echter zijn trouwe viervoeter te keffen. ‘Wat heeft die nu weer’?. Henrick keek eens om zich heen en schrok zich stijf; Wat is dat daar, in de verte kwam zijn buurman aangewandeld. Zijn onderbewustzijn seinde hem in dat hij zo snel als hij kon de afdamming moest doorsteken om alles weer onderwater te zetten zodat van zijn geheime werkzaamheden geen sporen te zien waren. “Verdorie wat een pech”, bromde Henrick.  Als hij nu maar een uurtje later was gekomen dan was hij misschien klaar geweest. Buurman Diedrick, bijnaamd:‘de Kwakel’ is te vergelijken met een woerd, hij kwekt aan een stuk door en trompettert alle nieuwtjes rond. Helaas, niet prakkiseren Henrick, eerst de schop in de grond. Het is nu eenmaal het risico als men iets stiekem onderneemd. Met zijn spa doorstak hij de afdamming en even later kolkte het water weer naar binnen. Net voordat zijn buurman er was en zich wijdbeens op de oever opstelde en een uitgebreid overzicht nam, was de ‘waterput’ weer vol gestroomd. ‘Morgen buurman’ riep hij luid, eens zien wat jij hier allemaal uitspookt. Kan het een beetje licht verdragen?’ Nou,...... het water is gelukkig nogal troebel waardoor je mooi niet kunt zien wat ik op de bodem uitspook’, anders weet ik het zo nog eens niet’, antwoordde hij gekscherend. Hij vertelde breed uitgemeten zijn plannen om een vangkooi voor de eendenjacht te maken, maar over de illegale visserij kikte hij niet. Hij verlegde het zwaartepunt van het gesprek steeds weer richting eendenjacht.  De buurman keek hem wat ongelovig aan alsof hij twijfelde aan het verhaal, maar uiteindelijk praatten ze toch naar elkaar toe en snapte hij de werking van de vangkooi. Uiteindelijk zei Henrick: ‘ Ik geloof dat ik er voor vandaag maar eens een punt achter zet; ik heb thuis ook nog van alles te doen en morgen komt er weer een dag. Ik geloof dat ik maar weer met je mee terug loop. En even later kuierden ze gezamenlijk naar huis, druk redenerend over de verhuur van het visrecht en hoe ze hun gederfde inkomen weer op peil konden brengen. Geen gemakkelijk karwei om tegen die grote jongens op te boksen. En als ze het nou nog hielp dan was het nog tot daaraantoe. Maar hoe meer geld ze binnen kregen hoe meer bezittingen en macht ze ook willen hebben. En als ze vernemen dat het ook nog erg simpel gaat zonder opstandige gebruikers dan gaan ze steeds verder. Je zult zien dat binnen de kortste keren straks ook de jacht wordt verhuurt en dan wordt het armoe lijden voor de kleine man. Dan zit er niks anders op dan daghuurder te worden. Inmiddels gingen hun wegen scheiden en elk ging naar zijn huis. ‘Nou dat was op het nippertje’, bromde Henrick in zichzelf. In het vervolg moet ik een beter plan maken.

 

Enkele dagen later stapte Henrick heel vroeg in de morgen weer naar zijn bouwkarwei. Het was nog pikke donker zodat niemand hem zag gaan. Bijna bij de kooi aangekomen stond hij ineens stil, hoorde ik daar niet verdachte en eigenaardige geluiden? Wat kan dat nu weer zijn? Toch geen verdekt opgestelde spion? Voorzichtig, stapje voor stapje verscholen tussen het hoge riet, kroop hij dichter en dichter bij. En wat hoorde hij daar? Haha, dacht ik het niet?, ‘eenden gesnater’ Voorzichtig  boog hij met zijn handen het riet opzij en gluurde er heel bedachtzaam tussen door. Ik geloof dat........ en toen kriebelde er een rietpluim in zijn neus en een keiharde ‘hatsieekadee’ galmde over de Encker plassen. Alle eenden gingen meteen luid kwekkend op de wieken. Henrick lachte hardop in zichzelf. Dat belooft iets goeds. Wat een koppel, zeker wel 50 stuks. Mijmerend over de toekomst begon hij weer te hozen. En toen het begon te dagen was zijn bouwput droog. En nu meteen aan het werk met de geheime bodem. Zo’n paar dagen rust hadden hem de gelegenheid gegeven er nog eens goed over na te denken hoe hij deze bodem aan moest brengen en nu lukte het hem om binnen korte tijd zijn combinatiekooi te voltooien. Zo en nu moet de dam er weer uit en wel zo snel mogelijk. Zo, dat is dat en nu de afwerking. Fluitend ging hij die middag naar Gaaije om te zien wat ze op tafel had gezet. Zeker geen gebraden eend; dat wist hij al wel, maar wat het ook mag zijn, alles zal lekker smaken. Tijdens het naar binnen werken van de klaargemaakte prakjes informeerde Gaaije hoe ver het er mee was. Henrick vertelde vol trots dat de eendenkooi zo goed als klaar was en wijde uitgebreid uit over al die eenden die er deze morgen hadden gezeten. ‘Nog een paar dagen en dan mag je de braadpan van de plank halen’, zei hij tegen zijn vrouw.

 

Toen na en weekje alles beklonken was wandelde hij met enkele tamme eenden naar de kooi. Ter plekke aangekomen kortwiekte hij ze zodat ze niet konden wegvliegen en daarna liet hij ze èèn voor èèn los. Eerst zwommen de gakkers wat onwennig rond en kropen ze in een donker hoekje weg. Henrick strooide wat meegebracht voer over het water en liet ze daarna met rust. Twee keer per dag wandelde hij er naar toe met wat eten om ze zo tam mogelijk te krijgen. Na enkele dagen ontdekte hij sporen van wilde eenden. Hij herkende dat aan de uitwerpselen, die vertoonde resten van kroos en wilde slakjes. Het zou best eens kunnen zijn, dat wat eendekroos op het water een nog natuurlijker aanblik gaf. De eerstkomende dagen vergaarde hij enkele emmers met kroos en deponeerde deze in de ‘eendenvijver’. En op een gunstige morgen ging hij heel vroeg richting kooi. ‘Eens zien of de ‘lokkers’ hun opgedragen werk ook deden. Heel voorzichtig naderde hij de kooi. Hij hoorde een zacht gesnater, maar dat kon natuurlijk ook van de lokkers zijn.  Reikhalzend keek hij over het rietscherm........en ja, warempel, daar zwommen drie wilde kwekkers. Hij liep heel voorzichtig langs de kooiwanden en wandelde zogenaamd rustig weer weg. Zijn handen jeukten om ze te vangen.........maar een ervaren kooiker had hem verteld dat hij de eerste week er alleen maar langs mocht lopen en een beetje voeder strooien, meer niet. En Henrick hield zich strikt aan die regels. Ook moest hij zijn viervoeter nog africhten tot kooihond. Er braken drukke en heel erg spannende dagen aan in huize Beertsz. Maar na een dag of tien brak het grote moment aan. Midden in de nacht zei Gaaije tegen hem: ‘Als je niet anders kunt dan met je kont te draaien om te proberen mij uit de bedstee te werken, maakt dan maar gauw dat je weg komt naar de kooi’! Henrick stond gelijk buiten de stee en schoot beide benen in de broek. Even later wandelden, nou ja... wandelen, stapte de kooiker en ‘kooitje’, zo had hij z’n hondje inmiddels genoemd, samen naar de kooi. Heel traag, behoedzaam en sluipend naderden ze de plaats. Voorzichtig dreven ze de eenden voor zich uit naar de vangkorf en sloten deze af. Nu wachten tot het schemerig wordt...... en wat zagen ze toen....; Kooiker en ‘Kooitje keken elkaar aan. “Alleen maar de eigen tamme eenden. Zwaar teleurgesteld kuierden ze terug naar hun huisje waar hij maar begon aan zijn dagelijkse werkzaamheden.

 

 Enkele dagen later, op een prachtige mooie late herfstavond, met een feeëriek, oranje/rood ondergaande zon, verscheen er naast die zon een kleurrijk schakerende ‘bijzon’ aan de westelijke avond hemel. Prachtig, net een pauwenoog.Talloze groepen trekganzen in V-formatie doorkliefden gakkelend het luchtruim. Hij wist niet of het ‘oog van Diana’, de god van de jacht, hem of de ganzen nu bespiedde, of zo’n namaak zon nu een gunstige of ongunstige periode afspiegelde, het bleef een onbeantwoorde vraag. De kleuren waren heel indrukwekkend en een enkele keer hechte hij toch een beetje waarde aan zulke indringende natuurverschijnselen aan de hemel. Of het nu voor- of tegenspoed betekende bleef voor hem vooralsnog een verrassing. Hij hoopte op goede tijden. Henrick’s ogen waren  niet van de hemel te houden. Grote groepen ganzen, nog steeds de V van voorspoed vormend, trokken al kwetterend en gakkelend over zijn hoofd. De verenpracht glansde diep stralend in het romantische licht van zon en bijzon.Hier en daar ontdekte hij ook een groepje wilde eenden. Al met al een zeldzaam schouwspel wat een enorme indruk bij hem achterliet. Toen de schemering plaats maakte voor de duisternis hoorde hij nog het uitstervende geluid van een spaarzaam groepje.

 

Samen met ‘kooitje’ stapte hij de volgende ochtend naar de kooi. Eens zien of er nog bezoekers zijn. Spiedend door de gluurreten ontdekt hij meer dan drie zwarte schaduwgestalten, althans dat praatte hij zichzelf aan. Met bonzend hart en knikkende knieën sloot hij de kooi af. En daarna ontdekte hij in het spaarzame licht van wat er uit het Oosten daagde van alles behalve eenden. Zelfs zijn eigen lokkers schenen te zijn verdwenen. Daar begrijp ik niks van. Ik dacht dat ik zo-even verschillende silhouetten had gezien. Toen ontdekte hij verscholen en angstig piepend, op een kluitje gedreven, zijn lieve lokkertjes in een uithoekje op een stukje wal. ‘Wat is er aan de hand jongens?, ik was al bang dat ze jullie hadden weggepikt, maar gelukkig jullie zijn er allemaal nog, kom maar gauw wat eten!.’ Teleurgesteld opende hij de kooi weer. En toen zag hij, verscholen achter wat aangebrachte ruigte een paar grote zwarte koppen met daaraan een gele snavel. Instinctief sloot hij de kooi. Het lijken wel schaduwen van ganzen en toen hij nog eens extra de situatie bekeek zwommen er inderdaad vier wilde ganzen. Samen met ‘kooitje’ was het nu een koud kunstje om ze te pakken en zelfs deze deed zijn werk alsof hij het al jaren gedaan had. Even later stapte de ‘visboer’ met zijn buit naar huis. Als een kleine jongen zo blij. Trots toonde hij Gaaije en enkele van zijn kinderen de ganzen en vervolgens werd er èèn panklaar gemaakt. Wat hebben ze die middag samen gesmuld. Eenden, fazanten en ander gevogelte kwam vrij geregeld op tafel, maar een gans en nog wel èèn uit eigen kooi dat was nog nooit eerder gebeurd. Aan de meeste boutjes hingen nog flodderige stoppeltjes en wat veertjes, maar dat hinderde niemand, die gleden wel mee naar binnen. Het slachten en braden moest ook allemaal zo snel gebeuren.

 

 De eendenkooi werkte steeds voortreffelijker en de opbrengst was meer dan voldoende. Ja, hij kon zelfs al wat wild te gelde maken. En dat kwam heel goed uit want een zakcentje erbij kon hij wel gebruiken.

 

 Het stropen van vis werd eerst helemaal naar de achtergrond verdrongen en dreigde in de vergeethoek te raken. Maar toen het leven zijn normale ritme had terug gevonden en de omwonenden aan zijn dagelijkse gang naar de kooi gewend waren kwamen de verzonken plannen langzaam weer bovendrijven. Inmiddels had Henrick bij de kuiper een juk en een paar houten emmers laten maken. Dat kon hij zich financieel nu veroorloven en dat kwam hem goed van pas. Heen, stopte hij er lokaas in en terug meestal gevogelte en niet dikwijls moest hij nog een  tweede keer gaan om de dagelijkse vangst op te halen. Natuurlijk was zijn omvangrijke buit niet aan de buurt voorbij gegaan en ook de wijde omgeving praatte over zijn kooi succes. En zoals dikwijls, als iemand het goed gaat, stak hier en daar jaloersheid de kop op. Hij was dan ook beducht voor tegenwerking en zoete wraak.

 

Op een dag ontmoette hij Grijdanys, een vooraanstaand bestuurder van de Marke Campervenne. Grijdanys was benieuwd hoe hij het maakte na de storm van protesten en verwensingen die over hem heen waren gewaaid omdat hij ook voorstander was om het visrecht van de Enck te verpachten. De boze bui van Henrick was enigszins weggetrokken en ze konden weer behoorlijk samen praten zonder al te grote haatgevoelens. Maar dat gold lang niet voor alle bewoners rondom de Enck. Grijdanys  had nogal wat vijanden gemaakt en overgehouden en dat zat hem lang niet makkelijk. Velen passeerden hem zonder te groeten, ja menigeen spuwde zelfs een vieze klodder op de grond bij zijn passage. Gelukkig bleek al spoedig dat hij met Henrick weer kon praten en dat luchtte zijn hart behoorlijk. Na een oppervlakkig  gesprek over geiten, konijnen en het weer duurde het niet lang of hij begon over zijn oogappeltje, de eendenkooi. Daar zat Henrick vol van en iedereen die bereid was om maar even te luisteren vertelde hij uitgebreide jacht taferelen. Grijdanys luisterde aandachtig. Stelde zo nu en dan een kort vraagje en liet Henrick maar kletsen. Tot slot antwoordde hij, en zei luid en helder: ‘Luister eens goed naar mij Henrick‘! Deze begreep direct dat hij wat onder zijn pet verborgen hield. Hij merkte dat op aan de toon waarmee Grijdanys het zei. Hij deed een stap naar voren en ging met gespreide benen vlak voor hem staan. Tergend langzaam gingen zijn ellebogen omhoog en zijn handen in de zij. Zijn ogen priemden diep in de pupillen van Grijdanys. Hij dacht bij zichzelf; als hij mij gaat vertellen dat de jacht inmiddels ook aan een ander is verhuurt, net als het visrecht, dan timmer ik hem ter plekke in elkaar. Grijdanys schrok eerst niet weinig, want op zo’n reactie had hij niet gerekend. “Als je verstandig bent, Beertzs, dan volg je mijn advies op en dan dien je nu een verzoek in bij het Marke-bestuur voor toestemming om te mogen jagen op de Enck., zoals je dat nu doet. Want waarschijnlijk wordt de jacht over èèn of twee jaar ook verpacht en dan grijp jij er naast. Ik kan niet zeggen of je er ook iets voor betalen moet of niet, maar als jij het recht eenmaal hebt verworven dan ben je vrijwel zeker dat ze het je niet meer af kunnen nemen. En ......... je kunt van mij aannemen dat ik een goed woord voor je zal doen’. ”Beschaamd boog Beertsz tergend langzaam het hoofd naar de grond, trok zijn benen weer naast elkaar en zijn stramme houding veranderde in een slappe. Nadat hij zich een kwartslag had gedraaid, stotterde hij, na een korte en spannende stilte, heel timide: ‘Maar....ik...ik......kan...niet..........schrijven, Grijdanys’! ‘Dat is niet erg, ik maak wel een verzoekje voor je’! ‘Als je dat voor mij wilt doen dan is mijn dank heel groot’. Na een groet, gevolgd door een ferme mannen handdruk gingen ze uit elkaar. Die Grijdanys heeft toch wel een goed verstand en een vooruitziende blik. Ik hoop dat het hem lukt dan kan ik tenminste rustig blijven jagen. Thuis vertelde hij over de ontmoeting met Grijdanys en Gaaije zijn vrouw, was ook opgelucht. Want de afgelopen periode was niet altijd even gemakkelijk geweest.

 

Na enkele maanden met drukke jachttaferelen verschenen de eerste voorjaars verschijnselen. De eenden begonnen te koppelen en trokken weg om te nestelen. Met de jacht was het eigenlijk gebeurt. Henrick begon weer aan zijn visstroperij te denken. Maar in het voorjaar was het met vissen ook minder, want die beginnen over een paar maanden ook kuit te schieten en dan is ze niet lekker van smaak en ook hun vet is ingeteerd. Zou het wel verstandig zijn om er nog mee te beginnen. Als ze mij snappen met stropen ontnemen ze mij de jacht ook nog en dan ben ik veel verder van huis. Maar de spanning en het avontuur trok hem wel heel erg. Het bloed wat hij had meegekregen had iets met het vangen van vissen te maken.Ik kan best eens een keer een netje uitzetten en eens kijken of er vis zit. Per slot had hij al zijn netten nog werkloos in de schuur hangen en ze begonnen al aardig uit te drogen. Een enkele keer gebruikte hij er èèn in zijn eigen kolkje wat naast zijn huisje lag. Maar dat loonde zelden. Het was een afgesloten kolk, een z.g. dode plas, die geen open verbinding had met het overige water en die paar visjes die er in kwamen tijdens een overstroming had hij er dikwijls zo weer uitgevist. En daarom werd het hoog tijd om de netten weer eens wat nat te maken. Op een late avond toen het al donker was nam hij een paar netten mee naar de kooi. ‘Ik verstop ze eerst even onder wat strooisel want het is nou te duister om ze nog te zetten’, mompelde hij. Een paar dagen later ging hij op normale tijd met ‘kooitje’ naar de kooi. Ik ga toch de fuiken maar eens zetten om eens te zien of er ook vis te vangen is. De netten pasten precies op de plaatsen zoals hij ze er voor gebouwd had. Ziezo en nu maar weer wachten tot morgen of overmorgen. Omdat er vrijwel geen eenden meer te vangen waren en hij thuis voldoende andere werkzaamheden voorhanden had, wachtte hij een paar dagen om te gaan kijken. Toen hij de fuiken lichtte blonk de vis hem tegen. ‘Haha, toch vis..., v-e-e-e-l vis, maar allemaal klein spul, daar kan ik niks mee. Een halve emmer vol spelde visjes, ook nog niet èèn behoorlijk visje, alleen geschikt voor de kat. ‘Wat moet ik daar nou mee’. Hij pakte de emmer op en kieperde die nonchalant zodat alle visjes weer weg konden zwemmen. Gelijktijdig stormden de drie lokkers met klapperende vleugels en trappelende pootjes naar de plek en grepen met hun snavel zoveel visjes als ze te pakken konden krijgen. Stom verwonderd stond Henrick naar het schouwspel te kijken. En zoals gewoonlijk dacht hij direct wat dieper over zo’n verschijnsel na. Dat is prachtig en goedkoop eendenvoer, realiseerde hij zich. En veel nuttiger dan als ik ze terug gooi, want dan stimuleer ik het visbestand voor de nieuwe pachter van de Enck........., grijnsde hij . Vervolgens zette hij de fuiken weer en ging huiswaarts. Enkele dagen later ging hij de fuiken weer legen en ook ditmaal waren ze weer behoorlijk gevuld met kleine visjes. Hij leegde ze in de beide emmers en graaide er eens met gespreide vingers door. Van allerlei soorten ontdekte hij, zoals zeelt, baars, blei en kleine snoekjes. Als ik nou eens een soort voerplek maak waarop ik de vissen kan leggen dan kunnen de eenden ze rustig verorberen. Dan bewaar ik de helft in een net tot morgen, dan hebben ze dan ook wat. En zo gebeurde het. Maar Beertsz was Beertsz niet als hij niet probeerde het rendement wat op te voeren. En zo droomde hij die nacht een typische Beertsz droom. Hij zag zichzelf met een juk met twee emmers vol kleine visjes, die hij vervolgens losliet zwemmen in zijn eigen kolkje, dat hij een paar jaar later er enorme karpers uitviste van tientallen Camperveense ponden. Toen hij thuis kwam  met een kanjer die bijna niet te dragen was en deze aan Gaaije en de kinderen wilde laten zien; schrok hij verschrikt en nat van het zweet wakker.....met de punt van het laken veegde hij ze’n voorhoofd droog. Vervolgens legde hij zich op de andere zij en sliep weldra weer in. De volgende ochtend analyseerde hij zijn droom. ‘Zou er een kern van waarheid in kunnen zitten,.......!   dromen zijn immers toch bedrog! Toch piekerde hij er over verder. Als ik nu eens een paar vissoorten selecteer die bij elkaar passen en die in stilstaand water goed gedijen....., het is te proberen met bijvoorbeeld zeelt en karper, twee diep zwemmende vissen maar daardoor wel moeilijk terug te vangen zijn. Na enkele dagen bijzonder slecht weer met veel regen en storm gepaard gaande met een vrij hoge waterstand ging hij naar de kooi om een poolshoogte te nemen. Gelukkig constateerde hij vrijwel geen schade. Routinematig lichte hij de fuiken. Wat is dat nou?, geen enkel blinkend visje maar het hele net kleurde zwart van ingespoeld modderveen. Maar....... bagger die leefde en door elkaar wriemelde had hij nog nimmer gezien, hij keek nog eens goed: ‘het lijkt wel aal...?, allemaal aal’! Sprakeloos staarde hij naar de op de kant getrokken fuik. Eerst de andere fuik ook maar eens lichten, en...., van het zelfde wolletje een jas. Wat steekt die natuur toch eigenzinnig in elkaar. Alles loopt anders dan je verwacht. Mijmerend zat hij op de bodem van een omgedraaide emmer naar de volle fuiken te turen. Hoe pak ik dit nou weer aan? Twee emmers vol paling. Hoe bewaar ik die? Roken, maar hoe en zonder dat het anderen opvalt. Ik zou het hier kunnen doen maar dan moet er een gelegenheid voor gemaakt worden. Maar dan kan ik ze Gaaije niet laten zien en ik heb haar beloofd dat ik voor- en tegenspoed met haar zou delen. Voorzichtig stond hij op en leegde de fuiken stuk voor stuk in de emmers. Bijna twee emmers vol. Wat een vangst. Henrick deed het juk over zijn schouders en bevestigde met gebogen rug de haken van de ketting aan de hengsels van de emmers. Toen strekte hij zijn rug en stond hij rechtop. Dat wordt een pittig ‘dragtje’. Maar fluitend en blij als een kind begon hij aan de thuisreis.Wat zullen ze thuis raar staan kijken als ze dit zien. Nog maar enkele passen op weg ontdekte hij een kerel achter zijn huis die op hem stond te wachten. Lijkbleek trok zijn gezicht weg en zijn evenwicht wankelde. Zijn gedachten waren gelijk die wriemelende massa aal in zij emmer. Als die kerel dat ziet, al die paling, dan weet zo de hele buurt het en is het met mijn stiekeme visserij gebeurd. Ongekend diep peinsde hij over het ontstane probleem maar wandelde gelijk verder, want nu terug gaan wekte ook argwaan. Nog een pas of twaalf dan is hij bij de grote vlierstruik en daar laat ik het juk met de emmers staan. Hij keek nog eens op en tuurde met gefronste wenkbrauwen. Toen zag hij tot zijn grote schrik: ‘dat is Grijdanys’. Met knikkende knieën naderde hij de struik en toen hij uit het gezichtsveld verdween, kieperde hij instinctief de emmers om. Hij voelde de honderden palingen langs zijn benen glibberen om krioelend in het gras te verdwijnen. Versuft stak hij zijn hoofd omhoog en stapte fluitend met juk en lege emmers om de schouder achter de vlierstruik vandaan richting Grijdanys. Natuurlijk is er niks aan de hand, zo praatte hij in hemzelf. Grijdanys had er niets van gemerkt en begroette hem joviaal. ‘Hoe is het met de eendenjacht, lukt het een beetje?’ ‘Nou het seizoen is eigenlijk voorbij, de eenden hebben eieren en sommige al kuikens. We moeten wachten tot die weer volwassen zijn. Maar de lokkers krijgen nog dagelijks een beetje voer’. Was het antwoord van Beertsz.  ‘Ik heb een brief voor je van het Markebestuur’,  zei Grijdanys. O, zei Beertsz. Grijdanys pakte hem voorzichtig en heel gewichtig onder zijn boezeroen vandaan en overhandigde hem sierlijk aan Henrick Beertsz. ‘Maakt hem maar open en lees maar wat er in staat’. ‘Dat is makkelijk gezegd’, mompelde Henrick binnensmonds, maar ik kan niet zo goed lezen. Kun je me niet vertellen wat er in staat? Nou zei Grijdanys je moet hem eigenlijk zelf lezen want anders kan ik jou van alles op de mouw spelden, maar goed ik zal het jou dan maar vertellen. Wij als Marke bestuur hebben besloten dat jij rustig verder kunt gaan met de jacht en dat jij daar alle rechten hebt op de plek waar nu de kooi staat. Maar daar staat ook een voorwaarde in en die luidt dat je niet meerdere vangkooien mag plaatsen. Prachtig, dus ik mag op die plaats blijven vangen op wilde eenden. Juist, zo is het. Loop even mee naar binnen dan kan ik dat Gaaije ook vertellen. Even later zaten ze gedrieën rondom de houten tafel. ‘Waar kan ik je een dienst mee doen’, zei hij: Een paar eenden, een sigaar of een pak pruimtabak. Als het niet een te grote aanslag op je geldbuidel is geef ik de voorkeur aan een goede pruim. En aldus gebeurde. Na gezellig wat koffie te hebben gedronken verliet een uurtje later Grijdanys de kamer met onder zijn arm een pak kauwtabak. ‘Dat is weer een morgen met heel veel hoge bobbels en diepe gaten’! Bromde Henrick en vervolgens vertelde hij Gaaije het verhaal met de volle emmers aal. Deze pieste  bijna op de biezen van haar stoel van het lachen en zei: ‘die beestjes hadden daar even meer geluk dan jij, die kruipen nu al lang weer richting kooi en misschien zien jullie elkaar morgen wel weer terug. Henrick bootste een knorrend varken na als antwoord op zo’n stomme redenatie en verdween door de deur naar buiten.

 

De eerst volgende periode verliep naar behoren redelijk rustig. Er werd veel wild gevangen en ook zo nu en dan haalde hij wat visjes en aal boven water. Ook voerde hij zijn lokkers nogal rijkelijk visjes. Het goedkoopste maaltijdje wat hij ze aan kon bieden en de eenden beloonden dat om met gehoorzaamheid de hen opgedragen werkzaamheden met veel verve te vervullen.Maar toen er zo  langzamerhand steeds minder wilde eenden zijn kooi bezochten en de vangst ook niet meer was als voorheen, begon hij zich af te vragen: ‘Wat doe ik nou dan weer verkeerd’. Er vliegen wel veel eenden rond maar niet in de buurt van de kooi. Tot hij op een keer, tot zijn grote verbazing ontdekte, nadat hij weer vis had uitgestrooid voor zijn lokkers, er vanuit de boomtoppen in de omgeving een aantal grote roofvogels in de kooi neer streken. Die hadden natuurlijk ook gezien dat daar gratis visjes waren te halen. En toen kreeg hij ook door waarom de eenden weg bleven. Henrick praatte zich zelf aan om de kleine visjes toch maar mee te nemen en ze in zijn eigen kolkje te poten. Hij had nu een sterk argument en kon aan iedereen duidelijk maken waarom hij dat deed, namelijk dat die vis op zijn eendenvoer afkwam en dat die weer roofvogels aantrokken met het gevolg dat ze alle eenden verjoegen. Dat het allemaal niets met visstroperij te maken had.

 

De vis in de kolk gedijde goed en groeide snel.Het duurde niet lang of hij moest de grootste er weer uit vissen omdat anders zijn kolkje overbevolkt raakte. Al met al maakte Beertsz een bloeiende tijd door. Wel kreeg hij te kampen met afzet problemen. Al die jachtprooi moest ergens naar toe en ook de grotere vissen moesten opgegeten worden. De bewoners van de buurschap de Roskam waren alle al overvoerd. Hij besloot dan ook om zo nu en dan een vrachtje in Campen uit te venten en ook dat vlotte wonderwel naar zijn zin. Zijn oudste zoon begon hem inmiddels ook al een beetje te helpen en die had ook jagers bloed net als hij. En daar had hij behoorlijk gemak van.Maar die herfst en winter was de vangst zo overvloedig dat zij onmogelijk daarnaast ook nog tijd kon vinden om alles uitventen. Gaaije was daar ook geen type voor. Een tijdje geleden was er al eens een kerel bij hem geweest die wou alle vangst wel opkopen. Dan had hij er helemaal geen werk meer mee. Maar dat leek hem ook niet alles, op zakelijk gebied was hij een beetje achterdochtig, zijn vertrouwen in zijn medemens was niet torenhoog. Hij verkocht het liefst zijn eigen nering. De winst moet gedeeld worden en als je samen handelt dan verdient de tegenpartij ogenschijnlijk altijd meer en dat wekt de nodige wrevel; zo had  zijn vader hem van jongsaf geleerd. Je eigen boontjes doppen want dan vallen ze allemaal in je eigen pannetje. ..........Maar daar staat lijnrecht tegenover: ‘wie het onderste uit die pan wil hebben....’

 

Op een prachtige herfstmiddag kluste hij een beetje bij de kooi en na een tijdje verscheen er aan de overzijde van de Enck een roeiboot. Het leek wel of die recht op hem aan roeide. Hij kon de riemen steeds beter horen knerpen. En ja hoor heel voorzichtig kwam hij dichterbij drijven. Toen deze op roepafstand was gekomen riep hij luidt: ‘Mag ik ook even bij je aanleggen om het een en ander te bepraten’? Henrick vond dat niet echt leuk want pottenkijkers kon hij er beslist niet gebruiken. Zijn antwoord was dan ook kort en bondig: ‘roei maar naar mijn huis’. Later ontmoetten ze elkaar daar. Het beek een oude visser van de Enck uit Campen te zijn die na de verpachting ook geen viswater meer had en nu daghuurde aan de Ysalakade in Campen. Maar tot de dag van vandaag voelde hij dat als een aanslag op zijn vrije leven. Hij moest zijn gezinnetje wel onderhouden, maar anders volgde hij instinctief het avontuur. Maar dat bevrachten en lossen van boten was zwaar stukswerk en viel lang niet altijd mee, bovendien was er lang niet altijd werk. Hij had Beertsz ook al eens in Campen langs de deuren zien venten. Toen deze laatst eens een keer bij zijn vrouw aanklopte om een paar eentjes te verkopen had zij maar enkele duiten meer in de buidel gehad, net genoeg om het aller kleinste vogeltje te betalen. Uiteindelijk had Henrick het zo met haar vandoen dat hij haar uit weemoed de grootste eend had gegeven. Per slot van rekening was het geluk een beetje met hem. Bij de ‘Potvis’ thuis, zo was zijn bijnaam, was tijdens het verorberen van het wildbraad over dit voorval gepraat en toen zijn vrouw vertelde hoe die man er zo’n beetje uitzag verklaarde deze  ; dat moet haast Beertsz van de Roskam zijn geweest. Henrick kende hem ook wel van vroeger toen ze elkaar wel eens tegen kwamen op de Enck en elkaar probeerden de mooiste visstekjes te ontfutselen. Dat verliep lang niet altijd even vredig. Henrick trok wat extra blauwe rook uit zijn pijp en spuwde het tabakssap wel drie pas van zich af, juist langs de broekspijp van de Potvis, als teken dat hij op zijn hoede was.  ‘Ik wou eens vragen of jij nog niet wat karweitjes voor mij hebt te doen voor een beetje wild’, zei de ‘Potvis’. Henrick kon eigenlijk helemaal geen ‘vreemdelingen’ op zijn erfje gebruiken en daarom kwam hij erg stug en terug houdend over. Toen hij naar een gepast en pittig geformuleerd antwoord zocht, om die brutale Potvis van zich af te schudden, herinnerde hij zich nog heel goed die ene avond dat hij moedeloos en gebroken op die boomkont zat te piekeren. Zelfs Gaaije was toen niet instaat geweest om hem tot rede te brengen. Misschien is dat de Potvis ook wel overkomen en heeft hij de problemen nog steeds niet verwonnen.Langzaam veranderde zijn houding. Na een stotterend begin ontstond er een normaal gesprek en uiteindelijk werden ze het er over eens dat hij eenmaal per week wat hand en spandiensten mocht komen verrichten.  En zo gebeurde het. Het duurde daarna niet zo heel lang of hij nam wat overtollig gevogelte mee naar de stad en verkocht die aan zijn buren, vrienden en kennissen. En de volgende week als hij terug kwam, voelde de de Potvis in zijn vestzakje en telde hij duit voor duit uit op de tafel van Gaaije. Henrick gaf hem voor elke 10 duiten die hij uittelde er èèntje terug. Dat vond de Potvis een geweldige beloning. Daar kon hij zijn gezinnetje mee aan het eten houden. Hij deed daarom zijn uiterste best en zijn handel breidde gestaag verder uit. Na verloop van tijd werd zijn omzet zo groot dat hij al het overtollige wild meenam naar Campen en het daar uitventte. Dat liep allemaal erg voorspoedig zelfs de  Potvis kreeg de smaak er van te pakken. Toen de vangsten in de herfst dermate groot werden kon hij het gevogelte in het wekelijkse reisje bij lange na niet meenemen. Toen werd er tussen die twee de volgende afspraak gemaakt. Als er zoveel werd gevangen dat het de moeite van het ophalen loonde, kreeg hij een tussentijds seintje. Dan plaatste Henrick een zogenaamde skiw tegen de schuur. Dat was in hun geval een rood boyen hemd op een lange stok, die rechtop tegen de schuur werd gezet. Zo kon de Potterd aan de andere kant van de Enck, vanaf de Zwartendijk zien of hij moest komen met de boot. Stond er geen rood skiw dan was er niet of onvoldoende gevangen en hoefde hij geen vergeefse reis te maken. En zo ontwikkelde het spulletje van Henrick Beertsz zich tot een fluorescerend bedrijf. Zo geleidelijk aan verhandelde de Potvis ook de gevangen vis en paling. Maar het grote geheim van Henrick Beertsz, de clandestiene visplaats in ‘zijn’ kooi, is nimmer ontdekt en zal ook niemand ooit aan de weet komen.