Kamperveen

  Eeuwige strijd met het water.

 

 

Moet nog aangevuld worden.

 

 

Vanaf de tijd dat de eerste pioniers hun klompschoenen plaatsten binnen het grensgebied van wat nu Campervenne heet moest er onafgebroken een zware strijd geleverd worden tegen de natuurlijke elementen, als water en wind. Deze onbarmhartige en niets ontziende vijand heeft de Venneluu eeuwen lang uitzonderlijk zwaar beproefd. Torenhoog was de stapel aan mensenleven die deze erfvijand heeft opgeëist. Vele eeuwen hebben de inheemsen met dit ruilmiddel de schuld aan de natuur moeten aflossen. Hoewel de jaarlijkse offers mondjesmaat minder werden duurde het tot de twintigste eeuw voordat er opgelucht kon worden geademd. Het keerpunt bracht eigenlijk de aanleg van de Afsluitdijk.

 

Enerzijds was daar de alsmaar uitdijende Zuiderzee.Opgehitst door zware N.W.-stormen, overspoelde haar water de lage veenlanden. Deze striemende zweepslagen geselden ook Campervenne en hun inheemse bewoners. Het gebeurde niet zelden dat alle tot dan gemaakte vorderingen in enkele uren werden weggevaagd. Ook kolkende overstromingen vanuit de rivier de Ysala brachten de nodige overlast met zich mee. De aanloop periode der bewoners kenmerkte zich door vallen en opstaan. Zij die vielen waren verre in de meerderheid boven degenen die weer opkrabbelden.

 

Omstreeks de tijd dat de bewoning vorm kreeg lag het “Venne-moeras” nog redelijk hoog boven het niveau van de waterspiegel van Noord- en Zuiderzee. In de voorbije eeuwen, na het begin van onze jaartelling, is het  waterpeil behoorlijk gestegen. Het gemiddelde lag meerdere meters beneden de hoogste zandruggen en heuvels. Het niveau verschil tussen moerasachtige waterpartijen en de bruikbare landerijen was nog tamelijk groot. Mede door het vrij hoge verval was de stroomsnelheid van het rivierwater dusdanig sterk dat bij overvloedige regenval het water zich kolkend een weg baande door de stroomgeulen en zelden bleef dit dan ook binnen de perken.

 

Ook de afstand tot de kustlijn van de in ontwikkeling zijnde Suydersee was nog redelijk groot. Die had bij lange na nog niet de latere omvang. Alleen bij uitzonderlijke stormvloeden beïnvloedde zij Campervenne. Het gevaar kwam in het begin veel meer van de IJssel, die alles wat binnen haar delta gebied gelegen was nogal eens overspoelde.

 

 

Men schreef: “Den gansen lant sijde sij so laag dat sij ten allen tijde met Ysala-water kan overvloeien”.

 

 

De laagvlakten van Campervenne kwamen gemiddeld twee keer per jaar onderwater te staan. Vrijwel altijd tussen herfst en voorjaar maar een enkele keer gebeurde het ook in de zomer. Daar tussen door moest er geweid en geoogst worden. Geen geringe opgave. De herfst en winter waren het schrikbeeld van vele bewoners. Een groot deel van de kampen weiland werd dan ook vanuit elders bewerkt. Menigeen bewoonde de rand van de nog hoger gelegen Veluwe en hadden een perceeltje op Campervenne. Maar de rasechte pionier; nee, die wilden daarvan niets weten.

 

Ontelbaar vele overstromingen hebben Campervenne in de loop der eeuwen geteisterd. Ook  daarmee leerde men omgaan. De thienden die men aan de natuur moest betalen stonden in geen verhouding met de vrijheden die ze van de Bisschop genoten. Onvoorstelbaar grote schades moesten er geïncasseerd worden. Een niet te bevatten aantal aan mensen en dierenlevens werd opgeofferd. Geruïneerd van hun schamele have en goed stroopten de overlevenden de mouwen weer op. Zo’n barboze uithaal der natuur duurde dikwijls slechts kort. En alsof deze berouw toonde liepen de zilte tranen uit over de restanten wat voorheen des mensen was. Weldra weer gevolgd door de veel goud belovende zonnestralen die alle ‘toegepaste correcties’ nog eens extra accentueerden. Ten aanschouwe van deze zoet zure glimlach hervatte men dan de werkzaamheden. Puin ruimen kende men nog niet, laat staan een rampenfonds. Het werkplan werd gemaakt naar de situatie ter plekke zoals die er bijlag nadat de erfvijanden hun biezen hadden gepakt. Immers de menselijke taak  speelde maar een ondergeschikte rol, hoewel deze de opdracht had de aarde te bebouwen. Men diende zich maar te voegen binnen de regels en wetten der onverbiddelijke natuur. Men pionierde weer instinctief verder aan land en landerijen zoals die door de ruwe stormen werden achter gelaten.

 

 

Met steun van het Bisdom begon men met het indijken van kleine perceeltjes grond. Wat later ging men grotere gebieden “inpolderen”. Zo creëerde men een omdijkt poldertje genaamd “Het binnensteland” (nu Binnenland). Dat is het gebied wat omsloten werd door de Noorwendigedijk, De Leidijk en de Winterdijk, die later Hoogeweg werd genoemd. Deze simpele verhoging van pakweg twee a drie voet gaf in de praktijk eigenlijk geen enkele bescherming. Toch werden er de eerste “boerderijen” aan en op gebouwd. Zover is na te gaan stonden de meeste ervan even ten Noorden van de Leidijk. Men zocht de door de natuur gevormde en redelijk dragende hoogten op. Daarop werden hun onderkomens gebouwd. Het aanleggen van kunstmatige terpen vond pas veel later plaats. Binnen dit zogenaamde Binnenland lagen reeds kleine en kleinere woonconcentraties summier beschermd door ringvormige kaden.Iedere nederzetting lag binnen een soort eigen poldertje. Een zelf gelegd ringdijkje. De oorsprong van zo’n kolonie bestond veelal uit bloed verwanten. Het huidige binnenland is dan ook het langst in cultuur.

 

 

Zo’n 25 jaar nadat Campervenne uitverkoren was door enkele Noordelingen om daar pioniers werk te gaan verrichten met als doel er een bestaan op te bouwen raasde een verschrikkelijke stormvloed over de nog vrijwel geheel aan de natuur geëigende gebieden van het nog in de wieg liggende Campervenne. Deze zogenaamde St. Nicolaysvloed kreeg de twijfelachtige eer dat zij de Suydersee voltooide. Dat gebeurde in 1196 en het scheelde maar een haar of Campervenne  werd ook door het water opgeslokt en toegevoegd aan de Suydersee. Toen het water was weggeëbd stak Campervenne triomfantelijk haar hoofd boven water. Even voor de afpaling van Campervenne werd de landhonger der zee gestild. Men zag wel in dat zonder drastische maatregelen het een onhoudbare situatie werd. Met behulp van buitenaf werden de dijken versterkt en aangepast. Direct daarop gevolgd door het aanleggen van rechte watergraven, z.g. sloten. Een gigantisch karwei wat tientallen jaren in beslag heeft genomen. Door dit zogenaamde ‘lantslaen’ ontstonden er stroken land die ‘slaghen’ werden genoemd. Deze werden onderverdeeld met dwars er op lopende sloten en zo ontstonden er diverse campen.

 

 Ongeveer honderd jaar later, in 1288 werd er weer een uitzonderlijke vloed beschreven. Onderstaand gedicht was ook van toepassing op de luyden van het Venne.

 

“Doe ghevielt also zint.

 

Dat op de zestiende kalend

 

Van loumaent (7 dec.) God doe sende

 

Ene vloet also groot

 

Daer vele volx in bleef. Doot.”

 

 

(Dat gebeurde alzo toen

 

dat op de zestiende kalender

 

Van de louwmaand God doet zenden

 

een vloed zo groot

 

Daar heel veel volk in bleef. Dood.)

 

 

Aangemoedigd door de veroorzaakte schade en ook door een beter ontsluiting over land  met het Veluwse hoogland besloot de marke Campen een beschermende kade aan te leggen met op de kruin een wagenpad. In die tijd de IJsseldijk genoemd. Later genoemd de Venedijk, vernoemd naar de toenmalige dijkgraaf Evert van de Vene. Dat was even voor 1300.

 

Een zeer zware orkaan raasde op 16 januari 1326 over ons land. Het opgezweepte water van de Suydersee kolkte over Campervenne. Deze vloed genoemd naar Marcellus, eiste een zeer zware tol. Men zag, zoals men alzo dikwijls had ondervonden, dat tegen zulk een geweld geen kruid gewassen was. Machteloos stond men met de handen in de zij. Hoog opgezweepte gedachten inspireerden tot een vooroverhangend hoofd. Toch kwam er, ongevraagd door de Campervenners, bevel van hogerhand dat de waterkeringen hersteld en zonodig vernieuwd moesten worden. Constant bleef, gedurende een lange periode een grote groep leenmannen bezig met deze polderwerken. Het was het keerpunt in onderhoud en vernieuwing van de bedijking.

 

Door al deze stormvloeden stonden de landerijen lange tijd onder water. Het door het water meegevoerde slib bezonk en zette zich af op de vele veenlagen.Na iedere overstroming werd deze kleilaag aangevuld en zo ontstond er na vele jaren een vruchtbare kleilaag bovenop het laagveen.

 

In 1347, toen een naamloos stormpje rondom de Enck enkele dijkwaden (doorbraken) had veroorzaakt kreeg men van enkele Camper bestuurders de opdracht deze zo snel mogelijk te dichten. De benodigde aarde die zij eventueel nodig hadden kon genomen worden uit het Oendingerbroek. (Oene) Leuk vonden de Campervenner mannen deze opdracht niet. Maar Campen liet nog steeds haar gezag gelden. Menig Campenaar kocht leenrechten op erven en landerijen in Campervenne en als zodanig hadden ze steeds grotere belangen in zo min mogelijke oogst dervingen. Dat bracht met zich dat wateroverlast tot een minimum beperkt moest blijven. In 1400 werd er een overeenkomst gesloten dat de Vennelude er voor moesten zorgen dat hun beleende land zoveel mogelijk gevrijwaard moest worden tegen wateroverlast.

 

In 1418 stonden enige Camper ingezetenen erfelijke rechten af aan de algemene erfgenamen van Campervenne die ten Suyden van de Naelde woonden en daar enkele ackers land beleenden. Ook delen van de Enck tussen de Winterdijk (Hogeweg) en de weteringhe die bij den Swartendijk loopt beleende men aan plaatselijke veenluden. Maar natuurlijk moest daar iets tegenover staan. Campen had belang bij een goede doorgaanden weg richting Elburg. Ook werd tussen partijen overeen gekomen dat Campervenne op stadsland een dijk legde en een afvoerwetering met een sluis. De Naeldeweg moest gemaakt worden van een goeden eerde (aarde) Deze kon men ter plaatse afgraven echter zonder dat iemand daar schade van ondervond. Binnen een tiental jaren waren de Naaldeweg, de Roskamsluis, de Noordwendingerdijk en de Slaperdijk aangelegd. Men dacht zo het lagere deel van Campervenne (het z.g. Buitenland) te beveiligen tegen hoogwater komende vanuit Dronten.

 

In 1421 Sint Elizabetvloed.

 

1446. De Palmvloed.

 

 

In het jaar 1511 is het de IJssel die Campervenne trakteert op een stortvloed van water. Dit alles als gevolg van zeer overvloedige regenval. De slecht onderhouden Veendijk ondervind daarvan de nodige gevolgen. Op een aantal plekken doorwade het water deze dijk en liet een aantal diepe waterkommen

 

(kolken, wielen) achter en zo kwam Campervenne weer open te liggen voor de spuiende riviermonding. Om toch weer beveiligd te zijn tegen IJsselvloeden, legde Evert van der Vene, destijds Dijkgrave en de Heemraden een vrijwel gehele nieuwen Veendijk aan. Om alle ontstane kolken te mijden werd de dijk er omheen gelegd. Het betekende dat op die plaatsen land moest worden aangekocht. Daarvoor kochten ze een strook grond aan van het St.Agnus Klooster te Campen. (Zie previlegien bl 270)

 

 

1570. De Aller Heiligenvloed

 

 

 

 

Schuiten.27 januarij moet er door het bestuur 8 carolus guldens worden betaald voor de twee schuiten met piloten die reddingswerkzaamheden hebben verricht bij hoog water.

 

 

Coeburgch Schans Colck. Het jaar is niet helemaal duidelijk(80)

 

Er wordt een verzoek gedaan om de sluis bij de Coeborgch schans te mogen afdijken en het water door een kanaal te voeren langs de dijk  naar de Enck-dijkluis. De Coeborgch sluize is zo lek als een mandje en de erfgenamen vrezen het ergste bij overvloedig water.  Er komt volgens hen per jaar meer water naar binnen dan er wordt geloosd.