Kamperveen

Romance tussen

“De Heuvels”.

 

 

Toen de kim aan de Oostelijke hemel zich begon af te tekenen tegen het duister van de zwarte nacht, werd de boer van de “Kleine Heuvels” wakker. Vervolgens kroop hij op zijn knieën de bedstede uit en pakte op de tast zijn hoopje kleren dat even verderop op de vloer lag. Terwijl hij zijn ene been in een broekspijp wrong strompelde hij alvast naar de buitendeur. Leunend met de schouder tegen de deurpost en met zijn gezicht het ochtendzwerk in ogenschauw nemende, werkte hij het andere been in de pijp. Toen hij zich zo routine matig bezig was te kleden stond hij even later half aangekleed onder de grote Olm, die met haar enorme bladerkruin hem afdekkend beschermde tegen alle kwaadwilligheid.

 

 

Terwijl hij de, met zeezout doordrenkte, dauwdruppeltjes, diep inademde trok hij zijn boezeroen over zijn hoofd en knoopte dit dicht. Aan de Oostelijke horizon gloorde een lichte gloed, daar waar de zon een nieuwe dag aankondigde. Toen deze ook uit haar nachtelijk verblijf te voorschijn kwam waren er twee die in elkaars ogen keken. De nevelslierten boven de moerasplassen ademden de eerste zonnestralen diep in om vervolgens rust te zoeken in de vorm van dauwdruppeltjes op de diverse waterplanten. Hun weerkaatsing gaf een schakering aan het uitspansel van purper tot scharlaken rood. Deze ontlede lichtstralen, gefilterd door de gouden herfstbladeren, projecteerden een beeld op het netvlies van boer Geertsz, die hem zeer diep ontroerde. “Wat zich nu aan mijn oog voorbij trekt is gelijk aan de laatste bladzijde van het boek der schepping’, mijmerde hij. Maar Geertsz wist wel beter. De natuur van Campervenne heeft meerdere gezichten met uitzonderlijk veel uitersten. Terwijl hij een beetje aan het ochtendromen was, verscheen zijn oudste zoon Flerick.

 

 

 “Morgen!” zeiden ze tegen elkaar. Flerick liep gelijk door naar de dichtstbijzijnde sloot, daar knielde hij eerbiedig neer aan de rand voor de veel belovende dag. Schepte zijn beide holle handen vol water en spoelde kwistig zijn gezicht. Heerlijk, zo de slaperige oogjes te wassen. Een paar verschrikte veentorren die meegeschept waren probeerden zich zo snel mogelijk via zijn schouder uit de voeten te maken. Flerick pakte de onderkant van zijn kiel en droogde daarmee vervolgens zijn gezicht af. Zo, en nu maar gauw iets gaan eten. Geertsz was trots op zijn oudste zoon. Een stevige boy met een helder verstand. Een jager en visser in hart en nieren. Daar kon hij tot hij volwassen was heel veel aan hebben. 

 

 

“Fleerkie “ zei va:  “Gisteravond heb ik ontdekt dat onze oude geit bokkig was en ik wil nog erg graag een paar jonkies van hem hebben. Het is onze beste melkgeit. Zou jij vandaag met hem naar de bok willen gaan?

 

 

Dit verzoek doorkruiste de plannen van “Fleerkie”. Voordat de herfststormen begonnen wou hij nog graag  èèn keertje gaan vissen naar de “zeelten-poel”  en die lag onder de kust van de Zuiderzee en dat was niet naast de deur.

 

 

 “Maar we hebben zelf toch ook een bok” zei hij.

 

 

 “Ja maar dat is haar eigen zoon en dus gaat dat niet. Ik heb er afgelopen zomer al over gesproken met boer Lulofsz van de “Grote Heuvels” en die zei: “Kom maar gerust hoor!”.

 

 

 “Maar die weet ik helemaal niet te wonen, daar ben ik nog nooit geweest” sputterde hij tegen.

 

 

 Je vaart hier de wetering in tot aan de Kikkerkreek dan steek je de plas over tot voorbij de dode iep en dan vaar je de grote kolk op. Dan zie je daar een enorm groot biezenveld en daar loopt ergens een vaargeul, daar ga je in, als je die gepasseerd bent zie je ergens twee hele grote scheve wilgen met daar tussen een aanleg steigertje. Daar leg je de boot aan en vervolgens moet er een kade lopen naar het huis van Lulofsz. Neem de kleine schouw maar mee, die vaart vlotter.

 

 

Flerick dacht bij zichzelf: Daar gaat mijn geplande visdagje, maar dit leek hem toch ook wel een aardige dagvulling, en misschien is er nog wel wat tijd over om een visje te vangen.

 

 

“Neem Polly, de hond, maar mee”, zei va. ”Die kan je op de terugweg helpen om het spoor te vinden.

 

 

Nee, nee, dat doe ik niet, want hij jaagt al het wild weg met zijn gekef.

 

 

Na het inslaan van de benodigde proviand in de vorm van enkele deegkoeken en wat hooi voor de geit, kwam va met ”Sanne” aanstappen. Deze ging gewillig mee de boot in en werd daar met een touw vastgezet aan de voorste boothaak.

 

 

Pa zei: “Hier!, heb je een kwart Bronnupper Nobel als dekgeld, berg die goed op zodat je hem niet kwijtraakt”.

 

 

Flerick stopte hem diep in het onderste puntje van zijn broekzak en drukte zijn blauwe gestipte snuitdoekje er boven op, gaf er toen met de platte hand een ferme klap, aan de buitenkant de zak van zijn broek, boven op. Ziezo die zit veilig opgeborgen.

 

 

Va maakte het touw van de schouw los en gaf deze een ferme duw. Na het uitwisselen van de gebruikelijke groeten dobberde “Fleerkie” met de schouw de wetering op, richting “Grote Heuvels”. Tussen een muur van mistdijken en slierten nevels die boven het water en moeras hingen roeide hij zijn bootje over het spiegelende water. Kleine rimpelgolfjes, die de schouw veroorzaakte, dreven uit naar beide zijden. Bijna onzichtbaar door de nevels, verdwenen ze kruipend door de rietkraag onder de oevers. Een verdwaalde  zonnestraal gaf er een ochtend tintje aan. Even verderop vloog een vroege krijsende reiger op met in zijn bek een visje. Ook zag hij hier en daar al een taling en een meerkoet tussen de plompen drijven. Voor hem allemaal bekende gebeurtenissen. Want de natuur was zijn leerschool. Een zeer brede en dagelijkse opleiding kreeg hij van ongekend vele leermeesters. Hij sprak vele talen; zoals die der vogels, zelfs die van de landdieren verstond hij ook al redelijk goed. Ook het gedrag van de vissen had hij behoorlijk onder de knie. En niet te vergeten de elementen als water, wind en wolken gaven hem veel informatie.

 

 

 Inmiddels was hij de wetering al uit en stak hij de Kikkerplas over richting de dode iep. Toen hij die ook was gepasseerd kwam hij op de grote kolk met aan de overzijde het enorme biezen veld. Zover was hij nog nooit geweest. En nu maar zoeken naar de vaargeul tussen de biezen. Maar hoe zijn oog ook speurde, nergens iets wat daar op wees.

 

 

Het leek wel of een onbekende stem diep in zijn achterhoofd hem influisterde: “Probeer het eens in Oostelijke richting”. Daaraan gaf hij toen maar gehoor. Na een tijdje stopte hij voor een moment met het bomen om toch nog eens goed rond te speuren.

 

 

Hè..., wat is dat daar? Het lijkt wel een drijvende vogel tussen de plompeblaren. Puur uit nieuwsgierigheid duwde hij de schouw in die richting. Ja, warempel het is een slapende zwarte  knobbelzwaan. Hij heeft zijn lange hals plat op zijn rug liggen. Zou de winter dan als zo kort bij zijn? Enkele momenten later ging zijn hals kaarsrecht omhoog, schudde de douwdruppeltjes spetterend naar alle kanten van zijn hoofd en keek speurend rondom zich. Eèn van zijn poten die ook op zijn rug lag liet hij in het water glijden. Gracieus draaide hij een keertje rond, vervolgens nog een rondje en toen kwam de ‘echte’ sierlijke zwanenhals te voorschijn. Hij ‘wees’ een paar keer met zijn oranje snaven richting biezen, alsof hij beduide: ‘daar moet je zijn’. Vervolgens zette hij koers richting biezen om daartussen te verdwijnen.

 

 

Met open mond en grote ogen aanschouwde hij dit tafereeltje. ‘ Zou hij zich gaan verschuilen? Of....of.....zou....hij...een snavelaanwijzing....., nee dat kan ik echt niet geloven’. Toch was zijn nieuwsgierigheid zo groot dat hij er naar toe voer. Warempel, daar zag hij het silhouet van de zwaan, deze zwom tussen de biezen voor hem uit. Het lijkt wel iets op een vaargeultje. Maar de zwaan wachtte niet en was gelijk verdwenen. Flerick ging op het hoogste bankje van de boot staan om eens rondte kijken. ‘Allemaal biezen, biezen en nog eens biezen’.

 

 

Toch besloot hij instinctief deze koers te blijven volgen. Na een tijdje stak hij weer zijn ‘hals’ uit en..... ja hoor! Daar zag hij de volgende plas en ook twee schuine wilgen. Daar moet het zijn. Het duurde niet lang meer of hij arriveerde er. Ja hoor, dat was de aanlegplaats zoals va zei. Hij meerde de boot af,  Sanne  sprong sierlijk de wal op en plukte een vers blaadje. Flerick klom in èèn van de sterk overhellende wilgen. Stond daar even later rechtop in de knot en hield zich staande aan twee stevige rechtop staande takken. Hij keek eens om zich heen en ontwaarde in de verte een bosje hoge bomen met daar tussen een wat hutjes-achtige nederzetting. Dat moeten de ‘Grote Heuvels’ zijn. 

 

 

Impulsief prentte hij de te volgen route over paden, dammen en vlonders in zijn hoofd en liet zich naar beneden glijden, pakte “Sanne” en ging aan de wandel.

 

 

Hendrieke, een dochter van Lulofsz, de boer van de ‘Grote Heuvels’ zat op een houten kistje tegen de schuurwand. Ze was een pienter jong deernke met een heel vrolijk karakter. IJverig en soepel gleden de dagelijkse werkzaamheden door haar handen. Echt een bijdehandje. Ze zat daar met een eigenhandig gemaakt wilgetenen mandje op haar schoot vol met bruine bonen. Die moesten allemaal gedopt worden en met de middag nog gaar zijn ook, had moeke gezegd. De was moest ook nog in de sloot  worden opgespoeld, en op het bleekveldje in het gras gespreid en gezond worden. Maar zonder tegenslag zou het best lukken.

 

 

Terwijl ze zo haar boontjes zat te doppen begon ‘Fokkie’ de hond te keffen. Wat zou die hebben? Zou er soms een dier losgebroken zijn? Toch maar even gaan kijken. Ze keek eerst eens om zich heen, maar wat is dat daar? Daar komt zomaar iemand aan vanaf de waterkant, dat gebeurt nooit. Het lijkt wel een man met een geit. Haar vingers staakten het doppen en zonder dat ze het zelf bemerkte gleed het mandje met bonen van haar schoot in het gras. ‘Het lijkt wel een jongen, wie kan dat nu zijn?’

 

 

 Fleerkie, die inmiddels korter bij gekomen was, zei: “ Goeiendag, Ik ben Flerick van de ‘Kleine Heuvels’ en kom met de geit naar de bok.

 

 

‘Ho’ zei Hendrieke, ‘dan zal ik va wel even roepen, die is aan het mesten’.

 

 

Terwijl ze opsprong rolde ook het pannetje met gedopte bonen op de grond maar zonder er op te letten rende ze naar de schuur. Even later kwam ze terug met haar va.

 

 

“Zo, ben jij de zoon van Geertsz van de ‘Kleine Heuvels’? En ben je hier helemaal in je eentje naar toegekomen?

 

 

 “Ja hoor”

 

 

“Nou dat vind ik een prestatie voor zo’n knaap. Als je even geduld hebt, ik ben bijna klaar met het uitmesten van het hok en dan ga ik wel met je mee”.

 

 

Hendrieke die er bij stond te luisteren zei: “Zal ik dan even een kop koffie voor hem halen?”

 

 

 “Doe maar”, zei va.

 

 

Ze holde het huis in en kwam even later met een kom dampende melk terug. “Hier, drink maar lekker op”.

 

 

 “Wat smaakt die melk lekker zeg!” zei Fleerkie, “maar drink jij geen kommetje mee?” , vroeg hij.

 

 

 “Nee, we hadden net allemaal wat gedronken”. Hier, ik heb ook nog een lekkere steek voor je! Die heb ik stiekem uit de trom gehaald. Het is de laatste” zei ze.

 

 

Flerick pakte hem dankbaar aan hield hem tussen zijn hoektanden en beet hem in èèn keer in tweeën. Hij pakte èèn helft en drukte die tussen de lippen van Hendrieke.

 

 

 “Gezamenlijk sabbelen is veel gezelliger” zei hij. Hendrieke die nooit om een passend antwoord verlegen was, had hier toch niet van terug. Met een kleurtje van de morgenzon op haar wangen zei ze:

 

 

“Zal ik met je meelopen naar de bokkenweide, die is achter de schuur”.

 

 

Gezamenlijk wandelden ze er naar toe. Terwijl de geit stond te blèren en de bok te mekkeren knoopte Hendrieke het touw van het hek los. Het hek werd een stukje open gedaan en de geit naar binnen geduwd. Toen werd het hek weer gesloten. Bok en geit hadden het uitermate naar hun zin. Flerick en Hendrieke leunden met hun armen voorover op het hek en sloegen het ritueel met grote balangstelling gade. Even waren de gespreks onderwerpen zoek maar daarna kwamen de verhalen los alsof ze elkaar al jaren kenden.

 

 

 Hendrieke: “Zeg, ik geloof dat  jullie straks wel zeven jonge geitjes krijgen want de bok heeft inmiddels wel tien keer gesprongen”.

 

 

 Flerick: “Als dat zo is breng ik jou een jong geitje”!

 

 

“Als het er zes of vijf zijn breng je mij er vast ook wel een”, plaagde ze terug. De geit werd weer aangeleind en uit de wei gehaald. Inmiddels kwam va ook eens een kijkje nemen. “Hoe is het er mee, is het goed gegaan”?

 

 

“Ja hoor!” zei Hendrieke, “Flerick heeft mij zojuist beloofd dat hij mij een jong geitje zou brengen als er vijf jongen geboren worden.”

 

 

 Nou jo, je moet hier niet te veel beloven want dan drukken ze je tussen de schuurdeur.

 

 

 “Zeg Va” zei Hendrieke, “Flerick kan voordat hij terug gaat eerst wel met ons mee-eten he?”

 

 

“Ja zeker, deernke, dat is prima, heb je de bonen al gaar?”

 

 

 ‘Bonen........bonen.......wat ..bonen gaar?’ ze draaide zich om en daar zag ze een omgevallen mandje met bonen in het gras.

 

 

Ze stotterde.....”Het..... lijkt... me beter dat  je morgen maar terug komt om te eten”.

 

 

 “Goed hoor, dat doe ik dat! Dag allemaal” zei Flerick en draaide zich om en wandelde met de geit richting schouw.

 

 

Hendrieke keek hem enigzins beteuterd na en drentelde toen naar haar bonenmandje. Daar viel ze op haar knieën, maar voor dat ze begon de bonen in het mandje te rapen, pakte ze haar snuitdoek en snoot zogenaamd haar neus. Maar in werkelijkheid depte ze van elke wang een traantje die als een wasemdruppelje langs een raam kronkelend naar beneden sijpelde. Moe die in het bakhuis aan het werk was had het gehele tafereeltje van afstand gevolgd. Ze stak haar hoofd door een luchtgat en riep: “Hendrieke, haal Flerick maar terug hoor. Ik heb een pot met gruttebrei boven het vuur gehangen en tegen de tijd dat hij terug is zullen de meeste kluiten ook wel gaar zijn”.

 

 

 Als een haas uit het leger sprong Hendrieke op en rende als een luipaard achter haar prooi aan.

 

 

 “Flerick, Fle........rick”, riep ze, Maar Flerick hield zich Oost-Indisch doof en liep stevig door. Toen ze hem had ingehaald zij ze: “ Je moet mee terug gaan, want het eten is klaar”.

 

 

Flerick wilde eigenlijk ook wel, maar hij was al zo’n mooi eind op de terugweg. Hendrieke zag hem twijfelen. Toen legde zij resoluut haar beide handen op elke schouder èèn en draaide hem in èèn keer om, zodat zijn gezicht weer richting de “Grote Heuvels” stond. 

 

 

Even later zaten ze met zijn achten aan een hele grote ronde tafel. Va, moe en vijf kinderen. Moe kwam met een grote pot met gruttebrei vanuit het bakhuis en zette deze met een sierlijke zwaai midden op de ronde tafel. Na het gebruikelijke gebed kreeg ieder een lepel met een lange steel om uit de breipot midden op tafel te kunnen lepelen. Het was acrobatisch werk om een lepel met brei uit die diepe pot, zonder te morsen, in de mond te krijgen. Het duurde dan ook niet lang of iedereen had een brei-paadje vanaf de etenspot tot aan de mond over tafel lopen. Het is net de avondster, waren Fleerkies gedachten, èèn met acht stralen en die brengt steevast en zeker het nodige geluk. Toen de pot leeg was verdween deze van tafel. Moe pakte een houten spatel en schraapte de gemorste brei, met een zig-zaggende beweging, naar èèn kant van de tafel. Daar stond de hondepan op de grond. Hendrieke tilde de tafel aan haar kant op en alle brei liep er af. De helft druipte in de hondepan en de andere helft over de kop van de hond. Flerick had zich een leuke dag voor voorgesteld maar dit had hij helemaal niet verwacht. Toen stond boer Lulofsz op en zei: 

 

 

“ Flerick, de zon staat nog drie handpalmen boven de horizon, het wordt tijd om de ‘Kleine Heuvels’ weer op te zoeken. Hendrieke, jij gaat even mee de geit aanjagen en tevens wijs je hem de weg terug, zodat hij zo snel mogelijk bij de schouw is”.

 

 

Dat was wel even wat anders dan de pot schoon maken. Een moment later waren ze beide al op weg. Na wat heen en weer gepraat zei Hendrieke:

 

 

 “ Hoe oud ben je eigenlijk?”

 

 

Ik ben in het voorjaar geboren toen de blaadjes aan de bomen kwamen en elk jaar om die tijd kerft mijn va met een mesje een snede in een plank van onze hut. Ik geloof dat er nu zestien instaan. En jij dan?”, zei Flerick.

 

 

 Ik ben in de slachttijd geboren, zei Hendrieke, Mijn va heeft toen in de winter uit een stuk essehout een sierkom gemaakt en daarin met een mesje mijn naam gesneden, heel mooi. Elk jaar om deze tijd doet hij er een vierduitje in. Of er nu nog veertien of al vijftien duitjes inzitten dat weet ik niet”.

 

 

Inmiddels waren ze bij de schouw gekomen want ze hadden stevig doorgestapt. “Sanne” sprong al met veel tam tam in de boot en Hendrieke knoopte het touw los. Terwijl Flerick de vaarboom pakte en deze tegen de wal zette begon Hendrieke met het touw te draaien alsof ze touwtje sprongen. Voorzichtig begon Flerick de boot van de walkant te duwen maar Hendrieke hield het touw heel strak. Een moment ontmoeten hun beider ogen elkaar en toen wierp ze met een sierlijke boog het touw binnen boord, ze graaide in haar rokzak en wierp ook nog twee dikke rode wortels aan boord.

 

 

 ‘Voor onderweg, èèn voor jou en  èèn voor Sanne’ zei ze.

 

 

Nou, dat vind ik nou hartstikke leuk, zei Flerick. Hendrieke pakte haar snuitdoek en zwaaide er zo lang mee als ze elkaar konden zien. Ook Flerick trok zijn zakdoek uit de broekzak en zwaaide joviaal terug. Tegelijk viel er iets op de bodem van de boot. Wat is dat nou? Och heden, het dekgeld. Hij was helemaal vergeten te betalen.

 

 

Terwijl hij ritmatig de schouw voort duwde dwarrelden zijn gedachten als de nevelslierten van deze morgen onder zijn schedel. Afgewisseld mistig gevolgd door helder zicht. Het avontuur van de “Grote Heuvels” speelde constant door zijn hoofd. Het familieleven van de Lulofsz probeerde hij te ontleden.

 

 

Zonder dat het tot hem doordrong was hij al door het grote biezenveld en dobberde hij tussen de begroeide eilandjes en diverse rietpollen door. Maar hij had niet door dat hij een verkeerde plas op voer. Toen hij midden op die plas dreef leek het alsof de boot steeds moeilijker was voort te duwen. ‘Och’, dacht hij, ‘het is hier wat ondieper maar zo direct volgt wel weer dieper water’.

 

 

 Maar Flerick duwde en duwde  maar vorderde niets. Kleine zweetdruppeltjes verschenen op zijn voorhoofd. Hij ging eens rechtop op een bankje staan en kwam tot de ontdekking dat hij op een voor hem totaal onbekende plas was.

 

 

 “Dan ga ik snel terug” besliste hij. Maar wat hij ook probeerde, de schouw bleef op de plek waar hij wilde “rusten”en maakte geen enkele aanstalte om verder te gaan. Er was nog èèn oplossing en dat was overboord stappen, dan was de boot aanmerkelijk lichter en kon hij beter duwen. Maar zijn va had hem altijd gewaarschuwd dat hij dat nooit en te nimmer mocht doen. Want va zijn oudste broer Hannes had dat ook gedaan en die was meteen opgeslokt en vooraltijd verzwolgen door het moerasveen. Ze hadden taal noch teken van hem gehoord of gezien.

 

 

 “Maar wat doe ik nou?” bleef zijn onbeantwoorde vraag. Toen kwam zijn nuchtere verstand hem toch te hulp en die fluisterde hem in het oor, “Het is afgaand tij, dus eb”. Alle water is onder de boot weg. Dan is het wachten op de vloed. Maar dat is pas ver na middernacht”.

 

 

Toen werd Flerick echt paniekerig en de zachtrood kleurende door de ondergaande zon gereflecteerde pareltjes angstzweet druppelden van zijn voorhoofd. Hij liet zich moedeloos op het voorbankje naast Sanne zakken. Hij graaide de twee gekregen worteltjes uit zijn zak en gaf er èèn aan Sanne. Samen begonnen ze te knabbelen als twee tegenover elkaar zittende konijntjes. Het duurde echter niet lang of Flerick zakte, na alle emoties en beslommeringen van de afgelopen dag, onder in de boot naast Sanne. En een moment later waren ze beiden vertrokken naar het land van Klaas Vaak.

 

 

Ver na middernacht hoorde Flerick een typisch geluid wat hij niet thuis kon brengen. Even later sloegen er kabbelende golfjes tegen de boot. Misschien een af ander nachtdier dat een prooi ving of een verdwaalde zeehond of zo. Na een korte onderbreking hoorde hij het zelfde borrelende geluid weer. Maar nu veel korter bij de boot. Het kwam wat mysterieus over. Voorzichtig richte hij zich een beetje op, zover dat hij net over de rand van de schouw kon kijken. Daar zag hij nog juist een geelachtige bol onderwater verdwijnen. De beroering van het water en de boot was evenwel veel heftiger dan de eerste keer. Maar gelukkig het werd al weer rustig. Toch was het iets eigenaardigs, maar goed hij kende alle geheimen van het veen-moeras ook nog niet. Na een korte onderbreking kwam het borrelende geluid weer de stilte van de nacht verstoren. Maar nu was het wel heel erg dicht bij. Het leek wel dat het midden onder de boot vandaan kwam. Hij rook zelfs de zwavellucht van de moerasgassen die aan alle zijden rondom de boot opstegen. Angstig keek hij rondom zich heen.

 

 

 Het lijkt waarempel wel of de boot wordt opgetild. Ja, hoor! Verschrikkelijk, wat overkomt mij nou weer........langzaam begon de boot slagzij te maken. Bibberend over zijn hele lichaam hield Flerick zich met beide handen krampachtig vast aan de bootranden. Deze bibberden ook mee en veroorzaakten waterrimpeltjes rondom de boot. Hij kneep zich nu toch wel een beetje. Nog even en de boot sloeg om en lagen hij en Sanne er onder en dan was het voor altijd gebeurd. En waren ook zij verzwolgen door het altijd hongerige veen die een eenmaal gevangen prooi nimmer liet gaan. Maar....wat ..was dat nou weer? De boot begon weer te zakken en de beroering verstilde. De nachtelijke rust keerde terug, .......maar niet voor lang. Flerick zat rechtop op het bankje te mijmeren toen het gehele meertje gasbelletjes begon te borrelen, overal rondom de boot blubberde het water. Gevolgd door enkele modderfontijnen vlak naast de boot maar nu aan de andere zijde. Versteend van angst wachtte hij af. Evenlater verscheen die gele bol weer boven het water uit. Hoger en hoger kwam het. Het lijkt wel een menselijke gedaante. Toen de schouders boven water uitkwamen draaide het zich langzaam om en keek Flerick recht in de ogen.

 

 

Zie je wel, dacht ik het niet, het is... een.... doodshoofd. Straks steekt hij zijn hand uit en pakt hij de mijne.......en dan .......! Huiverig keek Flerick om zich heen. Heel gelijdelijk begonnen de oogkassen, de neusgaten en mondopening rood te gloeien. Ja ze begonnen zelfs vuur te spuwen in zijn richting en ook de gasbelletjes van de gehele plas vatten vlam en begonnen flikkerend te branden in een rossige gloed.

 

 

 ‘Als het niet zo beangstigend was, dan moest dit een feeëriek sprookje zijn’ waren zijn gedachten.  Toen,........’Blub........, blab........, blobber....’, een heel diepe, bijna onverstaanbare veenmoerasstem rochelde:  “Ik....blob.., ben...blub, Hannes de broer van je vader....jouw oom, blub. “Flerick jij hebt vandaag een deernke ontmoet.........die moet jij tot vrouw nemen. Het is....het flinkste en...het pienterste deernske van heel Campervenne......blu.....bloep”.

 

 

Bij de laatste woorden begon het hoofd alweer langzaam weg te zinken en verdween tenslotte geheel onder water.

 

 

Terwijl het minstens drie voet in de diepte was verdwenen scheen nog de gloed over het water. Toen gingen ook alle moerasgasvlammetjes doven en ontstond er en serene rust. Was dit alles nu een droom of waren het de goden die met hem speelden? Het antwoord hierop verdween eveneens diep onder het t’veenmoeras.

 

 

Toen de grootste emoties wegebden stond Flerick op en wandelde eens voor naar de boot. Hij bemerkte toen dat de schouw weer vrij dobberde op het water. Nu snel het touw losgemaakt, de vaarboom opgetrokken en zo rap mogelijk van deze lugubere plaats. Het duurde dan ook niet lang of hij dreef weer op bekend water. Als ik zo meteen omdat eilandje heen vaar moet ik in de schemering de “Kleine Heuvels” kunnen zien.

 

 

En ja hoor, daar zag hij zijn bekende woonoord al. Nu nog het laatste stuk en dan is hij thuis. In de verte zag hij zijn moe al op de walkant staan. Ik geloof dat ze al met haar hand zwaait. Die zal nog wel een ‘verrassing’ voor hem hebben. Enkele momenten later meerde hij de schouw af op zijn vaste ligplaats. Inmiddels was ook va aan de oever verschenen.

 

 

 “Kerel, waar ben je toch geweest”? vroeg hij.

 

 

“Met de geit naar de bok” antwoordde hij droogjes.

 

 

“Nou, wij hebben anders wel een slapeloze nacht van je gekregen. Ga maar gauw mee naar binnen, daar staat eten klaar, want je zult wel trek hebben!”

 

 

Eenmaal aan tafel vertelde Flerick enthousiast en heel kleurrijk zijn belevenissen over de tocht, de familie Lulofsz, zijn foute terugreis en het afgaande tij. Maar over Hendrieke en oom Hannes en het bokkegeld zweeg hij.

 

 

“Jij hebt heel verstandig gehandeld”, zei va, nadat hij zijn strategie had uitgelegd. “Ik  ben heel blij dat je niet overboord bent gestapt want dan hadden we je nooit meer terug gezien. Ga nu eerst maar een poosje slapen want je zult ook wel een onrustige nacht hebben gehad”.

 

 

Fleerkie verdween naar zijn kooitje en vleide zich als een bol liggend hondje in een hoekje. Toen de zon hoog aan de hemel stond werd hij gewekt door het heldere licht. Zo, nou is het wel goed en ga ik mijn dagelijkse bezigheden weer oppakken. Maar eerst even mijn bokkengeld verstoppen tussen de planken van mijn slaaphoekje. ‘Als er dan straks vijf geitjes........ och, wees nou toch wijzer Fleerkie, dat is allemaal onzin.

 

 

 De eerste dagen waren zijn gedachten meer op de “Grote Heuvels” dan bij zijn werk. Het concentreren viel hem moeilijk. Maar naarmate de dagen en later de weken verstreken kwam hij weer in het normale levenspatroon.

 

 

 Na een aantal maanden, toen ze ‘s avonds aan tafel zaten te eten zei va: “Ik geloof dat Sanne vannacht jongkies gaat krijgen. Want hij is behoorlijk onrustig en ook zijn spenen staan strak”.

 

 

“Gelukkig, zei Flerick: “ dan ben ik er toch niet voor niets naar toe geweest”.

 

 

Die avond wilde de slaap maar niet komen. Flerick bleef woelen en draaien. Het onderbewustzijn kwam boven borrelen en hij zag zichzelf al met een geitje in de arm op weg naar Hendrieke. Ten laatste stond hij op pakte de stormluchter en schuifelde heel voorzichtig voetje voor voetje naar buiten. Niemand mocht wakker worden. Buiten ontstak hij het licht en het flikkerende vlammetje deed hem weer herrinneren aan het brandende water op de “plas”. Bij Sannes hok aangekomen keek hij heel voorzichtig over de wand. Hij draaide het katoentje van de luchter wat hogerder op zodat het schijnsel wat helderder werd.... Sanne lag rustig in een hoekje. Teleurgesteld zwaaide hij een beetje met de luchter in het rond, maar daar onder het stro, zag hij daar niet iets bewegen? Toch even kijken. Hij stapte over de rand het hok binnen en ja hoor daar lag een piepklein Sannetje. Wat een prachtig beestje, het leek ook een beetje op va bok, zo hield hij zich zelf voor. Nu toch even verder kijken, misschien zijn er nog wel een paar. Maar hoe hij ook keek en het strooisel verplaatste, het bleef bij èèn. Inmiddels begon Sanne weer met haar staartje te draaien en met haar achterpootjes te schuifelen. Enkele momenten later kwamen de  weeën en weer even later kwam er een kopje te voorschijn. Flerick was in het uiterste hoekje van het hok gaan zitten om zo min mogelijk te storen. Het duurde maar even en het tweede jonkie was er. Sanne stond gelijk op en likte hem brandschoon. De spanning steeg bij Flerick tot grote hoogte. Nu wachten op nummer drie en.........vier! Maar Sanne had maar twee spenen en twee jonkies vond ze genoeg.

 

 

Even later hoorde Flerick gestommel buiten het hok. Daar kwam iemand aan. Gauw in een hoekje onder wat strooisel kruipen. Boer Geertsz kwam binnen en wierp een blik in het hok.

 

 

“Ha..!, ha..!,” zei hij, “er zijn al een paar jonkies, dat is mooi werk. Zonder hulp en dat is een teken dat ze gezond zijn.

 

 

Hij lichte nog eens door het hok en zag toen in de hoek een menselijke gedaante zitten.

 

 

“Wat moet jij hier, lelijke landloper” bulderde hij. “Als je niet snel maakt dat je wegkomt steek ik je met de gaffel in de ribben”.

 

 

Hij greep de gaffel die tegen de wand stond en sprong gelijk over de rand het hok in. ”Wegwezen geitjesdief”.

 

 

Toen vond Flerick het hoog tijd worden om te gaan staan en zei enigszins bedeesd: “Ik ben het va.”

 

 

De razende boer bedaarde toen  heel snel en zei:

 

 

“Ik dacht dat het die landloper uit de Olde broek was.... “

 

 

Ook de jonge geitjes brachten dus geen oplossing om de “Grote Heuvels” te bezoeken. Toen verstreken er maanden, ja zelfs jaren zonder dat er iets spectaculairs gebeurde.

 

 

 

 

Nadat zij haar wuifdoekje had opgeborgen huppelde Hendrieke als een gazelle naar huis. Ze bevond zich in de torenhoge schapewolkjes aan het firmament. Zingend ging ze de eerste dagen door het leven. Ze zag zogenaamd de zonzijde van haar jonge leven. Dagelijks ging ze op haar eigen stekkie op het kistje tegen de wand zitten om haar werkzaamheden te verrichten. Evenwel zo dat ze met èèn oog over het voetpad naar de aanlegsteiger kon kijken. Maar helaas op dit licht verhoogde dijkje vertoonde zich ook na meerder weken geen enkele bezoeker. Naarmate er meerdere weken en maanden verstreken verdwenen ook meer en meer haar toekomstdromen. Ze had als eens stiekem geïnformeerd hoe lang de draagtijd van een geit was en toen die ruimschoots was verstreken hoopte ze Flerick te zien met een jong bokje. Maar ze wist helemaal niets van de avonturen die hij had meegemaakt. En dat hij van zijn va niet weer zover van huis mocht. Toen ook het geitje wegbleef kwamen er donkere wolken in Hendrieke’s leven. Haar dagelijkse vrolijke gezang ebde weg over de weidse vlakten van Campervenne. Zelf de echo’s ervan waren onhoorbaar. Het zonnetje in de “Grote Heuvels” ging onder en de nacht werd hoe langer hoe donkerder. Va en moe hadden gehoopt dat het voorjaar uitkomst zou brengen, maar helaas Hendrieke werd een jonge vrouw met kleine rimpeltjes in haar voorhoofd. Een teken aan de wand.

 

 

 

 

Na enkele jaren zat de familie op een winteravond aan tafel en toen zei va:  “Hendrieke, ik heb zojuist het 18e muntje in je potje gedaan en dit keer nog wel een extra grote en nu begint ze vol te geraken. Je bent nu eigenlijk een volwassen vrouw,  zou het niet langzaam tijd worden om eens naar een jonge man om te zien

 

 

Wat dacht je daar zelf van”?

 

 

“Ik weet niet, va” was haar simpele en enigszins afwezige  antwoord.

 

 

“Ik heb al eens wat voor je rond gekeken en misschien heb ik ook al een flinke jongen rond zien lopen”.

 

 

Toen werd haar aandacht wat doel gerichter. Misschien heeft hij wel met Flerick gesproken?

 

 

 “Wie heb je dan gezien, en wat is dat voor een jonge?”, vroeg ze.

 

 

Voorzichtig begon va om vooral zijn overgevoelige dochter niet te kwetsen.

 

 

‘Ik had altijd gedacht dat die jonge Flerick nog eens terug zou komen, maar ik ben bang dat jij bij hem niet in de smaak bent gevallen. En dat is jammer want dat was een stevige knul met een uitermate goed verstand.

 

 

Maar boer Morrhe achter de lagekolk, die heeft ook een flinke zoon. Ken je die?

 

 

 “Nee, die heb ik nog nooit gezien en daar heb ik ook nog nooit van gehoord”.

 

 

“Nou als hij de eigenschappen van zijn va heeft dan kan hij heel wat presteren hoor. Vindt jij het goed dat ik hem eens met een smoesje hier naar toe lok. Dan kun je hem eerst eens op een afstand bekijken, bijvoorbeeld door een spleet van het kookhok. Valt hij niet in de smaak dan hou jij je verborgen en lijkt het wat dan kom je te voorschijn”.

 

 

 Hendrieke die altijd in was geweest voor een avontuurtje begon er zichtbaar lol in te krijgen. De eentonigheid van alle dag kon best eens een opleving gebruiken en ze stemde met de ideeën van haar va in.

 

 

Als jij het goed vind dan ga ik morgenmiddag eens een praatje maken en zal ik proberen een trucje te bedenken om hem op de “Grote Heuvels” te krijgen.

 

 

Hendrieke begon weer wat kleur op haar wangen te krijgen en ook haar babbelende mondje vertoonde wat meer beweging, maar het allerbelangrijkste waren de pretlichtjes in haar ogen die in geen jaren waren gezien.

 

 

 

 

De volgende dag ging Lulofsz richting Morrhe. Hij stak een kromme pijp met rooktabak in zijn mond en hield hem boven het open houtvuur om de vlam er in te krijgen. Dat ging nog weleens gepaard met een verbrande snor. Maar dit keer lukte het.

 

 

 In de winter als het hard vroor werden er dikwijls buurpraatjes gehouden. Het had de laatste dagen pittig gevroren en hij kon nu rechtuit rechtaan over sloten en plassen er naar toe wandelen. Terwijl dikke rookwolken opgejaagd door de snerpende oostenwind om zijn gezicht dwarrelden, zat hij enige tijd later bij boer Morrhe aan de tafel te buren. Heel veel wel en wee van diverse bewoners ging over de tafel. Toen het tijd van geitemelk drinken werd kwam ook zoon Plogge binnen. Het duurde niet lang of het gesprek ging over de zeldzame soorten konijnen die hij fokte.

 

 

 “Of wil je ze eens zien”? zei Plogge,

 

 

“Heel graag”.

 

 

 Even later stonden ze rondom de konijnenhokken met daarin  een groot assortiment aan rassen en kleuren.

 

 

 “Die daar”, wees Lulofsz, “met die blauw gevlamde vacht die vind ik wel heel uitzonderlijk. Zulke heb ik nog nooit gezien. Zou je die niet willen verkopen?

 

 

“Nee die verkoop ik niet want daar heb ik er maar een paar van.. Daar wil ik verder mee fokken.”.

 

 

“Nou ja, zie je, èèn van mijn dochters is gauw jarig en die is stapel op konijntjes. Ze heeft er ook al een paar, maar lang niet zulke mooie. Straks als ik thuis kom dan vraagt ze mij beslist of ik nog konijntjes heb gezien. En ik was van plan om dan nee te zeggen. En dan wou ik jou vragen om morgen middag bij ons te komen met dat konijntje in een mandje om haar te verassen. Maar helaas dat gaat dan niet door”.

 

 

Plogge keek naar het konijn en toen naar alle hoeken van de loods.

 

 

 Toen zei hij: “Leuk bedacht hoor, maar daar doe ik niet aan mee.”

 

 

 Inmiddels waren alle nieuwtjes verteld en ging Lulofsz weer richting “Grote Heuvels”. Thuis gekomen vertelde hij alles wat er gaande was bij de Morrhe’s, maar de konijntjes en de zoon Plogge daar zweeg hij eerst nog maar eens over. Hendrieke drentelde de hele avond een beetje in de buurt van va. Maar va dacht: als er tegen het voorjaar jongen komen dan ga ik er weer naar toe.

 

 

Plogge vertelde het verhaal van het konijn dat Lulofsz wilde kopen aan zijn moe. Moe zei evenwel:

 

 

“Plogge!, jongen,......luister eens goed naar mij. Lulofsz heeft een hele lieve jonge deerne thuis en die kon wel eens meer waard wezen dan tien van die blauwe konijntjes bijelkaar”.

 

 

De volgende morgen vlocht Plogge een mandje in elkaar, deed er wat stro in en ook het mooie konijn. Moe had het allemaal wel gezien maar zei wijselijk niets.

 

 

Na de middag zei hij: ”Ik geloof dat ik het konijn toch maar verkoop, ik ga het gelijk wegbrengen”.

 

 

Fluitend ging Plogge met het mandje onder zijn arm richting “Grote Heuvels”. Toen de deur daar voorzichtig open ging en Plogge naar binnen stapte, zat de hele familie rond het vuur te knutselen, want het was bar koud,.

 

 

“Dag”, zei hij. “Ik heb er nog eens een nachtje over nagedacht en als je het nog wilt hebben wil ik het wel verkopen” zei hij tegen Lulofsz.

 

 

“Nou jong, dat is goed hoor, geef het maar aan Hendrieke” en wees met zijn neus in haar richting.

 

 

Hendrieke die nergens vanaf wist keek met vragende ogen haar va aan.

 

 

“Dat is jouw verjaardag cadeau”, zei hij heel simpeltjes. “Als je het tenminste mooi vindt en anders gaat de koop zo wie zo niet door”.

 

 

Het mandje werd open gemaakt en Hendrieke keek voorover gebogen nieuwsgierig naar de inhoud. “.......Een konijn! En wat voor een, zo’n mooie heb ik nog nooit gezien”.

 

 

Om het gesprek een zijpad op te sturen zei Lulofsz, “Dan moeten wij eerst maar eens handelen: wat moet hij kosten. Want hoe mooier zij hem vindt hoe meer jij er natuurlijk voor vraagt. “Nou” zei Plogge: “Ik zou niet weten wat het moet kosten”.

 

 

“Dan zal ik je een bod doen. Jij krijgt van mij twee duiten. En als Hendrieke dit voorjaar, als het  konijntje volwassen is, bij jou mag komen om het te laten dekken bied ik nog een duit extra”.

 

 

Plogge dacht: zo’n bod heb ik nog nooit gehad en krijg ik ook nooit weer.

 

 

Hij zei dan ook: “Nou vooruit dan maar, het is goed”.

 

 

Terwijl Lulofsz de knip trok zei hij tegen Hendrieke: “Breng het konijn maar naar het hok en dan kun je gelijk jou konijntjes aan Plogge laten zien”.

 

 

Plogge bekeek met aandacht de konijntjes en ontdekte een paar rassen die hij niet kende. “Dat zijn mooie zeg, als je daar een paar jonkies bij krijgt dan wil ik er wel graag een paar van. We kunnen toch ook wel een beetje gezamenlijk verder fokken, een soort konijnen fokkerij oprichten”. En zoals zoveel liefhebbers raakten ze niet uitgepraat over hun hobby.

 

 

 

 

Flerick liep die morgen een beetje rondom zijn huis te lummelen en wist niet goed wat hij moest aanvangen. Hij kon niet vissen want alles zat potdicht met ijs. Hij was een beetje met zichzelf verlegen.

 

 

‘Ik geloof dat ik vanmiddag maar eens naar de “Grote Heuvels” wandel. Nu kan ik er in een half uurtje naar toe lopen. Dan ga  ik het dekgeld wegbrengen. Maar wacht eens, er is ook nog een jong geitje van een paar weken oud, als ik dat nou ook eens meeneem’.

 

 

En zo ontwikkelde hij zo langzamerhand een goed doordacht plan. Toen hij die middag het eten binnen had en van tafel opstond zei hij:

 

 

‘Ik ga vanmiddag eens een ijswandeling maken naar de “Grote Heuvels”. Het ijs is overal sterk genoeg zodat ik er binnen een half uurje ben.

 

 

“Let in ieder geval goed op open wellen en roodolm gaten zodat je daar niet in terecht komt”,. zeiden zijn ouders die gewend waren hun kinderen altijd een waarschuwing mee te geven.

 

 

Het geitje had hij voor de middag al in een mandje een eindje verderop achter een riethoopje neergezet zodat ze het niet in de gaten hadden dat hij iets meenam.

 

 

Even later stapte Flerick met het mandje met gesloten deksel onder de arm naar boer Lulofz, of.... eigenlijk naar Hendrieke.

 

 

“Als die nu maar geen andere jongen heeft opgedaan”, dacht hij, want dan vis ik achter het net.

 

 

Voor dat hij er erg in had stond hij onder aan de Heuvel. Daar zag hij een ferme vlierstruik en daarin verstopte hij het mandje met de geit. Lekker uit de wind en in de zon. Als Hendrieke geen interesse meer voor me heeft neem ik stiekem het geitje weer mee terug en dan wordt het niemand gewaar.

 

 

Onopgemerkt liep ook hij naar de deur en duwde die heel voorzichtig een klein eindje open en vervolgens keek hij er met èèn oog omheen. Daar zat de hele familie bij het houtvuur.

 

 

 “Middag”, zei hij. Een beetje verschrikt keek de Lulofsz familie op.

 

 

“Dat is al heel lang geleden dat ik hier geweest ben. Kennen jullie mij nog?” Nou..  Uhe ..., was jij niet dat jongetje met die geit van de “Kleine Heuvels”?

 

 

 “Klopt”, zei Flerick. “Ik was toen helemaal vergeten om het springgeld te betalen en ik dacht dat ga ik vanmiddag maar eens doen dan is mijn geweten ook weer schoon”.

 

 

“Heb jij toen helemaal niet betaald, jochie”? Grapte Lulofsz..”Als jij het nu niet gezegd had wist ik het helemaal niet, ik heb het destijds niet eens vernomen”. zei de boer.

 

 

 “Ik wou het gelijk de andere dag brengen maar ik mocht van mijn ouders hier niet weer naar toe, want ze waren bang dat ik weer verdwaalde”.

 

 

Toen vertelde hij het verhaal van de terugtocht en graaide tegelijk de munten uit zijn zak en telde die op tafel.

 

 

“Ik kan heel goed begrijpen dat ze een verschrikkelijke nacht moeten hebben gehad en dat je niet weer weg mocht. Jij hebt zeker, na dat hele spannende verhaal, wel zin in een tas geitemelk?” zei moe.

 

 

“Is die nog net zo lekker als toen? nou, dan heel graag”.

 

 

Terwijl hij de grote kom met twee handen omklemde en het eerste slokje nam zei hij:....”mmmmm...Hee-eerlijk hoor!....”en keek tegelijk met èèn oog over de rand naar het deernke dat links van hem zat. Zou dat nou Hendrieke zijn of is dat haar jongere zusje ? Hij wist het echt niet. Ze is wel erg mooi. Hoe kom ik daar nu achter, piekerde hij. Toen ging de deur open en kwamen Pogge en Hendrieke binnen!.

 

 

 “Middag”, zeiden ze alle drie....... en daarmee verdween tegelijk de openheid en spontaniteit van het gesprek onder de tafel. Het was alsof de avondstilte over de polder viel. Zelfs boer Lulofsz trok met lange halen aan zijn pijp en blies enorme rookwolken uit als wilde hij het uitzicht  verminderen met uitgestrekte mistvelden. In geen jaren een jongen op de vloer en nu zo maar twee kandidaten.

 

 

”Nou wat vindt je van Hendrieke’s konijnen”? Zo verbrak hij eindelijk de stilte. “Nou ze heeft ook hele mooie en we hebben afgesproken dat wij gezamenlijk verder gaan fokken”, vertelde Plogge.

 

 

En na wat over en weer gepraat zei Plogge: “Kom ik ge maar weer eens naar huis”.

 

 

 Hendrieke, die zich geen houding wist te geven liep met hem mee.

 

 

Flerick vertelde toen dat de oude geit twee jonge geitjes had gekregen en dat het met het bedrijf en de familie allemaal goed ging. Ten laatste, toen hij vernam dat Hendrieke niet terug kwam, zei hij ook: “Kom ik ga ook maar weer eens naar huis”. Ze scharrelde toch met Plogge, dacht hij, en wat moet ik hier dan nog langer doen.

 

 

 “Hoewel, dat tweede maagje is ook een schilderijtje”: zo waren zijn hersenspinsels. Langzaam stond hij op, bedankte voor het drankje, zei goedendag en ging de deur uit.

 

 

Hendrieke had Plogge uitgeleide gedaan en had zich in het stookhok terug getrokken en wachtte daar op Flerick. Toen ze hem hoorde komen ging ze zogenaamd driftig aan haar werk. Voorovertaand  met haar gebogen achterwerk even buiten de deuropening zodat hij er beslist niet onopgemerkt voorbij kon lopen. 

 

 

Flerick, die haar direct opmerkte wou er een ferme mep op geven maar durfde de uitdaging toch niet goed aan.

 

 

 “Of ben je nou konijnekeuteltjes aan het doppen?” Zei hij droogjes.

 

 

“Als ze gaar zijn mag jij ze komen eten” gaf ze als antwoordt.

 

 

“Heb je veel konijnen”, vroeg hij weer.

 

 

“Nou niet zo veel hoor”.

 

 

 “Mag ik ze eens zien”?

 

 

“Al je het graag wilt”, zei ze koeltjes.

 

 

“Kan het kwaad?”

 

 

 “No..uh..nee..ik dacht het niet”. En toen liep ze voor hem uit naar de konijntjes. Flerick ging met zijn ellebogen leunend op de rand van het hok en de handen onder de kin, staan kijken. Na een zo lang mogelijk uitgerekte stilte zei hij ten slotte: “Daar zijn hele mooie bij, welke heb je van Plogge gekregen”? Vroeg hij heel droogjes.

 

 

 “Gekocht”, bedoel je, nou die blauw-gevlamde daar. “

 

 

Die had je van mij no-oo-oit gekregen hoor!” 

 

 

Na een minuut stilte zei Flerick: “Die geit waar ik toen mee geweest ben heeft later twee jonge geitjes gekregen. Ik had toen de belofte gedaan; als het er zeven waren geweest had ik jou er een gebracht, weet je dat nog?” “Mm........mmmmm......” was de enigste dichtmondige reactie.

 

 

“Het was een geit en een bokje. Toen dat geitje groot was kreeg die ook weer een spannetje, weer een geit en een bokje. Die geit werd ook groot en die wierp èèn jong, een bokje. Later kreeg ze twee jonkie’s, twee geitjes en dat was dus de zevende. En die kom ik jou brengen als je hem nog hebben........”

 

 

Maar verder kwam hij niet. In een ondoordachte reflex kreeg hij een por in zijn ribben.

 

 

“Au”, riep hij.

 

 

Hendrieke die weer eens iets gedaan had zonder dat ze de gevolgen er van kende, zei: “Je liegt, je hebt helemaal geen geitje bij je”.

 

 

“Nou ja, als je hem niet wilt neem ik hem wel weer mee terug”. 

 

 

Hij draaide zich resoluut om en verliet het konijnenhok. Stapte naar de flierstruik, pakte het mandje met de geit, sloeg het onder de arm, met de open kant naar achter zodat het geitje goed zichtbaar was, en liep met vlotte pas het pad op als drie jaar tevoren.

 

 

Hendrieke stond hem met open mond en ogen na te kijken. Wat pikt hij daar nu uit die flierstruik, een konijn? Wat een smeerlap. Toen hoorde ze het gemekker van een jong geitje. “Zou hij er dan toch èèn bij zich hebben”? Vervolgens trok ze haar rok een eindje op en rende hem achterna.

 

 

“Flerick”, zei ze timide, “heb je werkelijk een geitje voor me”? 

 

 

“Wat dacht je dan, dat ik je wat wijs maakte? Hier kijk maar” en hij maakte het mandje open.

 

 

Tegelijk grepen de grijpgrage vingertjes van Hendrieke het beestje.

 

 

“Ho...! ho...!” zei Flerick en drukte gelijk het mandje weer dicht met Hendrieke’s handen er tussen.

 

 

Hè, wat doe je nou weer?”

 

 

“ Ik wil eerst weten of je hem hebben wilt en zo ja dan is er ook nog een voorwaarde aan verbonden”.

 

 

Hendrieke, vastgebonden aan handen en voeten, zei: “Ik vind hem heel erg mooi, mag ik nou mijn handen weer terug?”

 

 

“ Nee”, zei hij. “Je moet mij eerst vertellen of je hem onder voorwaarde wilt, ja of nee”. Hendrieke sloeg haar terneergeslagen ogen op en keek hem recht aan. Langzaam begon haar weerstand te smelten en uiteindelijk vroeg ze: “welke voorwaarde”?

 

 

 “Dat ik elke veertiendagen naar het geitje mag komen kijken”.

 

 

Haar innerlijke gevoelens voor Flerick begonnen het langzaam te winnen van haar weerbarstige koppigheid. En na een diep oogcontact begreep ze onmiddellijk de bedoeling van de  “Voorwaarde”.

 

 

Ze zei: “Til het deksel maar op, dan zie je wel of ik hem pak of dat ik hem laat liggen”. Voorzichtig werd het mandje geopend en heel langzaam trok ze haar handen, terwijl ze hem diep aankeek, terug.

 

 

Flerick’s gezicht verbleekte. Toen greep ze als een roofvogel haar prooi het geitje en drukte het tegen haar wang.

 

 

 Na deze stille voorstelling vroeg ze waarom hij nooit meer iets van zich had laten horen?

 

 

“Ik ga met je mee naar het konijnenhok en daar zal ik je alles vertellen”. Gezamenlijk liepen ze terug.

 

 

En zo vonden twee toekomstige pioniers van “Campervenne” elkaar.