Kamperveen

Tegenaanval op de Geldersen.

 

 

Anno 1371.

 

 

Brankesz  Rytz,  zo heette de  boer van de cotterije van het Hombroecke, maar zo kende hem niemand. Iedereen noemde hem de Peckkepott omdat hij op een keer een  van de thyns-stropers van  Herebertus van Putten met zo,n voorwerp de kop had plat getimmerd zodat die bloederigrood en peckerigzwart  zie’n Hombroecke was uit gestoven.

 

De Veenlude van het Venne werden als maar weer geplaagd door de plunderende en rovende leensoldaten van deze alsmaar hongerige roofridder. In de herfst wanneer het corn rijpte  en het vette vee tegen de slacht liep dan kon je er steevast op aan dat ze zich weer melden en met bar veel  bombarie stroopten ze alles wat er van hun gading was weg. Vervolgens de Vennelude beneveld en troosteloos achter latend. Als de zomer ten einde voer stak de angst bij menig erfgenaam de kop weer op. En omdat het de laatste jaren alzo gebeurde zou het ook dit jaar wel weer raak zijn. De Peckkepott  zou ook wel weer vereert worden met een bezoek omdat hij meestal de eerste beurt kreeg nadat voorval van enkele jaren terug. Hij liep al maanden dolende om een list te bedenken die voorgoed een einde zou maken aan die brutale schoften die iedere landbewerker telkenmale weer kaal plukte. De meeste voldeden gewillig aan hun eisen omdat ze bang waren lichamelijk te worden gemangeld. Menig tegen strubbelende bewoner had dat aan den lijve ondervonden en dat was mieters pijnlijk. Sommigen liepen maanden lang met blauwe en paarse striemen op gezicht en rug als bewijs dat ze hun bedegeld betaald hadden.

 

De Peckkepott had vleesknobbels aan zijn botten als een oer-osse en was voor de Kampvechter niet bang. Maar als hij krijgers in elkaar rammelde, zomaar op eigen houtje, dan kon hij ook voor het hogegerecht worden geroepen en de strafmaatregelen van het scoutgericht waren verre van mals. Al naar gelang de uitspraak konden ze je de rug visiteren, of brandmerken en soms werd je aan een schandsteen genageld. Pijnigen vond de beul ook wel leuk, evenals radbraken en onthalzen. Van dat alles moest hij dan ook niets hebben.

 

Op een zondag toen de kerckendienst was afgelopen en al het volk het Godshuis verlaten had, prevelde hij knielend op een uit het zicht staand bankje nog een laatste schietgebedje. De priester stond voorin de kerk bij het altaar driftig te gebaren met de scout van Campervenne. De Peckkepott luisterde met één oortje simpelweg mee, want zij dachten natuurlijk dat al het volk de kerckezaal had verlaten. Ze waren in breed overleg en hun gesprek voer over de beproeving van hunne schaapkens, die deze lude steeds maar weer moesten ondergaan tegen het Gilde der Puttensteiners. Toen ze druk gebarend richting uitgang schuifelden, strekte de Peckkepott zijn rug en sloot zich bij hun aan. Onnozel mengde hij zich in het gesprek en vroeg aan de scout of hij ook gestraft kon worden als hij ze met enkele lotgenoten het moeras in banjerde. ‘Is dat niet een te hoog ideaal, wat je voor ogen hebt’, Rytz’?, vroeg de Scout. Eerwaarde en Edelachtbare, die buurlude van de Veluwe worden elk jaar brutaler en ze eisen alsmaar meer en niemand heeft het lef om ze een strobreed in de weg te leggen. Als ze niet worden geroffeld is Campervenne over enkele jaren zonder inheemse bevolking en komt er geen penningske meer in het offerblok van deze kercke’. De Peckkepott draaide zich om en kuierde in zijn eentje naar zijn katerstede. Vervoerd door allerlei hersendromen zeeg hij neer op een stulpje bij zijn onderkomen. Als we nou eens zo, of als we nou eens zus, maar verder dan eigen drog kwam hij niet.

 

Achter in die week kwam er zowaar een heilbode van de scout aan de deur met een perkamentrol. De Peckkepott schrok daar wel even van. Was het heil of onheil wat er over hem heen kwam. Hij steunde met één platte handpalm tegen een schotte en zwaaide het ene been over het andere en schuin hangende kwam er een vragende uitdrukking op zijn gelaat. De afgezant overhandigde hem een rol, maar omdat de Peckkepott lezen noch schrijven kon vroeg hij aan de bode of die hem de inhoud van de boodschap wou vertellen. Op die rol stond het bericht dat de scout hem opdracht gaf het schorem van Havezate Puttenstein te liquideren met alle middelen die hem te dienste stonden. Als het maar gebeurde binnen de landpalen. Dan was daar niemand die hem daarvoor straf op kon opleggen. Dat was vastgelegd in de voorrechten van Campervenne door de Bisschop. De scout wenst je veel succes. Hij moest maar aannemen dat wat de bode voorlas ook op het perkament stond, want nagaan kon hij het niet Onderwijl draaide deze zich om en verdween van zijn erfje.

 

De Peckkepott zijn vlees rees uit als deegspeize voor koeken en bereikte de dubbele omvang, ook de kleur van zijn gezicht verschoot als die van een hagedis. Het wier paarsrood. Hij voelde als het ware de eerste tekenen van blauw bloed wat door zijn aderen stroomde en een ietse pietsje adellijke trekjes verschenen er in zijn houding. In deze hoedanigheid moest hij wel zien een aantal strijdlustige en furieuze onderdanen aan te trekken. Dat deden immers de Graven ook.

 

Die nacht droomde hij dat hij Ridder Rytsz was met een heel groot Havezate, sterk als een onneembare vesting, omgeven met een brede en diepe gracht, voorzien van een ophaalbrug en vele strijders als onderdanen.

 

Maar het ochtendgloren gevolgd door zonnig licht zette hem weer met beide voeten op het lage venne terug.

 

De eerste dagen was hij meer aan het dagdromen dan dat hij met de oogstwerkzaamheden bezig was. Maar weldra bereikten hem de eerste geruchten dat de stropers al weer hadden toegeslagen. Toen stapte hij op zijn hirre (klein paardje) en als machtig man reed hij alle erven langs en riep iedereen op om zich te melden om gezamenlijk de stropers te lijf te gaan en te verjagen. Dat bracht bar veel tumult onder de Campervenners. Bibberende kerels met den brutaalste blaffers knepen weg onder het strooi in het keujenhok. Maar andere stillere en tengere knapen vroegen wat hun taak was en het antwoord van de Peckkepott was simpel en eenvoudig: Ze verdrijven uit onze landpalen. Dat gaf nogal wat praterije de eerste dagen. Maar toen de Geldersen hun tweede strooptocht weer succesvol hadden afgerond melden steeds meer Campervenners zich en binnen een nacht had zich een nog steeds groeiend legertje gevormd onder leiding van ‘Graf Peckkepott’. Uiteindelijk werd het een forse krijgsmacht uitgerust met slag en steekwapens. Te voet, te paard en provisorische strijdwagens. De list werd uitvoerig doorgepraat. Men zou ze in de rug aanpakken. Gewoon wachten tot ze diep Campervenne waren ingetrokken en dan ze op hun terugweg aanvallen. Er werd in het geniep overlegd dat men elkander een sein zou geven. Waar en wanneer men zou aanvallen. Men sprak af dat de vrouwen een mannenbroek omgekeerd met de pijpen omhoog, op de waslijn zouden hangen.. Dan zou men allemaal gewapend bijeenkomen in een bebost gebied aan de Spykerkae.

 

Was de Leykae aan de beurt dan was de plek van de bijeenkomst aan de Suyderthienden. Maar dat was onwaarschijnlijk omdat hier al enkele erfjes waren geplunderd.

 

Op een midweekse morgen kwamen de lievertjes frank en vrij vanaf de Schans Campervenne binnen en trokken richting de Oenelickerbargen. De bende bestond uit een groot aantal mannen en ter begeleiding waren er maar enkele beroepsstrijders bij. Nu brak het grote moment aan, nu was er de kans om toe te slaan, nu moest hij, de Peckkepott, laten zien wat hij waard was. Maar toch......, toch weifelde hij, als de opzet mislukte lag hij komende zondag onder de plavuizen van de kercke. Een rilling liep er langs zijn ruggegraat. ‘Nu niet aan denken,’ maar doordrukken. Hij pakte de broek en hing die op zijn kop op aan de lijn op de afgesproken plaats. Aansluitend zocht hij zijn steekwapen in de vorm van een giek en wandelde enkele rondjes om de Cotterije. Overal rondom verschenen er bij tijd en wijle broeken aan de lijn. Heel Campervenne hing de “was” buiten. Het leek wel verschoningsdag. Nu was er geen pad meer terug, dan zou hij de smadelijkste lafaard van Campervenne worden. Hij stapte vier naar zijn hirre en na een bemoedigend klopje steeg hij op en reed richting de Schanser bebossing aan de Spykerkae. Toen hij er aankwam stonden er al enkele knapen en mannen op hun aanvoerder te wachten. Uit alle windstreken zag hij ze komen. Dwars over de ackers, over looppaden en lage kae’s naderden ze de afgesproken plek. Er kwamen er steeds meer en er was vrijwel niemand die wegbleef. Uiteindelijk waren er ongeveer acht dozijn onderdanen. Juist toen ze aan het strijdplan zouden beginnen verscheen er om de rand van het Venne-thynsen nog potige kerel. Het lijkt onze Goliath wel merkte een van de aanwezigen op. Maar korter bij komende herkenden ze Toinisz van de Brouwketel, hij droeg een vat op zijn rug. ‘Sjonge, jonge wat een sjouw, wat bin ik et zat’, zei hij. Onderwijl boog en draaide hij zijn bovenlijf een weinig en gleed er een leren draagriemen van zijn schouder. Vervolgens pakte hij met de hand de andere riem en zette het vat met een routinezwaai te midden van de kring. ‘Ik heb een vaatje vechtwater meegenomen om de krijgslust wat op te monteren’ grijnsde hij de temide aanwezigen toe. In een grote kring liet iedereen zich op de knieën zakken en Toinisz tapte in een tinnen karaf zijn gebrande water en gaf de eerste pint aan de Peckkepott. Deze nam het met bravoure aan, rees langzaam op en paste met een paar grote treden naar hun aller midden. Terwijl hij de karaf ophief bibberde zijn hand zodanig dat een gedeelte van de inhoud over de rand vloeide en naar beneden droop. Knieperige Crelisz kroop op handen en voeten gauw naar hem toe en hield zijn tot kom gevormde handen er onder. Hij ving nog net wat vocht op om het vervolgens met een smakelijk gezicht van zijn vingers te likken. De Peckkepott bracht de beker vervolgens aan zijn mond om het resterende in één teug te ledigen. Toen gaf hij het door aan zijn mede lotgenoten en zo dronk iedereen zich de benodigde moet in.  De Peckkepott schraapte luid en duidelijk zijn keel en sprak tot zijne toehoorders: ‘Makkers....en.....krijgers.... van.....Camperven...ne...’. Hij stotterde, hij haperde, en struikelde over zijn eigen tong. Alles was hij kwijt waarop hij de laatste dagen zo geoefend had, hij kreeg er geen woord meer uit. Hij keek met glazen ogen om zich heen en zag nevelige slierten uit de moerassen pluimen. Daar kwam plotseling Gunsz Jansz van de Oenelicker Bargen de kring hijgend binnen stappen. Geheel overstuur vertelde hij hun dat ze zijn spul geplunderd hadden en dat hij op het nippertje was ontkomen. Vele vuisten werden gebald en gingen in de hoogte. De onbenulligste verwensingen knalden over de rustieke velden van het pure Campervenne. De eenheid in het leger werd beklonken met het tegen elkaar drukken van hun knokkels. Hoewel het in de leefgemeenschap der inheemsen bij lange na altijd geen vrede was, werd menig burenvete onder de mantel der krijgers bedekt De Oenelicker boer droeg een lange leren riem met zich en vertelde er bij dat ze die over het pad moesten spannen om de doorgang te beletten zodat ze niet vrijelijk konden vluchten. Toen zei de weer tot zichzelf gekomen Peckkepott: “Deze riem wordt even verderop aan de aldaar staande Esdoorn geknoopt op ongeveer 3 voet hoogte. Dan uit het oog langs de boomstam naar beneden, dwars over de Kae en vervolgens dan onzichtbaar bedekt met Kae-zand. Aan de andere kant van de Kae stellen twee sterke kerels zich verdekt achter een boom op. Als de stropers met hun buit op hun terugtocht er bijna zijn wordt de riem snel tussen de twee bomen strak gespannen zodat ze geen kant uitkunnen. Dan vallen wij ze in de rug aan.” Bravo.o.ho.! Da’s een goeie! Vluchten is onmogelijk! We hakken ze allemaal in de pan! Dat waren zo enkele strijdkreten van het voetvolk. De van eigendunk overlopende vechtersbazen van Campervenne.

 

 

In de vooravond van een midweeksdag riep Heer Herebertus, de roofzuchtige ridder van slot Old Putten, enkele onderdanigen bij zich. Hij vroeg hun naar de oogstvoorraden zoals die op Campervenne er voorstonden. Hij kreeg daarop als antwoordt dat er nog genoeg te halen viel. Ook de weerstand van de bewoners is heel simpel en bestaat hoofdzakelijk uit smekend jammeren en erbarmelijk klagen. Zover wij hebben vernomen zijn er tot nu toe geen extra verdedigers ingeschakeld en ligt de vette buit er voor het meenemen. ‘Dat zijn goede informatieën’, gromde de hebzuchtige Havick en hij gaf tegelijkertijd opdracht tot het samenstellen van een plundergroep. De volgende ochtend trok een grote groep leenmannen, meest opgeroepen onderdanige Veluwse boeren, vergezeld van enkele krijgers te paard ter verdediging, de landpalen van Campervenne wederom binnen. Krijgsoverste Riddermansz nam de leiding op zich. Hij had via een spionpad ingeseind gekregen dat er rond de Oenelickerbargen (Oene) veel vee in de weiden rondliep.

 

Hij koerste met zijn troepen dan ook regelrecht in die richting. Zonder tegenslag of hindernis bereikten zij in de loop der late ochtend de hofstede en de malse weiden van de bargen. Vreemd, zo klonk het onder hen, de landerijen lijken wel ontvolkt, er is niemand die ook maar de geringste aandacht voor ons heeft, dat is wel eens anders geweest. Van enig verzet was dan ook geen sprake. Rond de Bargen werd het vee uit de weiden gehaald en bij elkaar gedreven. Omdat alles veel gemakkelijker ging als voorheen en de buit aan vee opmerkelijk, werd besloten de hofstede bij een latere tocht te vereren met een bezoek, want meer buit konden ze ganselijk niet vervoeren.

 

Eén van hen, die op de heenreis zijn bokse gedeeltelijk van zijn gat had gescheurd aan een afrastering liep met één bloot been en was de spot van de groep. Een metgezel wees hem op de ‘omgekeerde broek aan de lijn’. In een sukkeltje draafde hij er op af, stroopte zijn gehavende broek van zijn gat en verruilde die met die van de lijn. “Dan hoeft die boerin zich straks ook niet te vervelen” zo liet hij zijn kameraden weten. Maar deze verwittigden hem gekscherend dat alle buit voor hun landheer was en dus ook de broek. Hij gromde wat in zichzelf en gaf als antwoordt dat zijn baas toch niet in zo’n boerenbokse gaat rond stappen. Inmiddels hadden de honden de koeien en de schapen bijeen gedreven en trok de karavaan weer richting thuisbasis. Ons landheer zal gans tevreden zijn met dit grote getal aan vee. De laatste jaren was hun dat nooit meer gelukt. Zelfs de jachthonden verkeerden in opperste stemming. Ze dolden en keften tegen alles wat ze maar tegen kwamen. Menig begeleidend boertje hoopte dat heer Herebertus een schaap of rund bij hen ter verzorging stalde zodat hij er in de toekomende tijd ook een vruchtje van kon plukken. En zo naderde de opgetogen troep het Gelderse gebied. Ze waren vandaag mooi vroeg thuis, zodat ze op hun erven nog wat arbeid konden bezigen.

 

 In de buurt van het Schansbos aangekomen rende een oudere wolfshond plotsklaps uit de groep vooruit en verdween in het dichte lorkebos. Daar hoorde men hem ijselijk te keer gaan. ‘Het lijkt wel of hij het aan de stok heeft met een everzwijn’, zo bromde Riddermansz. Men liet hem even begaan en toen werd het dier weer rustig. Men hoorde het niet meer. Verder lette niemand meer op deze waarschuwing, ze waren met andere dingen bezig. Kort daarop bleef de karavaan zo maar staan. Het vee draaide zich om en kwam terug.....De honden hadden het niet meer onder controle.......Het looppad was versperd.........Er ontstond consternatie..........

 

 

Peckkepott en zijn meute hadden zich slagvaardig opgesteld tussen het dichte struweel bezijden de Speykerkae Ze hadden de luidruchtige kudde der Geldersen vanuit de verte zien aankomen. Iedereen stond op scherp. Nog even en hij zou het sein geven om de riem te spannen en vervolgens tot de aanval over te gaan. Hij schrok zich wezenloos toen een monsterlijk grote wolfshond met luidruchtig kabaal, dwars door de struiken springend, regelrecht op hen aanviel. IJselijk grommend en luidkeels blaffend dreigde hij hun aanwezigheid toch nog vroegtijdig te verklappen. Dat was druppeltjes zweten omdat de spanning toch al was te snijden. Maar Hebodikus Romzk, de beruchtste stroper van de Heerlijkheid was ook onder hun gelederen. Hij bezat de handigheid om allerhande dieren in een mum van tijd het zwijgen op te leggen. Ook deze vervaarlijke en op bevel alles verscheurende  wolfshond onderging het lot van vele voorgaande beesten die in zijn handen vervielen. Vrijwel geruisloos verstomde het dier.

 

Toen wenkte Peckkepott dat de weg geblokkeerd moest worden. Gespannen wachtte hij wat er gebeurde en ja hoor er ontstond zowaar enige onordelijkheid. Het bevel van de aanval kwam van zijn hand. Als aanvalsleider gaf hij zijn hirre de sporen en stortte zich op de stropers. Maar Campervenners waren boeren en geen krijgers. Om zomaar andere mensen in elkaar te rammelen lag niet in hun aard, dat stuitte hen tegen de borst. Ze weifelden een moment met als gevolg dat Commandant Peckkepott in zijn eentje de vijand te lijf ging. Ze zagen voor hun ogen hoe de Gelderse krijgers een korte stonde later hem met hun lansen van zijn paardje stieten en daarna zakte de hirre in elkaar en viel boven op hem. Toen sloeg de vlam in de pan en als woeste barbaren gooiden ze zich in de strijd. Ze waren hun zelf niet meer. Er werd geschreeuwd en geslagen. Eerst lieten ze zich los op de krijgers die hun leider hadden geveld en een moment later ontbrande het tumult in alle hevigheid. Woest sloegen de Campervenners er op los. Het ontaarde in een ongekende veldslag. Botten kraakten en bloed vloeide. De veestropers stoven alle zijden op om hun vege lijf te redden. Ze werden alle op de huid gezeten door twee of drie Vennelude,s. De Campervenners overheersten in de veldslag en roken de overwinning. Vrijwel niemand ontkwam aan hun woeste wapengekletter. Men rustte niet totdat iedere vijandelijke krijger ter aarde was geslagen om vervolgens triomfantelijk de strijd te staken.

 

Terneergeslagen koersten ze vervolgens richting de Peckkepott, hun gesneuvelde leider liggend onder zijn dode hirre. Aangeslagen en zwijgend vormden ze eerbiedig een kringetje rondom de beide slachtoffers. Als eerste ging de hand van Gunsz Jansz, de boer der hofstede op de Oenelickerbargen, naar zijn pet en ontblootte op eerbiedige wijze zijn kalend hoofd. Daarna werd het ritueel achtereenvolgens door iedereen herhaald. Bedroefd en teneer geslagen knielden alle boeren op één knie. Hebodikus de stroper kroop naar voren en pakte de achterpoot van de Peckkepot. Zijn beide voeten plaatste hij tegen de paarderug en trok hem met zijn uitzonderlijke spierkracht onder het dode paardje vandaan. Het was een zware domper op hun overwinning. Na een korte stille aanblik werden er maatregelen getroffen om de Peckkepot af te voeren. Men pakte voorzichtig het lichaam op om het weg te dragen. Maar na enkele passen voltrok zich een reflex in het linkerbeen van de Peckkepot het uitschietende voetje trof een helper diep in de maagstreek. Een dodelijke gil deed de mannen tientallen passen uiteen stuiven terwijl het lichaam op de grond smakte. De Peckkepot wrong zich in allerlei bochten. Zwaar gehavend kroop hij kreunend en jammerend in de benen. Toen was het Toinisz die zijn boerenkiel over zijn hoofd trok en het aan zijn gaffel hing. Hij zwaaide met het Vennegilde der overwinning om daarna een karaf brandend water te overhandigen aan de Peckkepott. Die sterke vervolgens zienderogen aan. Genoegelijk gingen ze allen toen op de Kaedijk zitten. Intens genoten ze en zagen toe hoe de Geldersen jammerend, kreupelend en bebloed afdropen. Zes ervan bleven er uiteindelijk liggen, dood geknuppeld door het getergde volk.

 

Het behaalde resultaat werd alom buiten hun palen geprezen. Zelfs de Campenaren spraken van een sterk staaltje wat die Campervenners hadden uitgehaald.

 

Enige tijd daarna verscheen de heilsbode weer bij de Peckkepott op het erf met een perkamentrol. De scout betuigde daarin zijn dank en zou er voor zorgen dat de Peckkepott zo spoedig mogelijk een nieuwe hirre tot zijn beschikking kreeg. Ondanks zijn trots op de geslaagde aktie treurde hij toch lange tijd om zijn verloren Hirre.

 

 

Vrijwel direct daarop pikten de Campervenner mannen het verkwanselde land van de Hollander akkers weer in en voegden dat weer toe aan dat van den bisschop.