Kamperveen

 

 Oorlog tussen Campen en de heer Putten

 

 

 

Herebertus hield zich de komende jaren gedekt. Die had zijn lesje gehad. Maar echte ridders strijden verder. Broeden nieuwe plannen uit. Enkele seizoenen later begon hij weer voorzichtig de verkregen rechten te innen. En al gauw was zijn standpunt: ‘niet goedschiks dan maar kwaadschiks’. Weer werden de Campervenners de extra schattingen op de schouders geschoven. Ze eisten het onmogelijke van de bewoners, ondragelijk zwaar werden hun schouders belast.

Enkele van hun  staken weer de koppen bij elkaar en riepen de hulp in van hun mede geloofsgenoten uit Campen. Deze waren onmiddellijk bereid de helpende hand te bieden, want ook zij hadden meer dan genoeg van de stroperijen van de legers van deze sluwe vos, omdat ook de omgeving rond Kampen steeds vaker werd afgestroopt.

 

Het gevolg was een lokaal oorlogje tussen Kampen, aangevuld met Campervenners, en de troepen van Heer Herbert. Op 15 juni (Sint Vitus) 1375 trokken de legers ten strijde. De burcht lag slechts 3 uur gaans van Kampen en was al heel snel bereikt. Het verraste de heer van Putten volkomen. Een  korte en hevige veldslag volgde. Maar Heer Herbert zag kans om zich tijdig met zijn manschappen binnen de slotmuren terug te trekken. De slotbrug werd geheven en de zware, met ijzer beslagen poortdeur gegrendeld. Achter de brede en diepe gracht waren ze volkomen veilig, zo was hun stelling. Maar de Campenaren hadden niet voor niets deze tocht ondernomen. Ze belegerden het slot. De meegebrachte oorlogswerktuigen werden in stelling gebracht en konden eens mooi in de praktijk worden getest. De wagenmakers en smeden van Kampen hadden voor deze operatie speciaal een nieuw soort “Blijde” gemaakt. Een  houwitser die enorme stenen met grote kracht tegen de vestingmuren kon slingeren. Zelfs de kerkelijke magistraat trok mee om de leiding  persoonlijk op zich te nemen, iets wat maar zelden gebeurde. Hij huisde in een prachtige tent  in het legerkamp. Zes weken lang duurde dit beleg en dagelijks werden de muren op de proef gesteld. Grote stenen werden over de gracht geslingerd en beukten de muren. De te gebruiken zwerfkeien werden uit een steeds grotere omtrek aangevoerd. Maar de muren hielden stand en de ‘vesting’ bleef onneembaar.

 

Intussen hadden enkele van zijn handlangers gehoord van het beleg van ‘Old Putten’. Ze besloten hun vriend te gaan helpen. De bondgenoten verzamelden alle strijdbare mannen en gingen richting "Old Putten”. Hun strategie was een ruggelingse aanval.

 

Maar een bomvol zakje dukaten deed wonderen. Een heraut seinde vroegtijdig de bisschop in. Deze versterkte zijn leger met 200 ruiters en 200 manschappen. Waarvan vele Camperveners. Toen het ontzettingsleger der bondgenoten dat hoorde dropen zij af en gingen rechtsomkeert. Toen was er voor de heer van Putten geen houden meer aan. De verdediging wankelde en hij besloot dan ook tot overgave. Maar de belegeraars wilden toch wel graag bloed zien en een robbertje vechten. Vooral de getreiterde Camperveners zagen nu hun kans schoon om de plunderaars, die hun jaren getiranniseerd hadden, een kopje kleiner te maken. Met veel branieachtig geschreeuw en kletterende zwaarden lieten ze zich horen. Ze imiteerden een bestorming en soldaten met bekende gelaatstrekken kregen er ongenadig van langs. Weldra volgde de inname en na nog enkele hevige schermutselingen dropen de onderdanen met gestriemde ruggen en kreupele onderdanen af. Het slot werd leeg geroofd en met de grond gelijk gemaakt. Vele Camperveners plunderden waardevolle attributen en eigenden ze zich toe. De heer van Putten kreeg amnestie en kon met zijn onderdanen  vertrekken op voorwaarde dat het slot nimmer weer herbouwd mocht worden. De Camperveners waren de Kampenaren daar uiteraard zeer dankbaar voor.

 

Inmiddels hadden de kerkelijke magistraten de Utrechtse bisschop van Hoorne er van in kennis gesteld. Deze was zeer gegriefd over het geen ze de Camperveners hadden aangedaan en via de Camper parochie bereikte hun het volgende schrijven:

 

 

Arendt van Hoorne, bij de genade Godes bisschop van Utrecht, alle gelovige lieden die deze brief zien of lezen, saluut voor onze Heer. Wij hebben verstaan van de edelachtbare heer Henrick, Waarvan Godt de ziel afgenomen heeft, wijlen eerzame bisschop van Utrecht en onze voorvader; dat een aantal arme mensen van Vriesland voornamelijk in Salland opgenomen zijn in een broekachtig en onbewoond land. Met de naam “t’Veene,” gelegen in een hoek van Salland bij een dorp dat Wilsem heet en bij de stad van Campen, Hetwelk zij uitverkozen hebben om te bewonen en te bebouwen, mits met toestemming van de prins en de edelen van het land. Welke arme drommels vanaf het begin dat ze er kwamen er gepionierd hebben, alsmede in de periode van de eerwaarde vaders, de heren Willebrantz en Otten, bisschoppen van Utrecht waarvan God de ziel heeft opgeeisd, tot nu toe  een enorme grote vrijheid genoten hebben, dat zij van alle belastingen en verplichtingen die andere bewoners van ons Bisdom wel moeten nakomen, gevrijwaard zijn. Zoals varkensbelasting, of verplichtingen in geld of koren. Daarvan zijn zij allemaal en in het geheel van vrijgesteld. Zij hoeven ook niet buiten hun grenzen te strijden of oorlogszuchtige handelingen te verrichten. Ook niet bij de marine of enig ander wapen conflict bij te springen. Behoudens ter verdediging van hun eigen akkers en de grenzen van het Veen.

 

Evenwel zijn zij wel verplicht tienden te betalen over hun kleinvee en vruchten. Jaarlijks te voldoen te Wilsem tijdens de kerkelijke zitting van de kamerheer van Deventer. Te betalen in Deventer munten. Ook moeten ze jaarlijks de rente betalen van niet aflosbare schulden. Van iedere hoeve vijf schillingen en van een halve hoeve dertig penningen. Degenen die het beste beboerd hebben betalen het meest en die slecht geboerd hebben het minst. Degenen die een hoeve of een akker twee of drie maal verkoopt daarvan moet de koper ook belasting betalen en wel zoveel als de rente opbrengt. Een iegelijk die sterft op het “Veen” daarvan erven de kinderen.

 

Wij hebben een exemplaar van deze overeenkomst in bewaring voor de nakomelingen zodat niemand de rechten van deze arme mensen in de komende tijd kan afnemen. Dat geld ook voor adelen en andere machthebbers uit naburige streken.

 

Deze brief hebben wij met ons zegel gezegeld. Utrecht, in het jaar onze Heer 1373 des donderdags na sint Johannesdag.

 

 

Dat sterkte de Campervenners...........

 

 Hoewel de bewoners onwrikbaar vasthielden aan de hun verleende privilegiën hebben ze toch in 1407 de hand over hun ziel gestreken en zowaar de stad Campen een eenmalige “betalinge” gedaan van een aantal goudguldens. Geheel vrijwillig en onverplicht. Alles uit dank voor hunne bemoeienis.

 

De Campervenner Privilegiën hebben door de jaren heen nog al wat stof doen opwaaien. Zo moest elk opvolgende Bisschop ze op nieuw bevestigen en erkennen. Dat werd nog wel eens verzaakt. Vandaar dat er nog wel eens druk moest worden uitgeoefend, omdat deze verworven rechten in de vergeethoek dreigde te raken. Niet zelden heeft het Camper bestuur zich sterk gemaakt en menig herinnering werd naar Utrecht verzonden............. Omdat veel Camper Magistraten leenrechten bezaten op Campervenne was het mede hierdoor dat ook in hun eigen belangen werden gediend.