Kamperveen. Hollandse Kolonisten

 

 Overeenkomst Hollander Kolonisten. 

 

 

In  het jaar 1106 werd door bisschop Fredericus van Hamburg een overeenkomst gesloten met verschillende Hollandse kolonisten om  het broekland langs  de Suydersee kust vruchtbaar te maken.  Van ‘onland’ tot ‘broekland’. Ook het ‘venne  ten Suyden van Campen viel onder deze overeenkomst Vanuit Holland werden een aantal leenmannen gestuurd die de opdracht van hun leenheer hadden gekregen om in de winter periode daar een stuk land in cultuur te brengen. Een kleine kolonie Hollanders, afstammelingen van de Ingeoenen, vestigden zich naderhand aan de rand van het Veluwse zand. Gelegen in het  Zuidoostelijke niemandsland van het ‘Venne’. Of dat een goede keuze is geweest valt te betwijfelen. Op voorwaarde dat als ze slaagden ze op zeer gunstige voorwaarden het ontgonnen land konden belenen( huren). Ze opereerden vanuit het Gelre’s gebied en waren op de rand van de Veluwe gehuisvest. Van daaruit gingen ze dagelijks het moeras gebied in om te trachten de woeste gronden te temmen. Maar dat viel ze niet mee. Het gebied waar ze waren gestart lag veel te laag. Ze groeven watergeulen (sloten) in kaarsrechte lijnen en met de vrij gekomen grond wierpen ze kaden op. Deze kennis van ontginning hadden ze in Holland geleerd. En zo ontstonden er na jaren arbeid een aantal kleine ingepolderde akkertjes. (Hun gebied besloeg een oppervlakte van plusminus 150 ha. naar huidige maatstaven gerekend.) Door houten duikertjes in de lage kaden te leggen, die ze met een schot konden sluiten, probeerden ze het waterpeil enigszins te beïnvloeden. Maar het land bleef een groot deel van de zomer veel te drassig en er waren maar enkele droge zomers dat er geoogst kon worden. Van het aanleggen van terpen hadden die Hollanders nog nooit gehoord. En zo bouwden ze hun ’huusjes’ tegen de binnenzijde van de kaden. Daar ontstond een simpele nederzetting van waaruit verder gepionierd werd. Het gehucht werd  al gauw  ‘De Huzen in het Hollanderveen’ genoemd. Ze dachten en hoopten dat ze daar veilig konden wonen.  Maar hun hutjes stonden de meeste tijd van het jaar in het water. Veelal  moesten  ze zich weer terug trekken naar de hogere Veluwe. Om er permanent te wonen waren ze totaal ongeschikt. Ze zagen dan ook geen kans om hun opdracht te vervullen. Maar de leenheren waren altijd geen lieverdjes en wezen hen op hun verplichtingen. Trokken ze zich terug dan werd hun leenrecht in Holland hen ontnomen.  Enkele gezinnen hebben er een tijdje gewoond. Ondanks enorme inspanningen zagen ze geen kans om zich in de loop der jaren behoorlijk te ontplooien en hun gebied uit te breiden. Tegenslagen in de vorm van watervloeden die hun gebied lange tijden onderwater zette en de oogsten deden mislukken waren hun deel. Overtollig water wilde moeilijk terug naar zee. Dit in tegenstelling van hun mede pioniers;  de zich aan de Leidijk gevestigde Friezen. Ze probeerden wel contacten te leggen met de Friese tak gevestigd aan de Leidijk. Maar de karakters en de taal van Hollanders en Friezen waren onoverkomelijke hindernissen. Ook was het in hun nadeel dat ze zich niet aansloten bij de Camper parochie. De bewoners van het Hollanderveen hadden het erg moeilijk  maar een kleine, vasthoudende en  volhardende kern hield zich toch staande. Maar veel jongeren zagen het niet zitten en vertrokken weer naar elders.  Het gevolg was dat  deze  zuidelijke bewoners na enkele eeuwen er de brui aan gaven en geleidelijk weer verdwenen. Toen het bisdom Utrecht vernam dat het een aflopende zaak was waren zij er als de kippen bij om het gebied in te lijven en het onder hun bestuur te plaatsen voordat de Hertogen van Gelre de hand er op wist te leggen.