Kamperveen

 Dominerende Bestuurders vanaf het eerste uur.

 

 

(Overheersende of grote jongens rondom Campervenne)

 

 

Bestuursrechtelijk viel de ‘heerlijkheid’ Kamperveen, of toen nog “Campervenne” geheten, onder het bisdom Utrecht. Deze rechten en of bezittingen hadden zij verworven door ruilingen van grond, schenkingen van andere machtshebbers, of door het gewoon inpikken van hele gebieden als deze kans zich voordeed en ook wel door het voeren van kleine oorlogjes tussen magistraten.

 

De uitgestrekte veenmoerrasen van Campervenne lagen op het grensgebied van de Utrechtse- en de Gelderse heersers. Deze machtige heren waren niet altijd even stipt en correct wanneer het over rechten en plichten ging. Niet zelden probeerden ze elkaar menig graantje af te pikken, liever nog hadden ze volle korven. Niet zelden moesten ook de bewoners van Campervenne het ontgelden. Juist voordat de thienden aan de Bisschop van Utrecht moesten worden betaald gingen de Gelderse troepen op strooptocht en roofden een groot aantal zuur verdiende penningen.  De Camperveners konden dan niet meer hun schattingen voldoen. En de gevolgen daarvan waren lang niet altijd zonnig voor deze landrotten.

 

Daarnaast konden plaatselijke edelen ook Cynsen (belastingrechten) doen gelden in Campervenne.

 

 

 De heren van Buckhorst, (van Sallick) hadden in deze contreien een vooraanstaande positie. Al in 1100 hadden ze banden met de Bisschop van Utrecht. De geslachten Buckhorst waren geen barmhartige Samaritanen en sloegen hun edele klauwen uit naar alles wat hun machtspositie maar versterken kon.

 

Tot het jaar 1220 waren ze trouw aan de bisschop van Utrecht. Echter toen ze ontdekten dat deze steeds meer macht en aanzien verloor kozen ze de zijde van de Graaf van Gelre. Maar dat bracht hen ook niet datgene wat ze daarvan verwachten.

 

Een opvolgend Buckhorster geslacht bekoelde de vriendschap en keek met een schuin oog weer richting Utrecht

 

Dit zeer oude adellijke geslacht daterend van het jaar duizend, wist bij de bisschop in 1277 te bewerkstelligen om de lagere rechtspraak van het schoutambt, waaronder Campervenne ressorteerde, te belenen (verkrijgen). Dat gold niet voor het volksrecht zoals het toebrengen van lichamelijke verwondingen of “onbekante koerbair” wondingen. Dat viel onder de hogere justitie.

 

(Koerbair of Coobair waren toegebrachte verwondingen van bepaalde afmetingen. Een daarvoor aangesteld persoon bezocht het slachtoffer, ontblote de verwondingen en stelde de aard en omvang er van vast door met zijn blote vingers de lengte, de breedte en de diepte van de wond te bepalen. Een barbaars en zeer pijnlijk onderzoek. Aan de hand van het resultaat werd de keuze van de rechter en strafmaat bepaald.). Maar bewoners geschillen zoals over leen- en privaatrecht, daar mochten zij een uitspraak over doen. Evenwel met uitzondering van de Hollanderakkers. Johan van Buckhost had daar privaat rechtelijke belangen.Hij beleende daar het Buchorsterslagh.

 

In het Voersterslaghe bezat Zweden v.Voorst de lage rechtspraak

 

Toen de adelijke lieden er lucht van begonnen te krijgen dat het de Venne-luu (Campervenners) redelijk voor de wind ging wilden zij daarvan ook wel mee profiteren. Zo probeerden zij onder de vlag van de rechterlijke machte hun inkomen wat aan te vullen door de Camperveners eigenmachtig Cynsen op te leggen naast die van de Bisschoppelijke beleningen. Maar toen Bisschop Otto dit ter ore kwam was het gedaan met hun bijbaantje en neven inkomen. Buckhorst handelde in strijd met de voorrechtsbrief van de Campervenners van Bisschop Guiy. De verstandhouding bekoelde steeds verder. Ook was men destijds altijd zeer bevreesd voor het uitgroeien van lokale macht, al te veel zeggingschap van plaatselijke magistraten. Mede door dit alles nam bisschop Otto in 1309 wraak, zogenaamd wegens het schenden van de privilegiën van de Campervenners en verwoeste grotendeels het kasteel Buckhorst van Heer Gijselbert. Maar hij behield wel de belening van de Hollanderakkers. Uiteindelijk kwamen ze weer onder het bestuur van de marke Campervenne te liggen toen de stad Campen het volgende besluit nam en uitvoerde:

 

 

“In 1478, prima Septembris, heeft de stat Campen de Raedijck, gelegen neffens de Buchhorsterdijk, streckende van den Isselvenedijck doer Hollanderhuyser ende acker nae die Veluwe op der stat kosten doen maken opdat men eenen wech toe beth moege hebben winterdages aen der stat toe komen”.

 

 

Rae- Roodyck= Janboerswegje.( loopt evenwijdig aan de koppelkade, zie schoorsteen.)

 

Langs het Buchorsterslagh liep de Buchhorster kade. In de volksmond toen “De Schoorsteen”genoemd. (Scheiding tussen Zalk en Kamperveen).

 

 

 

Even na 1300 verwierf, op een slinkse manier, de heer van Putten van het stamslot "Old-Putten" het recht op een tiende van de opbrengsten van de jaarlijkse oogst. Onder het verorberen van enkele flessen goede ‘Bisschopswijn’ met de toenmalige Bisschop Arnoldus van Horn, werden ze het in 1336 eens over enkele leenrechten, ondanks dat hij in het Gelre zetelde. De komende tien jaar werd het Oversticht min of meer verpand aan de Graven van Gelre. Deze maakten daarvan dankbaar gebruik en hadden lak aan alle afgesloten overeenkomsten. En weer moesten de Campervenners het gelag betalen. Het eerste wat de Gelderse adel bemachtigde waren de huzen op de Hollander ackers. In 1340 werd een stukje grond van Campervenne afgeknabbeld en wel de Hollander ackers. Landerijen, huzen met alle erom liggende bedijking werd voor een habbekrats verkocht. Over inpikken gesproken. Later hebben de venneluu het teruggehaald na de nederlaag van de van Puttens.

 

 Herbern van Putten bewoonde onder Oosterwolde het stamslot "Old-Putten". Daarnaast bezat hij een zeer sterk (Vesting) kasteel op de grens van het Oversticht (Overijssel) en Gelre. Het droeg de naam "Puttensteyn" en lag in de buurt van de huidige Polweg. Even buiten Campervenne. Vanuit dit roversnest voerde hij zijn strooptochten uit over een heel groot gebied. Zelfs tot aan de stadsmuren rond Campen. Zijn onderdanen hielden de boeren goed onder controle en zodra er wat te oogsten viel waren ze er snel bij om hun deel op te eisen. Vele boeren vonden de lasten, 1/10 voor Utrecht en 1/10 voor v.Putten, dan ook veel en veel te hoog en in strijd met de verkregen voorrechten. Ze weigerden deze thienden te voldoen. Na onderling overleg besloten de boeren het been stijf te houden en geen gehoor meer te geven aan de eisen van Herbert van Putten. Het gevolg was dat de onderdanen van heer Putten ze met geweld gingen innen. En de huur soldaten van Herbert waren geen malse knapen. Boeren die niet op tijd aan hun verplichtingen voldeden werden gekneveld en als dat niet hielp werd hun behuizing geplunderd en de bezittingen meegenomen. Ook werden wel bedrijven platgebrand ten voorbeeld voor ongehoorzame luyden. Zo hadden ze er de schrik goed in en de wind er stevig onder. Het juk wat op de schouders van de boeren drukte werd ondraaglijk zwaar. Heer Herberst machtspositie geselde Campervenne.