Kamperveen. De eerste pioniers

 De eerste Pioniers.

 

 

( Voortrekkers,baanbrekers, Schansgravers)

 

 

 

 

            De geboorte van Campervenne vond hoogstwaarschijnlijk plaats in het jaar 1092. Althans toen kreeg het stiefkindje een naam. Uit dat tijdperk is een dokument ontdekt waarop die naam voor het eerst voorkwam. Het geboorte kaartje vermelde de naam: “t’Veene”, zo is het lange tijd genoemd. Nu is naamgeving of beschrijving in die periode voor de historische geschiedenis niet altijd even betrouwbaar. Namen of aanduidingen werden door iedere schrijver weer anders geschreven. Meestal in het toen gebruikelijke ‘dialect’ van hun eigen omgeving of in de taal waarin de de betreffende persoon zijn wortels lagen. De omschrijvingen in die tijd waren nogal beperkt en erg summier. Maar in combinatie met andere informatie kan bovenstaande conclusie toch wel bij benadering worden getrokken. Al moet men het zien in de vorm van aannames. Ook de Gregoriaansche kalender was toen nog niet eensluidend. In het Oosten en Noorden van ons land hield men er een andere jaartelling op na dan in het tegenwoordige Westen.

 

 

 

 

De Nederlanden hoorden in de vroege middeleeuwen bij het Rijk van Karel de Grote (742-814). Na zijn dood werd het rijk opgedeeld in drie stukken.

 

 

De Noordelijke Nederlanden kwamen onder het gezag van de Duitse Keizer.

 

 

Maar naar die Keizer werd niet zo erg geluisterd. Het rijk was bestuurlijk veel te uitgestrekt voor hem. Hij kon zijn macht niet overal laten gelden en iedereen rommelde maar wat aan. De Duitsers verdeelden daarom het gebied in kleinere domeinen en beleenden (in beheer geven) het aan voorname Edelen. Dat waren de onderbestuurders.

 

 

Het Sticht was een zo’n uitbeleend gebied. Dit werd weer onderverdeeld in het Nedersticht (Utrecht) en het Oversticht (o.a.Overijssel) Rond het jaar 1000 beleende de Duitse Keizer het Sticht aan de bisschop van Utrecht. Bisschoppen hadden (officieel) geen kinderen en als zodanig speelde de vererving hen geen parten. De toenmalige Keizer was geen topbestuurder maar hij was wel zo slim dat hij het recht verwierf om tot het jaar 1100 zijn eigen bisschoppen te mogen benoemen. Deze Keizer was een groot vriend van bisschop Hendrick III en schonk in 1045 hem het Pagus. Dit omvatte de gebieden Tujanti (Twente), Hamaland (rond Deventer) en GouwSalon (Sallii, Salland) waaronder ook de omgeving van Wilsum resorteerde. Even voor het jaar 1200 kwam het Veluwse gebied bestuurlijk onder de Hertogen van Gelre,

 

In 1150 werd Herman van Hoorn benoemd tot bisschop. Een zacht en goedaardig persoon zonder enige reputatie. Het Oversticht was daar niet blij mee en verzette zich hevig tegen deze benoeming. De bewoners wensten een “echte” persoonlijkheid. Eén met een ijzeren vuist die de steeds brutaler wordende heren van Coevorden en de niet minder malse Gelderse roofridders een halt konden toeroepen. De latere bisschop Godefried van Rhenen, benoemd in 1156, was uit een heel ander hout gesneden. Hij was het die een verdedigings ring opbouwde tegen deze indringers. Maar zijn zetel was in het Nedersticht en daardoor verzaakte hij wel eens het Oversticht. Hij benoemde daarom plaatsvervangers in het Oversticht. Eén daarvan was de burggraaf van Coevorden.........een twijfelachtige keuze.

 

 

Zijn opvolger Bisschop Harbert van Bierum maakte deze functie nota bene voor de Coevorder heren erfelijk. Het gevolg was dat deze heren van Coevorden steeds machtiger werden en op het laatst lak hadden aan hun bisschop in het verre Utrecht. De bisschoppen  waren hier echter niet van gediend Vele veldtochten ontaarden in kleine oorlogjes met wisselend succes voor beide partijen.

 

 

In 1216 werd vuurvreter Otto van der Lippe bisschop. Dit ontaarde uiteindelijk in de slag bij Ane.

 

 

Het Oversticht raakte anarchistisch en daarvan maakte onderander Herbert van Putten dankbaar gebruik.  Deze onder Elburg zetelende roofridder pakte zijn kans. Vanuit het Gelre stroopte hij alles af tot aan de stadsmuren van Kampen. Campervenne bukte zwaar onder het juk van deze ongetemde en nooit verzadigde wolf......

 

 

 

 

 Zo rond het jaar 1150 na Christus moet het moerasachtige gebied ten Zuiden van Kampen  haar eerste permanente bewoners hebben ontvangen..... Dat wil zeggen, dat de toenmalige Bisschop van Utrecht, Godefridus van Rhenen, de 28 ste bisschop, toestemming gaf aan het verzoek van enkele pioniers om zich hier officieel  te mogen vestigen. Vrijwel zeker zijn er daarvoor diverse tijdelijke bewoners geweest. Deze nomaden hebben eerst het gebied grondig verkend en eens bekeken of er voor hun wel voldoende mogelijkheden aanwezig waren om er zich te ontplooien en een broodwinning op te bouwen. Het waren zo gezegd min of meer illegale nederzettingen. Groepen voortrekkers of aannemers die na een jaar of enkele jaren weer opbraken om ergens anders hun geluk te beproeven. Ze waren dan vrij van cynsen (schattingen, belasting te betalen). Iets wat ze toen ook al minder leuk vonden. Een vestigings verzoek werd destijds pas gedaan nadat gebleken was dat er in ruime mate mogelijkheden aanwezig waren om er een redelijk bestaan op te bouwen. Het gebied ten Zuiden van Kampen,  het niemandsland (thans “Camper-venne” genoemd) ressorteerde, bij benadering onder het bisdom Utrecht. Deze had het eigendomsrecht over onbewoonbare oorden en kon toestemming geven aan personen om er zich te vestigen. Voordien was het gebied bisschoppelijk domein en werd het bestempeld als visserij en jachtgebied. Hoofdzakelijk bestonden deze jachtpartijen uit grote wolvenjachten en werden bedreven door diverse bisschoppen met hun bevriende relaties. Meestal s’lands edelen.

 

 

         Maar een paar uur gaans in Zuid-Westelijke richting, daar  heersten de Graven en Hertogen van Gelre. Die hadden ook liever meer dan minder bezittingen en knabbelden dan ook nog wel eens een stukje van dat niemandsland af zodra er zich bewoners melden.

 

 

 

 

 

 

In  het jaar 1106 werd door bisschop Fredericus van Hamburg een overeenkomst gesloten met verschillende Hollandse kolonisten om  het broekland langs  de Suyderseekust te ontginnen om het van onvruchtbaar ‘onland’ tot vruchtbaar ‘broekland’ te maken.

 

 

In de jaren 1100-1200 verloor de bisschop van Utrecht steeds meer macht aan de graaf van Holland. De noord Veluwe verdween en daarom zocht hij ter compensatie terrein in Oostelijk richting  En kwam het gebied van Campen en omgeving steeds  meer onder zijn invloed. Hij probeerde toen hele gebieden te ontginnen door het inschakelen van Hollandsche  kolonisten. Deze waren deskundig op het gebied van ontginning en inpoldering.  Ze hadden veel ervaring in het in cultuur brengen van moeras gebieden. Ook het ‘Venne’  ten Suyden van Campen viel onder deze overeenkomst. Een kleine kolonie Hollanders, afstammelingen van de Ingeoenen, werd ingeschakeld. Deze lieden waren zeer deskundig  op het gebied van ontginning en inpoldering. Ze hadden geslachten lang ervaring opgedaan in het in cultuur brengen van moeras gebieden. Vanuit Holland werden een aantal zogenaamde leenmannen gestuurd die van hun leenheer opdracht gekregen hadden om in de winterperiode daar enkele percelen drassig moeras in cultuur te brengen. Ze vestigden zich naderhand aan de rand van de ‘Veluwse Sandbargen’, in het  Zuidoostelijke niemandsland van het ‘Venne’. Daar verrees een simpele nederzetting van waaruit gepionierd werd. Van daaruit trokken ze dagelijks het moerasgebied in om te trachten de woeste gronden te temmen. Maar dat viel hun ganselijk niet mee.  Ze groeven watergeulen (z.g.sloten) in kaarsrechte lijnen van Zuid-West naar Noord-Oost en met de vrijkomende aarde wierpen zij wallen op. Dit systeem hadden zij overgenomen van hun voorvaderen. En zo ontstonden er na jaren noeste arbeid enkele kleine ingepolderde ackertjes. Door houten duikertjes in de kaden te leggen welke met schotjes konden worden afgesloten probeerden ze het waterpeil te beïnvloeden Aanvankelijk werden ze bij hun werkzaamheden ondersteund door hun opdrachtgever.

 

 

Maar in het jaar Anno. 1133 verdween zomaar midden op den dag plotseling de zon. Het Venne werd gehuld in een zeer diepe buitenaardse, kleurabsorberende schemering. Gelaatskleuren verbleekten tot lijken. De dieren verstomden en de Venneluden verlieten ijlings en bevend hun werkterrein met achterlating van hun gereedschap. Dit had verstrekkende gevolgen. Notabelen zagen er de hand in van een Goddelijke waarschuwing. Sommige ‘wichelaars’ vertaalden deze zonsverduistering als een voorbode van groot onheil en de komst van duistere machten die hun klauwen uitstrekten over dit gebied. Toen  Fredericus van Hamburg dit alles ter ore kwam trok deze zich heimelijk terug en de schansgravers en hun onderleenheren werden aan hun lot overgelaten. Hun resultaten waren toch al pover. Wilden ze evenwel verder dan moesten ze maar voor eigen risico proberen te voorzien in hun onderhoud. En dat was niet zo’n eenvoudige opgave. Hoewel ze op een behoorlijk afstand van de Suydersee woonden kregen zij onophoudelijk met wateroverlast te maken. In hoofdzaak van de Ysala.Deze had destijds ook een aftakking die ongeveer vanaf Hattem naar de Zuiderzee kronkelde en passeerde in haar loop op korte afstand het werkgebied van de Hollanders. Stroomwater veroorzaakte er dikwijls een niet geringe overlast. Ze hadden dan ook de pech dat hun keuze, die ze overigens zelf gemaakt hadden, in een relatief laag, te laag gelegen gedeelte van het moerasveen was gelegen. (Hun gebied besloeg een oppervlakte van plusminus 150 ha. (naar huidige maatstaven gerekend.) Ondanks hun enorme inspanningen zagen ze geen kans om zich in de loop der jaren behoorlijk te ontplooien en het gebied te beheersen. De techniek van het graven van brede greppels (sloten) welke zij vanuit Holland hadden meegebracht werd ook hier toegepast. Er werden alsmaar rechte leke’s (graven, sloten) aangelegd die weer haaks uitmonden op sprengen. De uitgegraven grond werd verspreid over de ontstane, zogenaamde ackers, waardoor deze werden opgehoogd. Zo ontstond er een wisselend patroon van smalle slagen grasland gescheiden door afwateringen. Het overtollige water werd geloosd in een langslopend watertje of beekje. Zo ontstonden er smalle stroken grasland. Maar de gemiddelde waterstand was in hun gebied te hoog waardoor de afvoer veelal stagneerde. Tegenslag na tegenslag in de vorm van overstromingen die hun verworvenheden lange tijden onderwater zette en de oogsten deden mislukken werden hun deel. Overtollig water wilde moeilijk naar zee terug. De leenmannen die door hun onderleenheer waren gestuurd trokken zich vrij snel terug en gingen weer richting Holland. Maar hun leenheren, opdrachtgevers, waren niet altijd lieve, brave en barmhartige mannen. Ze werden met de neus op hun verplichtingen gedrukt en verzaakten ze die dan werden hen de verkregen leenrechten ook in Holland afgenomen. Enkele nazaten wilden toch het project evenwel op kleine schaal voortzetten. Ze bouwden hun ‘huussies’ tegen de binnenzijde van de aangelegde kae’s. Het gehucht werd al gauw de ‘Husen in het Hollanderveen genoemd’. Maar hun kotjes (hutjes) stonden grote delen van het jaar met de voeten in het water. Veelal moesten ze zich weer terug trekken naar de hoger gelegen Veluwe. Om er permanent te bivakkeren met hun gezinnen waren ze totaal ongeschikt.

 

 

Tegenslagen in de vorm van overtollig water die hun woongebied lange tijd onderwater zette en de oogsten deed mislukken waren hun deel. Het teveel aan water wilde moeilijk naar zee terug. De stormvloed van 1196, de zogenaamde St. Nicolays vloed, die de Zuiderzee een veel grotere vorm gaf, overspoelde het hele gebied en wiste alle menselijke sporen. Alleen zij die woonden op de zandduinen van het Veluwe plateau overleefden. Om dan de draad weer op te pakken, daar was veel meer dan moed voor nodig. Maar een kleine groep, een volhardende kern, hield zich evenwel staande. Maar veel jongeren zagen toch weinig brood in hun toekomst en na enige tijd vertrokken ze weer naar elders.  Het gevolg was dat  deze zuidelijke bewoners er na enkele eeuwen de brui aan gaven en geleidelijk weer verdwenen. Toen het bisdom Utrecht vernam dat het een aflopende zaak was waren zij er als de kippen bij om het gebied in te lijven en het onder hun bestuur te plaatsen voordat de Graven van Gelre de hand er achter wisten te slaan. En zo werd het gebied van de Hollanderhusen bij Campervenne gevoegd.

 

 

 

 

Enkele Friezen hadden al wel eens gehoord van plaatselijke vissers die met hun boten rond Bronnup, (Brunnepe) de in ontwikkeling zijnde Zuiderzee bevisten, dat er nog onbewoonde streken waren die wel eens  geschikt konden zijn om geëxploiteerd te worden. Deze Friezen hadden in het verleden heel veel overlast en ontberingen ondervonden van stormen gepaard gaande met alles vernietigende overstromingen. Om ieder voorjaar hun bedrijfje weer opnieuw op te starten daar hadden ze meer dan genoeg van. En de minst kwetsbare plaatsen waren natuurlijk allemaal  bezet door hun voorvaderen.